P. Vatinius P. f. Serg.  RE –3-

   

Geb.ca.100 v.Chr.
Overl.

Zoon van P.Vatinius.
1
 
 
Functies:

Quaestor 63.
2
Legatus C.Cosconius te Hispania Ulterior 62.
3
Tribunus plebis 59
4.
Legatus C.Caesaris te Gallia 58? – 56.
Praetor 55
5.
Legatus C.Caesaris te Gallia etc. 51- 47.
Consul in 47 v.Chr.
6.  Augur sinds 47. 7
Proconsul Illyricum 46/45 - 42.
8
 
Huwde 1. met Antonia, dochter van M.Antonius Creticus, praetor 74,
en van ?Numitoria, dochter van Q.Numitorius Pullus.

Huwde 2. met een Pompeia.

 
   

Kort overzicht van Vatinius’ belevenissen.

Vatinius, als tribunus plebis, kwam met de wet die Caesar proconsul maakte  van Gallia Cisalpina en Illyricum

voor de duur van 5 jaren; hetwelk door de senaat werd aangevuld met Gallia Transalpina.
Tevens met een wet die het Caesar toestond om kolonisten te vestigen in
Novum Comum.
Werd in 55 of begin 54 door de toen 27 jarige retor en dichter

C.Licinius Macer Calvus  aangeklaagd voor ambitus. 9
Hij werd hierin succesvol verdedigd door Cicero op bevel van Caesar en Pompeius.
Vierde eind 43 een triomf voor zijn wapenfeiten in Dalmatia in September,
November en December 44.
Als proconsul van Illyricum capituleerde Vatinius,
na Cicero’s dood (43),

Dyrrachium en zijn leger aan M.Junius Brutus.

(Zie, Cic.ad Fam.V.IX.,Xa, Xb, XI, in Vat.12-13; Plut.Cic.9.3;

Eutropius 6.17,1; Oros.6.7,1; Suet.Caes.22,1; 28; Strabo V.,1,213;

App.Bell.Civ.2.26; CIL 12,p.50, etc.)

 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Voor zijn grootvader P.Vatinius van Reate:

Cic.De Nat. Deorum 2.6; Val.Max.I.8,1.   Terug naar tekst

 
   
2.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande – vrijwel altijd patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies met

de proconsuls van de senaats provincies: 2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren verhoogd tot 40. 
Terug naar tekst

 
   
3.

Legaten.
We moeten ons goed bewust zijn van de dubbelzinnige betekenis dat
het woord legatus had in de traditie van de kroniekschrijving en,
bijgevolg, ook bij Livius.
Oorspronkelijk waren er twee soorten officieren in het Romeinse leger,
de Tribuni militum en de Praefecti socium.
De senatoriale Legati permanent verbonden aan de bevelhebber
van

een leger verschijnt pas relatief laat, pas na de tweede Phoenische oorlog.
Varro omschrijft hen als
“ qui lecti publice, quorum opere consilioque uteretur peregre magistratus.”
Tegelijkertijd waren zij niet alleen consiliarii maar tevens militaire

officieren ondergeschikt aan de opperbevelhebber.
Echter, zij ontleenden hun militaire autoriteit niet aan hun status

van legaten, maar eerder aan de aanstelling die hun bevelhebber
aan ieder van hen individueel had verleend.
Als legati waren zij slechts potentiële officieren.
Normaal gesproken zou een bevelhebber senatoriale legati
met het bevel belasten over specifieke militaire operaties,

maar dat hoefde hij niet.
Hij kon eenieder benoemen die hij geschikt achtte voor de taak.
Zulke personen hadden geen officiële titel, maar de kroniekschrijvers
(door de strekking van de betekenis van de term legatus) noemden hen legaten.
Vandaar de verwarring in onze bronnen, en in onze prosopografiën.
(Magistrates of the Roman Republic, by T.R.S.Broughton (1951).

Terug naar tekst

 
   
4.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat.
De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus), kon elk besluit,
ook van consuls en senaat, ongeldig verklaren door zijn veto
(intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr. werd o.a. dit vetorecht

aan de tribuun ontnomen.

Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had

tot de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carriére,
wat precies de bedoeling was van Sulla.

In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,

met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen
de candidatuur voor andere magistraatsfuncties toe te staan,
zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan
markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio)
en door de volksvergadering laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeenroepen en besluiten voor leggen (ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebejers te beschermen.

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;
en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.”

Terug naar tekst

 
   
5.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v.een consul met een militair commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor
het bestuur uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 verhoogd naar 16. 
Terug naar tekst

 
   
6.

Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Tezamen vormden zij de twee hoogste ambtenaren in de Romeinse republiek.
Zij hadden tot taak het bijeenroepen van de senaat en de

volksvergadering, waarvan zij de besluiten uitvoerden.
In oorlog waren zij belast met het opperbevel.
Als proconsul waren zij belast met het bestuur van een (consulaire) provincie. 
Terug naar tekst

 
   
7. Augures. (Fam.bk.V, ep.Xa)
Sedert Sulla een college van 15 priesters, onder Iulius Caesar
verhoogd tot 16 priesters. Functie o.a. het lezen der voortekenen.
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia


Terug naar tekst
 
   
8. 31 Juli 42 v.Chr. Fasti Tr.Cap.: P.Vatinius P.f. procos de Illyrico pr. [k. Sex.]  Terug naar tekst  
   
9. Ambitus: (het dingen naar ambten op onwettige wijze)
was een algemene uitdrukking die twee soorten omvatte:
ambitus en largitiones (omkoping); kortweg, corruptie en omkoping.
(o.a. Cic. de Orat. II.25; en cf. pro Murena, hfdst 36). 
Terug naar tekst