Romeinse titels, rangen en standen
 

Sinds de tijd van Marcus Aurelius hadden de leden van de ordo equestres (ridderstand)
een speciale titel afhankelijk van hun rang en functie.
De laagste titel was die van Egregius 
(viro egregio), deze werd gewoonlijk toegekend aan procuratoren.

 

Praefecten, zowel Praetorio, Aegypti, Annonae, Vigilum, Classis, en later ook de hogere procuratoren,

kregen de titel van Perfectissimus; binnen de ridderorder behoorden zij tot het hoogste niveau,

vanaf de derde eeuw echter ontvingen de praefecti praetorio en de praefecti vigilum de titel van Eminentissimus.

 

Na Constantijn de Grote (307-337) verdwijnt de equestrische carrière geheel.

Alle ambtenaren werden ingedeeld in diverse klassen ieder met zijn eigen titel.

Allen die een ambt bekleedden van voldoende belang werden leden van de senatoriale klasse 1

en de cursus honorum is na het begin van de vierde eeuw beperkt tot leden van deze order,  
de z.g. viro clarissimus onder te verdelen in:

 

1.Clarissimi

   De clarissimi vormden de laagste klasse van senatoren en de titel was ex officio verbonden

    aan het provinciaal gouverneurschap en personen van lagere rang.

 

2.Clarissimi et spectabiles

    De grote massa van de tweede klasse, de spectabiles, bestond o.a. uit:

    comites, proconsuls, vicarii, en duces, allen waren spectabiles maar in aflopende rangorde.

 

3.Clarissimi et illustres.

    Hiertoe behoorden o.a. de hoofden van de diverse administratieve departementen,

    legerbevelhebbers en de praepositus sacri cubiculi 2

 

Binnen de drie klassen, Illustres, Spectabiles, en Clarissimi,
bestond weer een aantal onderverdelingen die bepaald werden door het ambt dat men bekleedde.

 

Tegen het midden van de vijfde eeuw devalueerden ook deze titels
en werden vervangen door die van vir gloriosus of gloriosissimus  en vir magnificus.

De twee klassen onder de clarissimi waren de perfectissimi en de egregii.

Deze niet tot de senatoriale order behorende groep bestond uit
slechts een klein aantal ambtenaren en de titel geraakte geleidelijk in onbruik.

Constantijn de Grote creëerde twee klassen van een enigszins andere aard.

De eretitel van Patricius  werd oorspronkelijk - spaarzaam - verleend aan hen die zich verdienstelijk

hadden gemaakt voor de staat en in rangorde volgde zij direct na de consul.

In de vijfde en zesde eeuw was deze stand slechts toegankelijk voor hen die ooit het ambt van

praefectus praetorio, praefectus urbis, magister militum, of consul ordinarius hadden bekleed.

Hij gold voor het leven en de bezitter had prioriteit op alle functionarissen met uitzondering van

de consul in functie.
Onder Justinianus werd de titel, zuiver als eerbewijs, ook aan vrouwen verleend.

De comites, oorspronkelijk de benaming voor het reisgezelschap van een keizer of een hoge ambtenaar,
werden door Constantijn in status verheven door comes te verheffen tot een eretitel verleend

aan de houders van een openbaar ambt of als beloning voor verleende diensten. 

Deze bestonden uit drie klassen: comites primi, secundi, et tertii ordinis,

en men vindt comes zowel onder de illustres, de spectabiles, en de clarissimi.

Zoals andere ambtenaren werden zij verschillend aangeduid als zijnde in feitelijke dienst (in actu positi):
als vacantes, mannen met een lagere positie die bij hun pensionering de rang en ordetekenen van

comes ontvingen als beloning voor verleende diensten, en als honorarii,

die de titel als keizerlijke gunst werd verleend of door aankoop,
maar deze hadden niet het recht op het dragen van de ordetekenen. 

De vacantes en de honorarii waren onderverdeeld in twee klassen:

De praesentes in comitatu (zij die een of andere functie aan het hof vervulden),

en de absentes (zij die in de provincies dienden)

De keizers vormden om zich heen een adviesraad
welk al snel in belangrijkheid de senaat
overtrof en deze in feite overbodig maakte.

Dit consistorium stond na Constantijn algemeen bekend als het consistorium principis

of het sacrum consistorium (geheime raad) en was samengesteld uit o.a. de belangrijkste

hofdignitarissen zoals:

de comes sacrarum largitionum 3 comes rerum privatarum 4, comes et quaestor 5,

comes et magister equitum 6, en comes et magister equitum et peditum  7. 

 
NOTEN
   
1.

(Ulpianus, Dig.1, 9, 12, 1)

‘senatores … accipiendum est eos, qui a patriciis et consulibus usque ad omnes illustres viros

descendunt, quia et hi soli in senatu sententiam dicere possunt ‘

(“onder senatoren dienen wij te beschouwen hen vanaf patriciërs en consuls tot aan alle

viri illustres, daar zij ook de enigen zijn die hun mening kunnen geven in de senaat.”)
Terug naar tekst

   
2. Grootkamerheer van de heilige slaapkamer.  Terug naar tekst
   
3.

Comes sacrarum largitionum:

minister van financiën, tevens belast met het aerarium privatum,

het persoonljk domein van de keizer.
Terug naar tekst

   
4. Comes rerum privatarum:

beheerder van de privé landgoederen en bezittingen van de keizerlijke familie (res privata).

Onderhield de bezittingen en ontving alle opbrengsten welke deels gingen naar de res privatae,

de staatskas, en deels naar het patrimonium sacrum, het privé en persoonlijk bezit van de keizer

hetwelk werd beheerd door de comes privatae largitionis.
Terug naar tekst

   
5. Quaestor sacri palatii:

juridisch adviseur van de keizer en verantwoordelijk voor het opstellen van wetten.  Terug naar tekst

   
6. Generaal van de cavalerie.  Terug naar tekst
   
7.

Generaal van de cavalerie en de infanterie, ook kortweg magistri militum genoemd,

namelijk één voor het westen en één voor het oosten van het rijk. Terug naar tekst

Bronnen:

H.G.Pflaum, Les procurateurs équestres sous le Haut – Empire romain, 1950, passim.

Hirschfeld 1905, 451-457; Alföldy 1981, 190-191.
Notitia Dignitatum (West)

Terug naar tekst