Overblijfselen van het Oud Latijn
 

Politieke termen,
hoofdzakelijk verwijzend naar de organisatie van Italië door Rome.

Uit:

Remains of old Latin,

vol.IV, door E.H.Warmington. M.A. F.R.Hist.S. 1959.

 

Cives:

‘burgers’, zijn Romeinen en anderen op wie van toepassing waren

alle of sommige van de rechten en lasten van het burgerschap van de stad Rome. 

 

Perigrini:

‘vreemdelingen,’ is de algemene uitdrukking voor alle mensen –

Latijnen, andere Italianen, Grieken en anderen – die, wonend   

of zich bevindend in Italië, niet in het bezit waren van het Romeinse burgerschap.
Soms worden de Latijnen, tenminste
verbaal, onderscheiden van andere peregrini.
Na 89 v.Chr werden alle Italianen van elke afkomstmeinse burgers.

 

Nomen Latinum:

de officiële aanduiding van het totaal van zulke niet-
 Romeinse gemeenschappen
die, Latijns of anderszins,
het ius Latinum bezaten of ‘Latijnse rechten’ met betrekking tot Rome.

Zulke gemeenschappen hadden een lokale autonomie,
en de inwoners hadden, ookal waren zij peregrini, volledige handelsrechten
(maar kennelijk niet, behalve in een vroege periode, het volledige recht op een gemengd huwelijk)
met Romeinen, en zij konden, na het uitoefenen van een plaatselijk magistraatsambt
in hun eigen gemeenschap, het Romeinse burgerschap verkrijgen,
en zelfs als zij nimmer zo’n magistraatsambt hadden bekleed konden zij,
indien inwoner van Rome, stemmen in een toegewezen stam van de Romeinse comitia tributa,
echter zonder een Romeins burger te worden.

Socii:

‘bondgenoten.’ 
Dit waren normaliter de Italianen; van wie Rome,
naar willekeur, militaire of vloot strijdkrachten eisten.

Zulks inclusief de Latijnen, ookal waren deze in theorie geen socii. 

Civitas foederata:

‘Verdragsstaat’, een stad in Italië of in een Romeinse
provincie die,
de Romeinse soevereiniteit erkennend,
en over het algemeen gebonden aan de buitenlandse politiek van Rome,

maar anderszins haar eigen baas, in theorie vrijgesteld was
van Romeinse garnizoenen, gouverneurs, en belasting,
haar privileges bevestigd (zag) door een verdrag (foedus).

Civitas libera (et immunis):

‘Vrije en immune staat’, gelijk aan een
civitas foederata,
maar
alléén door een Romeinse wet of door een besluit van de Romeinse senaat
in het bezit van haar privileges.

Civitas stipendiaria:

‘schatplichtige staat’, betaalde een schatting aan
 Rome dat,
in ieder geval in de praktijk, door de capitulatie eigenaar was geworden van de grond
en al het overige, waarvan  het vruchtgebruik door Rome aan de stad was geschonken.
De meeste steden in de Romeinse provincies waren van dit type,
in het bezit van plaatselijke statuten, rechtsspraak, en belastingen.

Zij en hun grondgebied vormde de provincia van een Romeins gouverneur.

 

De Romeinse kolonies (niet de Latijnse), zijzelf niet zijnde civitates maar een deel van Rome,
waren onderworpen aan de
rechtspraak van de Romeinse praetor urbanus
die in de kolonies
handelde doormiddel van praefecti iure dicunda.
De stichting
van de kolonie ter plekke was een zaak van de III viri (triumviri) coloniae deducendae (Driemancommissie voor het stichten van een kolonie).

 

Municipium:

een stad, niet Rome noch gecreëerd door of van Rome,

maar die, door incorporatie in de Romeinse staat,
een deel van het Romeinse burgerschap bezat – vooral alleen de lasten
(een
municeps was een persoon onderhevig aan rechten en plichten opgelegd door Rome.
Vanaf de derde eeuw hadden sommige het volledige Romeinse burgerschap,
na 89 v.Chr. hadden allen het, en de term municipium werd toen gebruikt
voor ieder ander soort stad in Italië dan Rome.

Voor rechtspraak waren de municipia gelijk kolonies afhankelijk van de Romeinse praetor urbanus.
Zelfs vóór die datum vinden we steden die municipia Latina werden genoemd,
deze hadden
het ius Latinum (niet het Romeinse burgerschap)
hen door
incorporatie door Rome verleend.  

 

Forum:

‘markt’; met uitzondering van de fora in Rome,
waren fora
landelijke gemeenschappen gewoonlijk gevestigd aan een Romeinse weg

door een rechtens bevoegd Romeins magistraat,

en waarschijnlijk volledig afhankelijk van Rome voor haar rechtspraak en census

(want het laatste was verbonden aan het meest nabij gelegen municipium)

maar in het bezit van een lokale senaat.

En, na de ‘Bondgenoten oorlog’,  waarschijnlijk lokale ambtenaren,

deze fora hadden de neiging meer zelfstandig te worden zoals municipia en coloniae.

 

Conciliabulum:

een plattelands ontmoetingscentrum voor Romeinse
burgers voor administratieve doeleinden,
hebben overigens dezelfde status als een forum.

 

Vicus:

(a) een straat, ‘wijk’ of ‘buurt’ zijnde van enig deel van Rome of
enige andere stad,
met lokale ambtenaren; (tevens een groep
gebouwen
waarvan de eigenaar aan andere eigenaren doorgang
verleende naar hun eigen huizen;

(b) een landelijke dorpsgemeenschap afhankelijk
van een lokale
stad met lokale beambten (magistri  ‘voormannen’ , geen magistraten) of aediles,

maar zonder een apart gemeenschaps bestaan.

Sommige van hen waren slechts marktdorpen zonder plaatselijke beambten. 

 

Castellum:

‘vesting’ (verschillend van een reservoir van een aquaduct):

gelijkend op het tweede type vicus, maar met speciale verwijzing
n
aar versterking of naar oorspronkelijke grondvesting voor soldaten van de plaatselijke gemeenschap.

Deze castella worden ookwel castra genoemd.

Pagus:

een versterkt gehucht of rustoord voor boeren, en het
omringende gebied.
Het had zijn eigen beambten en burgelijke en religieuze organisatie,
maar was niet zo vrij als een forum.

Praefectura:

een stad met een lokale organisatie en op zijn minst een
deel van het Romeinse burgerschap,
maar voor haar rechtspraak afhankelijk van een door Rome gezonden
praefectus iure dicundo.

De naam kon tevens van toepassing zijn op fora en conciliabula

en op het oorspronkelijke deel van een stad waarheen Rome een kolonie had uitgezonden.

Het woord praefectura  werd tevens in een engere betekenis gebruikt

om een type van municipium zonder lokale magistraten te omschrijven

maar die jaarlijks een door Rome gezonden praefectus kregen,

zoals Capua voor enige tijd na de tweede Punische oorlog.

De lokale organisatie van steden in Italië.

De plaatselijke bevolking, als een volledige lokale organisatie was toegestaan,
bestond uit magistraten, raad of senaat, en volk,
allen werden steeds nauwer gevormd naar het Romeinse model.

Magistraten:

Deze werden jaarlijks, zoals in Rome, doormiddel van een
volksstemming gekozen.
Hun titels variëren afhankelijk van het behoud van de oorspronkelijke gewoonten,
meestal hebben de magistraten een
collega.
Sommige steden hadden praetors, sommige een dictator, sommige consules,
maar het hoogste gemeentelijke bestuur bestond 

gewoonlijk uit de twee duoviri iure dicundo,  ‘Tweemansbestuur voor de rechtspraak’,
en onder hen twee (duoviri) aediles of duoviri aedilicia
potestate.
Het gehele viermanbestuur werd quattuorviri; genoemd,

de uitdrukking quattuorviri iure dicundo omvat de duoviri aediles,
en de
quattuorviri aedilici potestate omvat de duoviri iure dicundo.

Eveneens kon de uitdrukking quattuorviri  betrekking hebben
op elk
lid van het gehele bestuur.

Om de vijf jaar werd er een census gehouden
en twee of alle vier van

de gebruikelijke magistraten van dat jaar kregen de additionele titel quinquennales
‘in een vijfde jaar’ (zij) hielden de census en regelde openbare contracten.
In sommige plaatsen werd dit kennelijk
(als in Rome) gedaan door censores.

De aediles hielden toezicht op straten, markten, korenvoorziening, etc.

tevens waren er quaestores voor de plaatselijke schatkist (gemeentekas).

Raad of Senaat.

Dit was een souverein lichaam,
gewoonlijk werd
dit in Italië een senatus of curia genoemd,
haar leden gewoonlijk zijnde decuriones
(1), soms conscripti, soms senatores,
(werden) door de quinquennales gekozen, gewoonlijk voor het leven,
uit hen die beschikte over een vereiste mate van bezit.

Hun aantal was gewoonlijk 100,
hierbij inbegrepen de magistraten maar niet de ex-magistraten.

Belangrijke weldoeners kregen van de plaatselijke senaat de titel van patroni.

Volk.

(cives, coloni, municipes volgens de status van hun
gemeenschap).

De bewoners als geheel waren verdeeld in curiae of tribus
waarvan elke curia of tribus in verkiezing en wetgeving
een kieseenheid vormde;
verder had hun volksvergadering weinig echte macht.
Woonachtige vreemdelingen die huis of land

bezaten binnen het stadsgebied werden incolae  ‘inwoners’ genoemd,
andere woonachtige vreemdelingen die niet zo’n bezit
hadden
waren adventores  ‘nieuwkomers’; mensen van géén van
deze klasse
noch van de cives klasse werden attributi 
toegewezenen’ genoemd.

1.decuriones.

Dit suggereerd een deling in tienen (decuriae).

Zo’n groep of classis was oorspronkelijk volgens Columella,

een groep van tien boerenknechten omdat tien een geschikt aantal was voor samenwerking en toezicht.         

Het woord decuria hield op werkelijk een groep van tien mannen aan te duiden.

Enige officiële  Romeinse termen.

Lex:

leges als een uitdrukking in de breedste betekenis
cf. legare ‘aanwijzingen geven’)

betekent iedere aanwijzing of instructie over een gedragswijze,
voorgeschreven door een privé persoon of door de staat.
In de politieke betekenis betekent het
officiële verordeningen

door de staat en haar beambten bindend voor anderen, en in inscripties 
betekent het in het algemeen niet alleen Wetten in onze betekenis (van het woord)
(hetwelk het in het Latijn
natuurlijk wel heeft) maar ieder ‘besluit vastgesteld door het parlement’

en ‘ambtelijke besluiten’ aldus:

Lex rogata,

voorgestelde wet’ (wetsvoorstel), lex rogata,
is een
‘parlementair besluit’ door het Romeinse volk in een volksvergadering aangenomen

na hierom te zijn gevraagd, en omvatte lebiscita (door de plebejers aangenomen in hun concilium)

welke de bindende kracht hadden van leges rogatae.  

Lex data,

‘gegeven wet’, of handvest, zijn een aantal officiële aanwijzigingen over de grondwet en rechten,
voorgelegd aan andere mensen door een Romeins magistraat in het bezit van imperium of staatsgezag
die krachtens delegatie van volk of senaat werden uitgevaardigd.;
in de meeste gevallen werden zulke reguleringen
nooit voorgelegd aan het Romeinse volk in een volksvergadering.

[RI: De organisatie van een nieuw verkregen provincie
werd gewoonlijk
vastgelegd in een lex data,
welk een aanwijzing gaf voor het regelen van

de grondwet van een provincie, kolonie, of municipium,
ongeacht de formulering van de grondwettelijke bepalingen.
Zo’n lex data kon, o.a., de status van de verschillende klassen inwoners definiëren,
het vaststellen van de grondbeginselen voor belastingheffing,
het reguleren van het plaatselijke bestuur
en regels vastleggen voor de uitvoering van de rechtspraak.
Veel bleef echter onbesloten in de provinciale wet
en moest worden geleverd door het edict van de gouverneur]

 

Lex dicta,

‘gesproken wet,’ is een aantal rechtsgeldige of wettige
aanwijzigingen door enig persoon of lichaam;
in staatsaangelegenheden
zijn het aanwijzigingen uitgevaardigd door een bevoegd Romeins magistraat
of lichaam als juiste interpretatie van wetten in onze betekenis van het woord,
en in de betekenis van ‘parlementair besluit’-
lex rogata.

In staatszaken hebben zulke aanwijzigingen, gelijk leges datae,

Het gezag van ‘n lex rogata achter zich.

 

Senatus consultum of senatus decretum:

decreet van de Romeinse
Senaat welke het gezag van een lex rogata
van het gehele volk achter zich behoorde te hebben,
maar in de tijd dat de senaat oppermachtig was in Rome werden zulke decreten

meestal door het gehele volk zonder hun inwijding of autorisatie geaccepteerd.

 

Provincia:

het werkterrein (speciaal militair) van een Romeins
magistraat

handelend namens Rome in Italië (maar) buiten Rome;

vervolgens, door uitbreiding, het gehele gezagsgebied (imperium)

van een Romeins gouverneur in een provincie buiten Italië;
en in het bijzonder betekent het, dat bestuursgebied (buiten Italië)

als een geografische eenheid of provincie.

 

RI. Enige toelichtingen:

Lex, in het romeinse privaatrecht term voor een contract of verbintenis

tussen twee partijen (lex privata),
in het publiek recht voor een van de overheid uitgaande algemene rechtsregel.
Deze leges publicae werden onderscheiden in leges rogatae,
die op voorstel van een magistraat in de comitia werden aangenomen,
en leges datae, die door een met imperium beklede magistraat
krachtens delegatie van volk of senaat werden uitgevaardigd.
Tot de leges rogatae behoorden ook de plebiscita,

hoewel deze pas sinds de lex Hortensia van 278 v.Chr. voor de gehele burgerij bindend waren. 

 

Lex Rogata.

Het woord lex gevolgd door een vrouwelijke persoonsnaam

(Lex Julia, Lex Papia Poppæa) betekende, in het Romeinse recht,
een  lex rogata, i.e. een wetgevende handeling
voortvloeiend uit een ondervraging door een magistraat van het Romeinse volk:
de magistraat diende na voorafgaande goedkeuring van de senaat
een wetsvoorstel in bij het volk, waarop deze het,
na stemming in de comitia centuriata of tributa, aannamen.
De wet werd genoemd naar de familienaam van de indiener(s) van het voorstel

 
 

Leges datae hadden in de tijd van de republiek
vrijwel uitsluitend
betrekking op het bestuur van provincies en municipia.
Dictatoren en de triumviri bezaten onbeperkte volmachten om wetten uit te vaardigen

zonder medewerking of goedkeuring van volk of senaat.

Vanaf keizer Tiberius werden de comitia
nog maar zelden voor wetgevende
arbeid bijeengeroepen.
Op deze wijze verdween snel het verschil tussen
lex data en lex rogata.
De keizerlijke constitutiones ontwikkelden zich organisch uit de leges datae.
Sinds Diocletianus werden alle keizerlijke verordeningen leges genoemd.

 

Het begrip Provincia:

Een provincia was voor de Romeinen een verantwoordelijkheidsgebied,

en gewoonlijk een militaire verantwoordelijkheid. 
Aldus waren provinciae in het geheel geen geografische gebieden,
natuurlijk voor de meeste doeleinden, en in de meeste gevallen,
de provincia van een bepaald gebied –
het gebied waarin een magistraat zijn militair gezag kon uitoefenen (imperium)
werd een provincie volgens onze begrippen.

(een geografisch gebied georganiseerd voor administratieve doeleinden)

 

De grenzen van een provincie, wanneer deze waren vastgelegd,

waren de grenzen van de militaire macht van de gouverneur,

zijn militair functioneren was altijd de essentiële basis voor zijn activiteiten als gouverneur.