M. Vinicius P.f.  RE –6-

   

Geb. ca.60 v.Chr.
1
Overl. ?
 
   

Functies:

Legatus Augusti Gallia Comata 25.
Consulsuffectus in 19 v.Chr.
2
Quindecimvir sacris faciundis.
3
1e legatus pro praetore Illyricum 14-13 v.Chr.
4
Proconsul Macedonia. (zeer waarschijnlijk)
Legatus pro pr.van het Rijnleger in – waarschijnlijk- 1- 4 na Chr.
Hiervoor ontving hij de triumphalia ornamenta.
5

Begon in 13 v.Chr., doch meer waarschijnlijk al in 14 v.Chr.,
de Bellum Pannonicum tezamen met M.Agrippa.
Tiberius nam het over in 12 tot 9 v.Chr.

    Vader van
    P.Vinicius M.f.

    Legatus pro praetore Thracia 1 v. Chr.
6
    Consulsuffectus in 2 na Chr.
    Proconsul Asia na 2?.
7

    Vader van
    a.Vinicia. (Zie C.Annius Pollio)
    b.M.Vinicius P.f.

    Geb.? - Overl. in 46 door vergiftiging;
    waarschijnlijk door de intriges van Messallina, echtgenote van keizer Claudius.

    Consul in 30, consul II, in 45.
    Septemvir epulonum,
8 sodalis Augustalis. 9

    Huwde in 33 met Julia Livilla, dochter van Germanicus.

Vell.II.104, 2:

(4 na Chr. adoptie van Tiberius)

Op de zelfde dag Caesar (Augustus) stuurde hem (Tiberius) naar Germania, waar, drie jaar eerder,

een oorlog was uitgebroken in het gouverneurschap van M.Vinicius, jouw grootvader ---

hem waren de versierselen van een triomf toegekend. (ornamenta triumphalia)


Velleius Paterculus had zijn geschiedenis van Rome opgedragen aan M.Vinicius P.f. cos.30, cos.II,45,
vrijwel zeker vanwege diens steun bij Velleius’ toetreding tot de senaat.
(Vell.2.69,5) Zie ook Tac.ann.6.15; Dio 60.27,4.)

De consulsuff. 2, had ten tijde van zijn consulschap een zoon en een dochter, Vinicia.
Vinicia’s zoon werd tezamen met zijn vader Annius Pollio,
in 32 beschuldigd van maiestas.
(PIR.111, p.436, no.446 en PIR2.1, p.125, no.701; Vinicius,cos.19 v.Chr:Tac.ann.6.15; In Gallia, Dio 53.26,4)

 

 
 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Origine Cales in Campania.
Indien er géén betere bron beschikbaar is dan wordt de geboorte datum

geschat aan de hand van de bekleedde functies.
De Cursus Honorum onder Augustus, sinds 23 v.Chr.,
bepaalde dat er van niet-patriciërs geëist werd dat men vòòr het

praetorschap eerst het ambt van tribunus plebis of dat van aedilis bekleedde.
De eis gold dus eigenlijk alleen voor Novii.
Het consulaat op 32 jarige leeftijd gold alléén voor patriciërs en nobiles.
Het feit dat Vinicius een Amicus Augusti was kan zijn consulaat

– en daarmee zijn geboorte datum - vervroegd hebben.

Terug naar tekst

 
   
2.

De consul suffectus (plaatsvervangend consul) kwam vooral in zwang

tijdens het principaat.
Ondanks het feit dat het ambt onder de keizers vrijwel geheel

was ontdaan van enige echte macht of zeggenschap in het bestuur van

de staat werd het toch nog gezien als het hoogst bereikbare binnen de cursus honorum.
Mede doordat de keizers zelf vaak jaren achtereen beslag legden

op het ambt en er toch elk jaar nieuwe kandidaten kwamen werden de

naamgevende consuls – de consul ordinarius

(de consuls die aan het begin van het jaar aantraden

en met wiens namen het betreffende jaar werd aangeduid) -

na enige tijd vervangen door suffecti zo dat er meer mensen beloond

konden worden voor hun verdiensten jegens de keizer.


Terug naar tekst

 
   
3.

Quindecemviri sacris faciundis.
De 15 mannen hielden toezicht op de Sibillijnse boeken,
toezicht op buitenlandse godsdiensten in Rome,
en het brengen van zoenoffers ter afwering van ongunstige voortekenen. (prodigia)
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van een en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia) 

Terug naar tekst

 
   
4. Of minder waarschijnlijk laatste proconsul.
Volgens Syme in ‘Danubian papers’ , tevens proconsul Asia? 12-10 v.Chr.
Echter in Syme’s Roman papers vol.III slechts, ‘misschien’.

Terug naar tekst
 
   
5.

Ornamenta triumphalia.
Tijdens het principaat kwamen alleen leden van de keizerlijke familie
in aanmerking voor een volle triomf (curulis triumphus).
Dit was een plechtige optocht, waarbij de zegevierende generaal

Rome binnentrok gezeten in een zegewagen (currus) getrokken door vier paarden.
Hij werd vooraf gegaan door belangrijke krijgsgevangenen en oorlogsbuit,
en gevolgd door zijn troepen. Na in statie over de Via Sacra (heilige weg) te zijn gegaan, besteeg hij de Capitolijnse heuvel om in de tempel

van Jupiter te offeren.  (W. Ramsay, Smith’s Dict.)

De niet tot de keizerlijke familie behorende generaals,
indien de door hen behaalde overwinning had voldaan aan

een aantal gestelde eisen, kwamen in aanmerking voor de

ornamenta triumphalia, de versierselen van een triomf;
zoals o.a. het recht tot het dragen van de mantel van een imperator,
de titels, en het recht van zijn nageslacht op triomfale standbeelden.

(Zie A.Gell.5, 6)   Terug naar tekst

 
   
6. Thracia Macedoniaque, later Moesia.  Terug naar tekst  
   
7. ?10/11, vlg. Kathleen M.T.Atkinson in Historia 7. (1958)  Terug naar tekst  
   
8.

Septemviri epulonum.
De 7 mannen – oorspronkelijk ‘tresviri’, 3 mannen – zorgden
Bij openbare spelen voor de gastmalen der goden.
Onder Julius Caesar verhoogd tot 10 epulones.
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.

Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:

pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.

(quattuor amplissima sacerdotia.) 

Terug naar tekst

 
   
9.

Sodales Augustales.

Priesters van de tot god verheven Augustus; sedert 14 na Chr.

Zij kwamen in aanzien direct na de vier grote priesterorden.

‘Er waren oorspronkelijk vijfentwintig sodales Augustales,

eenentwintig senatoren door loting aangewezen en vier leden van de keizerlijke familie.

Zij waren belast met de cultus van de  gens Iulia te Bovillae welke, lang geleden ingesteld,
nu was gegroepeerd rond de centrale figuur van Divus Augustus.

De meer belangrijke delen van de plichten van de sodales werden

in Rome vervuld, zoals de jaarlijkse inferiae voor de dode leden van

de keizerlijke familie in het Mausoleum op het Campus Martius

en bovenal de cultus van Divus Augustus.’

(Stefan Weinstock, JRS 47 (1957), p.146/7.) 

(De sodales vormde een priestercollege
aan wie de cultus van een vergoddelijkte keizer was opgedragen.

Tijdens de keizertijd waren er in totaal vier van zulke colleges:

1.De sodales Augustales, ingesteld voor de verering van de tot god verheven Augustus.
Na de vergoddelijking van Claudius werd deze uitgebreid tot de sodales Augustales Claudiales.

2.Hetzelfde gebeurde met de sodales Flaviales,

een priesterschap ingesteld voor de verering van de

vergoddelijkte Vespasianus; dit college werd na de vergoddelijking van

zijn zoon en opvolger Titus uitgebreid tot sodales Flaviales Titiales.

3.De sodales Hadrianales en, 4. de in 161 gecreëerde sodales Antoniani.

Na de dood van Verus werden de Antoniniani genoemd;

Sodales Antoniniani Veriani, na Marcus Aurelius’ vergoddelijkng werd

Marciani toegevoegd, na de dood van Pertinax  Helviani,

na Severus’ Severiani, na Alexander’s  Alexandriani.

Elke sodalitas zorgde voor de cultus van de keizers behorende tot hetzelfde huis.)  Terug naar tekst