Slavernij

Slavernij was een belangrijk onderdeel van de antieke wereld, en het was een integraal deel van het

Romeinse dagelijkse leven en de economie. Ondanks dat slavernij bestond in de hele Mediteraanse wereld,

en overvloedig was in het oosten, de invloed op andere plaatsen werd niet half zo groot gevoeld als in

Rome en het Rijk. Toen de Romeinen hun positie consolideerde op het Italiaanse schiereiland en begonnen

aan de systematische verovering van het Middellandse zee gebied, werden miljoenen slaven opgenomen

in Rome en het Italiaanse platteland.

 

Toen de Romeinen nog boeren en schaapherders waren werden slaven gebruikt voor het boerenwerk.

Burgers trokken vaak ten oorlog en slaven waren noodzakelijk om de boerderijen gaande te houden.

Het gebruik van slaven nam dusdanig toe dat zij talrijker waren dan de vrije betaalde krachten.

Uiteindelijk bepaalde de concurrentie met slavenarbeid de lonen en leefomstandigheden van

de vrije arbeider.

 

Slavernij was vanzelfsprekend moreel zeer destructief. Het resulteerde in de liefde voor luxe en

indolentie wat later de Romein karakteriseerde.

De Romeinen verloren hun oude deugden van eenvoud, zuinigheid en gematigdheid.

En terwijl zij hun karaktervastheid verloren in een lui en luxueus leventje,

verminderde hun heerschappij over de wereld.

 

We kunnen er niet zeker van zijn hoeveel slaven er op een gegeven moment in Rome waren.

Maar we kunnen wel algemeenheden interpreteren; bijvoorbeeld, dat er minder slaven waren in

vroegere jaren wordt aangetoond door het feit dat zij bij naam werden aangeduid.

Echter, uit latere tijden is het bekend dat bepaalde generaals volgens zeggen enorme aantallen

slaven loosden. Horatius impliceerde dat zelfs een heer in bescheiden omstandigheid op zijn minst

tien slaven diende te hebben. Van enige personen horen we dat zij ongelooflijke aantallen slaven hadden.

Soms werden slaven in een bepaald huishouden verdeeld in groepen van tien, we weten dus dat er

hiervan hordes waren, in ieder geval tijdens het Keizerrijk.

 

De meeste slaven waren gevangenen. Om de problemen van het voeden en bewaken van hen in een

vijandig land te voorkomen werden zij kort na hun gevangenneming verkocht. De verkoop van slaven

werd uitgevoerd door een quaestor, de betaalmeester en financieel officier van de generaal.

De kopers waren groothandelaars in slaven die het leger volgden. Om de plaats te markeren werd er

een speer, als teken van een openbare verkoop van slaven, in de grond gestoken. Gevangenen hadden,

als offergaven,een krans op hun hoofd, zodoende kreeg ‘sub hasta venire’ of ‘sub corona

(‘ter verkoop onderde speer’ of ‘onder de krans’) de betekenis van ter verkoop in slavernij.

De groot slavenhandelaars verkochten hun waren in Rome aan handelaars en privé personen.

 

Daar de slaven voormalige soldaten waren, waren het gewoonlijk sterke mannen.

Velen prefereerde zelfmoord boven slavernij, en slaven waren vaak moeilijk te beheren.

Echtverenigingen tussen slaven werden contubernia genoemd (slaven konden niet wettig huwen).

Zo lang als slaven geboren uit slaven ouders het bezit bleven van hun eerste eigenaar, werden zij

vernae genoemd. Deze slaven waren waardevoller dan hun gevangen genomen lotgenoten omdat

zij meer geacclimatiseerd en minder vatbaar waren voor ziekten, en van jongs af aan geoefend

in het uitvoeren van speciale taken. Soms hadden zij een natuurlijke genegenheid voor hun huis

en hun meester en diens familie.

 

Slaven handelaars verkochten gewoonlijk hun waren op openbare verkopingen,

welke onder toezicht stonden van aediles die de plek aanwees en de regels en reguleringen bepaalde.

Over geïmporteerde slaven, die ter verkoop werden aangeboden met wit gekalkte voeten,

werd een belasting geheven. Bij slaven uit het oosten werden de oren doorboort,

een algemeen teken van slavernij onder oriëntaalse volken.

Een slaaf werd ter verkoop aangeboden met een rol om zijn nek waarin zijn karakter werd beschreven,

de naam van de slaaf werd vermeld en zijn nationaliteit en een verklaring dat hij vrij was van ziekten

(speciaal epilepsie) en van een neiging tot stelen, weglopen, of het plegen van zelfmoord.

Als de slaaf gebreken vertoonde die niet genoemd waren in zijn garantie, dan moest de handelaar

hem binnen zes maanden terug nemen of de verliezen van de koper vergoeden.

Een slaaf zonder garantie moest een muts dragen tijdens de veiling.

Uitzonderlijk dure slaven (speciaal zij van een opmerkelijke schoonheid) werden soms door hun

eigenaren tijdens privé verkopen aangeboden aan mogelijke kopers. De handelswijze van de handelaar

gold als schandalig, maar het was zeer winstgevend. De smerigste handelaars verkochten vrouwelijke

slaven voor immorele doeleinden.

Er waren grote verschillen in de prijzen van slaven. Gevangenen die op het slagveld werden verkocht

waren goedkoop omdat de generaals gretig waren op een snelle verkoop en tijdens de terugreis naar

Rome waren de handelaars zeker van zware verliezen door ziektes, vermoeidheid en in het bijzonder

door zelfmoord. Sommige slaven brachten hoge prijzen op, echter, knappe geschoolde jongens en mooie,

beschaafde meisjes zouden wel duizenden euro’s kunnen hebben gekost.

Slaven werden vaak gekoppeld naar lengte en kleur.

 

Openbare slaven waren Staatsbezit; privé slaven persoonlijk bezit.

Openbare slaven verzorgde openbare gebouwen, diende magistraten en priesters, werden gebruikt door

de quaestoren (financiële ambtenaren) en aediles, traden op als nachtwacht en brandweer (vigiles)

en als lictoren (hulpen van magistraten), gevangenbewaarders en als beul, werden niet als

vanzelfsprekend verkocht, hoefden niet zo hard te werken, en waren niet onderworpen aan de

bevliegingen van een willekeurige meester. Privé slaven werden of te werk gesteld in de

persoonlijke dienst van hun meester (in dat geval werden zij familia urbana genoemd,

de stadshuishouding) of werden gehouden voor de winst (uitbesteed of te werk gesteld

in de zakelijke affaires van hun meester). Van de slaven die werden gehouden voor de winst

was de oudste en belangrijkste klasse die van de boerenknechten (familia rustica).

Het werd voor een meester als eerbaarder beschouwd zijn slaven te werk te stellen in zijn

persoonlijke ondernemingen dan ze te verhuren.

Echter, slaven waren altijd beschikbaar voor ieder doel in iedere stad.

 

Slaven die als ongeschoolde arbeiders functioneerde waren onmisbaar in Rome, omdat het meeste werk

dat tegenwoordig door machines wordt gedaan handmatig werd verricht. Boven deze portiers, gravers,

en verhuizers stond de handswerkman, technicus, en andere geschoolde handwerkslieden: smeden,

timmerlieden, metselaars, steenhouwers en zeelui. Winkeliers en andere beroepsmensen hadden

assistenten nodig, die meestal slaven waren.

 

Het aantal slaven dat een Romein in zijn stadshuishouding hield was afhankelijk van de mode

eisen en de omvang van zijn kapitaal. In vroegere tijden zou er een soort butler zijn geweest

die later andere slaven als ondergeschikten had, en uiteindelijk kregen deze slaven nog meer

slaven onder zich. Elk deel van het huis had zijn eigen personeel van slaven, vaak verdeeld in

groepen van tien, met een aparte opzichter voor iedere groep – één voor de keuken en een

andere voor de eetkamers etc. Stadsslaven die slechts één bepaalde taak hadden te verrichten

werden benijd door de slaven op de boerderij. Een bepaalde taak van een stadslaaf zou kunnen zijn:

deurwachter, de voetverzorger van zijn meester, baby oppas, of als begeleider van een zoon op weg

naar school. Vaak werd de meester vergezeld door een nomenclator die hem de namen noemde van

hen die hem groetten. Tijdens de maaltijd van de meester verzorgde een slaaf diens sandalen.

Slaven die musicus waren, acteurs, voorlezers, dansers, hofnars, dwergen, mismaakte, en kinderen

amuseerde en vermaakte de meester en diens gasten, in het bijzonder tijdens en na de maaltijd.

Slaven van de hoogste klasse waren de vertrouwelingen van hun meester, secretarissen, boekhouders,

en rentmeester doormiddel van wie hij zijn geld ophaalde, de verslagen van zijn beheerders controleerde,

investeringen deed en allerlei zaken transacties uitvoerde. Rijke mensen hadden hordes van slaven om

aan iedere gril van hen te voorzien. Mensen met smaak hadden alleen slaven die winstgevend werkten.

 

De macht van de meester over de slaaf werd (dominica potestas) genoemd, en deze was absoluut.

Marteling, degradatie, onrechtvaardige bestraffing, en zelfs het doden van een slaaf als die oud of ziek was.

Volgens de wet waren slaven een bezit dat zelf geen bezit kon hebben, contracten kon aangaan,

of trouwen,  en konden alleen onder marteling getuigen voor het gerecht.

De dood van zijn meester maakte een slaag niet vrij.

Onder het Keizerrijk werden wetten aangenomen die bepaalde dat hij niet verkocht mocht worden

om in het amfitheater te vechten met wilde dieren; hij mocht niet door zijn meester worden gedood

alleen maar omdat hij oud of ziek was; als hij werd ‘blootgesteld’ of de straat werd opgeschopt om

te sterven, dan werd hij volgens de wet een vrij man; en hij kon niet worden gedood zonder een

wettig proces. Maar deze wetten werden in het algemeen veronachtzaamd, en slechts de invloed

van het christendom zorgde voor een verandering ten goede voor de slaven.

 

Romeinen waren geen vriendelijk volk, maar zij vergaten niet vaak dat een slaaf een waardevol bezit was.

Veel hing af van de individuele meester. Vedius Polla, berucht om zijn wreedheid, gaf eens het bevel om

een slaaf levend in een vijver te gooien om als voedsel voor de vissen te dienen omdat hij een beker

van kostbaar kristal had gebroken. Keizer Augustus die ook aan de maaltijd deelnam verdedigde de slaaf

door te zeggen dat mensen nu eenmaal fouten maakte en wierp daarop meerdere glazen kapot en vroeg

Vedius of hij nu ook voor de vissen werd geworpen. Cicero daarentegen koesterde een grote genegenheid

voor zijn slaaf Tiro. Cato de oudere verhaalt ons iets over de behandeling van boerderij slaven. Hij vond dat

slaven continue dienden te werken behalve tijdens de uren – niet al te veel - die hen werden gegund

om te slapen. Slaven werden slecht gevoed, maar men moet bedenken dat het dieet dat Cato noemt

(graan, gevallen olijven, of zoute vis en zure wijn) vrijwel gelijk was aan dat van een arme romein.

Een slaaf ontving elk jaar een tuniek en om de tweejaar een mantel en een paar houten schoenen.

Versleten kleding werd terug gegeven aan de slaven opzichter om lappendekens van te maken.

 

Als een slaaf ontsnapte moest hij het leven leiden van een vogelvrij verklaarde met bendes van

georganiseerde slaven jagers achter zich aan. Een voortvluchtige slaaf was een misdadiger,

want hij had zichzelf gestolen. Als hij werd gevangen werd hij op zijn voorhoofd gebrandmerkt met

de letter F, voor fugitivus (vluchteling), en soms kreeg hij een metalen kraag om zijn nek.

Een van deze in Museo delle Terme di Diocleziano in Rome bewaarde kragen bevat de Latijnse tekst,

"FUGI, TENE ME. CUM REVOCAVERIS ME DOMINO ZONINO, ACCIPIS SOLIDUM"

“ik ben gevlucht. Houd mij vast. Als u mij terugbrengt naar mijn meester Zoninus zult u beloond worden”.

(beloond worden met een solidus)

 

Een slaaf kon geen wettig bezit hebben, maar hij had vaak peculium, spaarpenningen.

Vaak kon een werkzame, zuinige slaaf een klein fonds voor zichzelf bij elkaar schrapen als

zijn meester dat toestond. Stadslaven hadden een grotere kans om dit te doen door het

verzamelen van de fooien die hij kreeg van de vrienden en gasten van zijn meester of,

als hij een leraar was, door het ontvangen van cadeautjes van zijn studenten. Soms stond

een meester het toe dat hij een eigen handeltje begon en een deel van de verdiensten mocht behouden.

Het hoogste doel van een slaaf was zijn vrijheid te kopen. Soms kocht een slaaf een eigen slaaf om

deze te verhuren. Een slaaf van een slaaf werd vicarius (plaatsvervanger) genoemd. Bij het overlijden

van de slaaf ging zijn bezit naar zijn meester.

 

Slaven werden vaak gestraft. De meest gebruikelijke straf voor het verwaarlozen van zijn plicht of

een klein wangedrag was een pak slaag of het afranselen met een zweep (flagrum of flagellum genoemd).

Soms werden slaven gestraft met het moeten dragen van een zwaar gaffelvormig houten blok om zijn

schouders en met zijn nek in de gaffel en met zijn armen vastgebonden aan de vooruitstekende delen.

Hier komt de beledigende uitdrukking furcifer (gaffeldrager cq galgenbrok) vandaan. Geringere straffen

werden op bevel van de meester of diens toezichthouder uitgevoerd door een medeslaaf die carnifex

(beul cq scherprechter) werd genoemd. Af en toe kreeg een slaaf werk toegewezen dat hij niet

gewend was te doen. Slaven die absoluut niet te corrigeren waren werden verkocht om tot gladiatoren

te worden opgeleid. Voor werkelijke misdaden waren de straffen zeer streng, dit was altijd een

mogelijkheid omdat slaven zo talrijk waren en een grote mate van vrije toegang hadden tot hun meester.

Niets werd in geheel Italië zo gevreesd als een slaven opstand. De straf voor een aanslag poging op het

leven van de meester of voor deelname aan een opstand was de doodstraf voor de misdadiger en zijn

hele familie op een buitengewoon pijnlijke manier – kruisiging. Licinius Crassus (en niet Pompeius Magnus

zoals soms wordt beweerd!) liet zes duizend kruisen oprichtten langs de weg naar Rome, met aan elk

kruis een overlevende van de laatste strijd waarin hun leider, Spartacus, sneuvelde. Het woord crux (kruis)

werd onder slaven gebruikt als een vervloeking, special in de betekenis van

ad [malam] crucem [naar] het [slechte] kruis).

 

Een slaaf zou zijn vrijheid kunnen kopen, of hij zou vrij kunnen komen als beloning voor trouwe dienst

of door een of andere bijzondere daad van toewijding. Een formele daad van vrijlating vond dikwijls

plaats voor een praetor, maar voor zijn meester was het slechts noodzakelijk om hem in aanwezigheid

van getuigen vrij te verklaren. Een nieuwe vrijgelatene plaatste dan de vrijheidsmuts (pileus) op zijn hoofd.

Een vrijgelatene werd als persoon of in verwijzing tot zijn meester een libertus genoemd, en libertinus als

één van een klasse. Zijn voormalige meester werd nu zijn beschermheer (patronus).

 

Er vond een opmerkelijke verandering plaats haarmate het Rijk langer bestond.

De verspreiding van het christendom speelde een rol daar vele vooraanstaande Christenen er

tegenstanders van waren. Ook al bezat de Kerk en haar priesters zelf slaven, soms verklaarde de Kerk

zich met de mond tegen deze gewoonte en dat was zeker een factor op de psyche van het volk.

Nog belangrijker echter was de hoge aanschafprijs van een slaaf, de instortende economische

omstandigheden en de devaluerende munt, maakte het in loondienst nemen van de massa een beter

alternatief dan het in stand houden van het bezit van grote hoeveelheden slaven. De geleidelijke

overgang van keizerlijk bestuur naar feudalisme en de rol van de horige en de kleine boer in het Europa

van de middeleeuwen schafte het gebruik uiteindelijk af – in naam.

Echter, de rol van horige bood weinig voordeel ten opzichte van Romeinse slavernij, daar de mensen

onder dwang werkten voor de adel of de koning met weinig kans op persoonlijke vooruitgang.