|
COGNOMINA (bijnamen) en hun betekenis |
| |
Iedere Romeinse burger bezat tenminste twee namen,
de praenomen en de nomen gentilicium,
tezamen met de verwantschapsaanduiding
en de tribus vormde deze zijn officiële naam.
Daarnaast bezat vrijwel elke Romeinse burger een cognomen,
tezamen met praenomen en nomen gentilicium vormend
de tria nomina, waarvan de laatste naam, de cognomen,
de familietak (stirps) aanduiding was binnen een gens.
(Bijv. M.Tullius M.f[ilius] M.n[epotis] Cor. Cicero =
Marcus Tullius, zoon van Marcus, kleinzoon van Marcus, Cor[nelia] Cicero) |
|
| |
De Romeinen toonden zich in het geven van deze bijnamen
niet altijd even fijngevoelig en men had kennelijk een voorkeur
voor wat betreft lichamelijke of geestelijke kenmerken of gebreken. |
| |
A(e)henobarbus = roodbaard |
Afer = uit Africa (Carthagena) afkomstig, (parelhoen?) |
Agricola = landbouwer, boer |
Bambalio = stamelaar |
Bestia = beest, dier |
Bibulus = altijd dorstig |
Blaesus = lispelend, stamelend |
Brutus = onnozel, stompzinnig |
Caecus = de blinde |
Calvus = kaalkop |
Caninus = van een hond |
Catulus = hondje, welp, jongdier in het algemeen |
Celer = snel, vlug, overhaast |
Cicero = grauwe erwt |
Clemens = zacht, rustig |
Cornutus = gehoornd |
Crassus = dik, grof, vet |
Cunctator = de bedachtzame, treuzelaar |
Cursor = renbode, loper |
Festus = scherts, vrolijk, geestig |
Flaccus = met hangende oren |
Frugi = rechtschapen |
Gallus = haan |
Gemellus = tweeling, gelijktijdig geboren |
Geminus = tweeling, gelijktijdig geboren |
Glabrio = ijskoud |
Lamia = spook, vampier |
Lentulus = traag |
Lepidus = aardig, mooi, fatterig, verwijfd |
Magnus = de grote |
| Marcellus = krijgshaftig |
| Murena = zeevis |
Nero = mannelijk |
Pictus = schilder |
Pietas = plichtsgevoel, liefde |
Poplicola (Publicola) = volksvriend |
Praesens = tegenwoordig, aanwezig |
Priscus = ernstig, streng |
Pulcher = mooi, schoon, aardig, lief |
Quadratus = vierhoek, vierkant |
Quirinus = Romulus, burger |
Rufus = de roodharige |
Regulus = koninkje |
Scaevola = Linkshandig |
Scaurus = horrelvoet |
Silanus = van het Silawoud |
Sura = kuit (van een been) |
Tacitus = zwijgend |
Taurus = stier |
| Torquatus = met een halsketen getooid |
Tranquillius = rustig, kalm, stil |
Tubero = zwelling |
Ursus = beer |
Varus = krom, krombenig |
Verrucosus = wrattig (had wrat op bovenlip) |
Vetus = oud |
| |
Naast de bovengenoemde bijnamen nam men ook vaak één
die verwees naar een behaalde overwinning, zoals bijv.:
Achaicus, Africanus, Asiaticus, Bithynicus, Britannicus, Germanicus,
Macedonicus, Medicus, Parthicus enz. |
|
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |
| |