CARCER MAMERTINA ET TULLIANUM
 

De Mamertijnse gevangenis bevindt zich aan de rand van het Forum Romanum,

vlakbij de Curia en aan de voet van het Capitool.

Zij bestaat uit twee ruimtes die boven elkaar liggen, de Carcer Mamertina en het Tullianum.
De twee ruimtes staan met elkaar in verbinding door een gat van 70 centimeter in diameter in het plafond,

waardoor men vroeger de gevangenen naar beneden liet zakken; soms met een strop rond hun nek,
zodat ze meteen stikten, maar meestal om de hongerdood te sterven.
De gevangenen kregen namelijk of
niets te eten
of er stond een kleine hoeveelheid voedsel en drinken gereed voor hen.

Dit echter niet uit barmhartigheid, maar om hun lijden te verlengen.

Boven de gevangenis is in de 16e eeuw de kerk San Giuseppe dei Falegnami gebouwd,

waarschijnlijk in 1599 door G. P. Montano voor het gilde van de timmerlieden.

De naam Mamertijns komt waarschijnlijk van het Latijnse Mamertinus

(van Mamers, een andere naam voor de oorlogsgod Mars).
Soldaten uit Campanië
(die na de dood van hun aanvoerder, Agathocles, in 289 v. Chr.
de stad Messana op Sicilië bezetten)
noemden zichzelf zonen van Mars, Mamertini.
De link met de gevangenis is onduidelijk,
maar de naam dateert uit de Middeleeuwen.
Soms wor
dt echter ook van Marmetinische kerker gesproken.

De Carcer Mamertinus

De bovenste verdieping, de Carcer, stamt uit de 2e eeuw v. Chr.
De Carcer heeft de vorm van een trapezium, is ongeveer vijf meter lang, breed en hoog
en is opgetrokken uit tufsteen. Sinds de 15e eeuw wordt deze
etage de San Pietro in Carcere genoemd,
naar de gevangenschap van de heilige Petrus rond 64 na Christus (zie Bekende gevangenen).

Het Tullianum

Het Tullianum ("bronnenhuis") is een cirkelvormige kerker onder de Carcer Marmertina
en heeft een diameter van vijf en een hoogte van twee meter.
De kerker is gebouwd met vulkanische steen (peperino).

Livius (59 voor - 17 na Chr.) meende dat het Tullianum in de koningstijd (6e eeuw v. Chr.) was gebouwd,

en dat het zijn naam dankt aan koning Servius Tullius, die de gevangenis zou hebben laten bouwen.
Tegenwoordig weet men dat het Tullianum in 387 v. Chr. tijdens de Gallische invallen is gebouwd
en dat de naam afkomstig is van tullius, wat in het Latijn wilde stroom of waterval betekent.
Dit omdat de ruimte
oorspronkelijk als waterreservoir gebouwd is.
Dit reservoir is rond 300 v. Chr. drooggevallen.

In het Tullianum vonden ook executies plaats.

De trap die tegenwoordig als toegang voor de kerker dient was in de Romeinse tijd nog niet aanwezig.

Oorspronkelijk was alleen de bovenste ruimte als gevangenis in gebruik,

later werden ze samengevoegd en kregen ze samen
de bestemming van staatsgevangenis en plaats voor terechtstellingen.

Via een deur in het Tullianum, was er een verbinding met het Cloaca Maxima (het grote riool van Rome);

op deze manier werden de lijken naar de Tiber afgevoerd.

In het Tullianum is een klein altaar voor Petrus gebouwd, die hier volgens de legende gevangen zat.

Op het altaar is het omgedraaide kruis van Petrus bevestigd.
Er naast staat de paal waar Petrus aan vast zou zijn gebonden.

 
Bekende gevangenen

De namen van de belangrijkste gevangenen staan op een marmeren plaat in de gevangenis

en enkele worden hieronder genoemd.

 

123 voor Chr., volgelingen van de Gracchen; gewurgd.

104 voor Chr., Jugurtha, Koning van Numidië; hongerdood.

63 voor Chr., Catilina samenzweerders; gewurgd.

46 voor Chr., Vercingetorix, Koning van Gallië; onthoofd.  

64 na Chr., Petrus en Paulus, apostelen.

Het is zo goed als zeker dat het gevangenschap van Petrus en Paulus op een middeleeuwse legende berust.

De legende is dat Petrus zijn bewakers doopte met het water uit een bron die hij liet ontspringen.

Aan het begin van de trap naar beneden is een opvallend vlak stukje muur te zien:
volgens de overlevering heeft Petrus hier zijn hoofd gestoten.
Wanneer men de plek beter bekijkt, is er een lichte deuk te zien.

 
Citaten

Beschrijving van de gevangenis door C.Sallustius Crispus (86-35 v. Chr.)

in diens De Catilinae coniuratione:

‘Est in carcere locus, quod Tullianum appelatur, ubi paululum ascenderis ad laevam,

circiter duodecim pedes humi depressus. Eum muniunt undique parietes atque insuper

camera lapideis fornicibus iuncta; sed inculta, tenebris, odore foeda atque terribilis eius facies est.’

Er is in de gevangenis een gedeelte, het Tullianum genoemd,

ongeveer twaalf voet onder de grond gelegen, als men een beetje links af gaat.

Deze plaats is van alle kanten door muren omringd,

en daarboven bevindt zich een gewelf van stenen bogen,

het ziet er lelijk en afschuwelijk uit door verwaarlozing, duisternis en stank.)