M. Tullius M. f. M. n. Cor. Cicero. RE -29-

Geb. 3-1-106 v.Chr. te Arpinum.
Overl. 7-12- 43 v.Chr. nabij Formiae.

Zoon van M.Tullius Cicero,

overl. 23 Nov. 68 v.Chr. 1,
en van Helvia.
2

 
 
 
Functies:

Diende in 89 onder Cn. Pompeius Strabo (vader van Pompeius Magnus)
in een veldtocht tegen de Marsi. Later diende hij ook onder Sulla.
Quaestor 75 v.Chr. te Lilybaeum op Sicilië.
3
Aedilis plebis 69,
4  praetor 66 5.
Consul suo anno in 63 v.Chr.
6
Pater patria en supplicatio in 63.
7
Princeps senatus 62.
Legaat van Cn.Pompeius Magnus in 57.
Augur 53 8.
Proconsul van Cilicia 51-50.
9
Legaat in Italia van de consulsuff. P.Dolabella 44.
10
Legatus Ambracia 43.
21
 

Huwde 1. in 77 v.Chr. met Terentia.

Hieruit:
1. Tullia, geboren 76 v.Chr.           (Zie aldaar)
2. Marcus, geboren 65 of 64 v.Chr. (Zie aldaar)

   Scheiding van Terentia in Januari 46.

Huwde 2. in December 46 v.Chr. met Publilia,
11 dochter van M.Publilius.

 
   

Kort overzicht van Cicero’s belevenissen en werken.

Na de verhuizing van de Cicerones naar Rome kreeg Cicero als leermeesters

de redenaars Marcus Antonius en Lucius Licinius Crassus.
In de dichtkunst werd hij onderwezen door de Griek Archias uit Antiochië.
In 90 ontving hij de toga virilis en gold daardoor als volwassen man
en nam nu enthousiast deel aan het openbare leven op het forum.
Hij kwam in de leer bij Q.Mucius Scaevola (de augur, en consul 117),
en na diens overlijden in ca.88/87, bij diens neef Q.Mucius Scaevola
(de pontifex maximus, en consul 95), twee van de meest vooraanstaande juristen van hun tijd.
Diende in 89 tijdens de Bondgenotenoorlog onder Cn. Pompeius Strabo

(vader van Pompeius Magnus) in een veldtocht tegen de Marsi. (Cic.Phil.12.27)
Later diende hij ook onder Sulla (Cic.div. I.72,2, 2.65) waarna hij zijn onderbroken

studies hervatte.
In 87 begon hij te Rome zijn studie in retorica bij Moloni Apollonius van Alabanda,
bijgenaamd Molo van Rhodos; zijn studie in filosofie bij Philo van Larisso

(de Academicus) en bij Diodotus: stoicijn, vriend en latere huisgenoot.
86-85. De inventione rhetorica libri II
81. Oratio pro Publio Quinctio
80. Oratio pro Sexto Roscio Amerino
In 79 begaf hij zich voor studie en gezondheids redenen naar Athene,

(Plutarchus geeft als reden dat Cicero het na zijn aanval op de corrupte Chrysogonus,

Sulla’s vrijgelatene, het veiliger vond Rome voor enige tijd te verlaten)

waar hij studeerde onder het hoofd van de Academie, Antiochus van Ascalon.
Na ca. zes maanden vervolgde hij zijn reis naar Asia waar hij studeerde onder

Xenocles van Adramyttium, Dionysius van Magnesia, en Menippus;
en begaf zich daarna naar Molo op Rhodos voor verdere studie.
In 77 keerde hij terug naar Rome en huwde met Terentia.
76. Zijn beminde dochter Tullia werd geboren.
     Oratio pro Quinto Roscio comoedo
75.Als quaestor diende Cicero in west Sicilië onder Sex.Peducaeus de propraetor Sicilia 76 -75 v.Chr.
71. Oratio pro Marco Tullio
70. Divinatio in Caecilium, en In Verrem actiones
69. Oratio pro Marco Fonteio
68. Oratio pro Aulo Caecina

66. Oratio de imperio Cnaei Pompeii seu pro lege Manilia, en Oratio pro Cluentio
65-64. Zijn zoon Marcus werd geboren.
63 Als consul verzette Cicero zich met succes tegen de agrarische wet van de

volkstribuun P.Servilius Rullus welk in het belang was van Caesar en Crassus

en bedoeld om de macht van Pompeius Magnus tegen te gaan.
Later dat jaar kreeg hij te maken met de Catilina samenzwering. 12
      Oratio in senatu de lege agraria,
      Oratio ad quirites contra Publium Rullum,
      Oratio pro Caio Rabirio, en Orationes in Catilinam
      Oratio pro Lucio Murena

62 v.Chr. het Bona Dea schandaal: Cicero haalt zich de haat op de hals van P.Clodius Pulcher. 13
      Oratio pro Publio Sulla, en Oratio pro Archia poeta
59. Oratio pro Lucio Flacco.

Diodotus, leraar en vriend van Cicero sterft in Cicero's huis na een jarenlang

gastvrij verblijf, en maakte Cicero erfgenaam van zijn hele bezit.
58 v.Chr. Cicero verbannen uit Rome en Italië. 14
57. Oratio post reditum ad senatum, en Oratio post reditum ad populum
     Oratio de domo sua
56.Oratio pro Publio Sestio, en In Publium Vatinium testem interrogatio
     Oratio de haruspicum responsis, en Oratio de provinciis consularibus
     Oratio pro Marco Caelio, en Oratio pro Lucio Cornelio Balbo
55. Oratio in Lucium Pisonem, en De oratore libri III
54. Oratio pro Cnaeo Plancio, en Oratio pro Caio Rabirio Postumo
     Pro Marco Aemilio Scauro, en Cicero begint aan De re publica.
52.18 Januari, P.Clodius, de volkstribuun, werd gedood door Milo
aanhangers

te Bovillae. Rellen tijdens de begrafenis tussen beider volgelingen;

het senaatsgebouw brandt af.
Cicero verdedigd Milo.
     Oratio pro Tito Annio Milone, en De optimo genere oratorum
     De legibus, en Cicero beëindigt zijn De re publica libri VI
51.Cicero vertrok op 10 Mei 51 15 van nabij Pompeii met frisse tegenzin naar zijn

provincia Cilicia, dat in deze tijd (56-50) tevens omvatte Lycia, Pamphylia, Pisidia,

Isauria, Lycaonia, en Cyprus, tezamen met de drie Phrygische dioceses

(conventus) van Laodicea, Apamea, en Synnada,

en arriveerde aldaar op 31-7-51. 16.
In Cilicia kreeg hij o.a. te maken met een dreigende Parthische inval,
de gevolgen van het wanbestuur van zijn voorganger App.Claudius Pulcher,

consul 54 v.Chr., en geldhaaien zoals zijn nobele vriend

en latere Caesar moordenaar M.Junius Brutus.
Hij vertrok uit Cilicia in September 50 v.Chr. 17

In Januari 49 vaardigde de senaat een ‘Senatus Consultum Ultimum’ uit
en gaf de consuls bevel

“er op toe te zien dat de Staat geen schade zou ondervinden”
(res publica ne quid detrimenti caperet).
Julius Caesar werd bevolen om zijn leger te ontbinden.
De volkstribunen Marcus Antonius en Q.Cassius spraken hun veto uit
over het bevel en vluchtten op 6 Januari naar Caesar, deze steekt op

de 15e de Rubicon over (in feite op 22 Nov.50, vlg. de Juliaanse kalender.)
en de Burgeroorlog is een feit.
Cicero had als proconsul de taak van het recruteren van troepen
en de bewaking van het gebied rond Capua. Cicero bleef echter inactief
in de hoop als intermediair te kunnen optreden tussen Pompeius en Julius Caesar.
Hij gaf deze hoop op na een conferentie met Caesar op 29 Maart 49

en vertrok in Juni uit Italië om zich te Epirus bij Pompeius en de zijnen te voegen.
48.Na de verloren slag bij Pharsalus reisde hij naar Brundisium
waar hij Caesar’s begenadiging afwachtte.
In 47 werd hij door Caesar met vriendelijkheid bejegend en begenadigd;
wat inhield dat hij in al zijn rechten (en bezittingen)

als Romeins burger werd hersteld.
46. Cicero scheidt van Terentia. Hirtia, zuster van A.Hirtius, de consul 43.

wordt Cicero als vrouw aangeboden, 18 Publilia, jong en rijk,

had echter diens voorkeur.
     Brutus sive de claris oratoribus, en Paradoxa Stoicorum
     Orator, en Partitiones oratoriae
     Oratio pro Marco Claudio Marcello, en Oratio pro Quinto Ligario
45. Consolatio, en Hortensius, en Academicorum libri IV
     De finibus bonorum et malorum, en Oratio pro rege Deiotaro
Cicero stort in; zijn beminde dochter Tullia overlijdt. (Cic.ad Fam.IV,ep.V.
en VI.)  
44. 15 Maart (de Idus van Maart), moord op Caesar door een groep senatoren

onder leiding van Cicero’s vrienden Brutus en Cassius.
Cicero, hoewel bewust door zijn vrienden buiten de samenzwering gehouden
– waarschijnlijk kende zij hem te goed – schreef op 11 Mei aan zijn vriend Atticus,
“Die affaire werd aangepakt met de moed van mannen en het beleid van kinderen.”
En, in zijn wanhoop over de teleurstellende politieke situatie,
dit nogeens herhalend

op 24 Mei “We hebben de moed getoond van mannen, en het beleid, geloof me,

van kinderen.” 19
Cicero noch zijn broer zullen waarschijnlijk hebben beseft dat door de moord op

Caesar ook hun bescherming weg viel, want Caesar koesterde een grote bewondering

voor de talenten van Cicero en was hem zeer gunstig gezind

– hetgeen ook bij tijdgenoten bekend was gezien de verzoeken gericht aan Cicero

om hun zaak te bepleiten bij Caesar.
     Timaeus, en Tusculanae disputationes libri III
     De natura deorum libri III, en De divinatione libri III
     De fato, en Cato maior de senectute, en Laelius de amicitia
     Topica, en De officiis libri III, en de Orationes Philippicae I-IV
In Juni 44 accepteerde hij een benoeming als legatus van P.Cornelius Dolabella,
zijn voormalige schoonzoon, doch bleef echter in Italië.
43.v.Chr. Orationes Philippicae V - XIV (Januari - April)
14 April, eerste slag bij Forum Gallorum tegen M.Antonius,
de consul Vibius Pansa overlijdt aan zijn verwondingen.
21 April, tweede slag bij Forum Gallorum, de consul Hirtius sneuveld.
29 Mei, Marcus Antonius verenigd zich met M.Aemilius Lepidus.
Herfst 43, M.Antonius, M.Lepidus en C.Octavius (Octavianus) komen
tot overeenstemming en vormen het tweede triumviraat.
Cicero werd op 7 December 43 v.Chr. vermoord in opdracht van de

triumviri rei publicae door C.Popillius Laenas, tribunus militum 43.
Deze liet de daad zelf uitvoeren door de centurio Herennius. 20

Velleius Paterculus II.66, 3:
3. Maar je hebt niets bereikt, Marcus Antonius

– want de verontwaardiging die in mijn borst raast dwingt mij de grenzen

te overschrijden die ik mij heb gesteld voor mijn verslag –
ik zeg je, je hebt niets bereikt door een beloning uit te loven voor het tot zwijgen

brengen van die goddelijke lippen en het afhouwen van dat illustere hoofd,
en door het omvatten met een doodsbeloning de moord op zo’n groot consul

en man die eens de staat redde.
4. M.Cicero heb je slechts een paar bange dagen ontnomen,
een paar seniele jaren, een leven dat nog ellendiger zou zijn geweest
onder jouw heerschappij dan zijn dood was in jouw triumviraat;
maar je hebt hem niet van zijn roem berooft, de glorie van zijn daden en woorden,
nee je hebt ze slechts versterkt.
5.Hij leeft en zal blijven leven in de herinnering der tijden,

en zolang als dit universum zal bestaan – dit universum hetwelk,

of het nu door toeval, door goddelijke voorzienigheid,

of door welke oorzaak dan ook, hij, vrijwel als enige van alle Romeinen,

zag met zijn geestesoog, omvatte met zijn intellect,

verlichtte met zijn welsprekendheid

– zolang zal het gedurende alle tijden worden vergezeld door de roem van Cicero.
Al het nageslacht zal de redevoeringen die hij schreef tegen jou bewonderen,
terwijl jouw daad jegens hem hun afschuw zal oproepen,
en de menselijke soort zal eerder van deze wereld verdwijnen
dan dat de naam van Cicero zal zijn vergeten. Eind.

Na Cicero’s terugkeer uit ballingschap werd zijn huis op staatskosten herbouwd.
Voor de geschiedenis van dit huis; zie hieronder.

Het huis dat M.Livius Drusus, trib.plebis in 91 v.Chr. bouwde
op de Palatijnse heuvel werd later het eigendom van M.Licinius Crassus,
die het in 62 v.Chr. verkocht aan Cicero voor 3.500.000 sesterciën

(Cic.ad Fam. V.6,2).
Na Cicero’s dood in 43 werd L.Marcius Censorinus, consul 39 v.Chr. de eigenaar,
en vervolgens Statilius Sisenna, consul 16 v.Chr. (Vell.II.14,3).
De grote huizen bleven bestaan tot de grote brand van 64,
waarna de laatst overgeblevenen werden opgenomen in Nero’s Gouden Huis.

Cicero bezat in totaal drie villa’s rond de Baai van Napels:
te Pompeii (na 63 v.Chr.), Cumae (56 v.Chr.), en in Puteoli

- in het Grieks Dicaearchia genaamd. (45 v.Chr.)

“Verder nog in Tusculum, sinds 66; Formiae/Minturnae, sinds 66; Antium, sinds 59;
dit ging over naar M.Aemilius Lepidus; Frusino, sinds 48; Anagnia, sinds 46;

Lanuvium, sinds 45; en Astura, sinds 45.”
(J.H.D’Arms in “Romans on the bay of Naples” 1970)

Plutarchus’ “Leven van Cicero”:
“Zijn bekwaamheid om de dingen spits te brengen deed hem vaak de goede manieren vergeten.
Hij verdedigde eens Munatius voor het gerecht,

en nauwelijks was Munatius vrijgesproken of hij vervolgde Sabinus,

een vriend van Cicero.
Men zegt dat Cicero hier zo hels over was dat hij uitriep:
“Dacht je soms, Munatius, dat je bent vrijgesproken wegens je verdiensten?
Laat mij je dan zeggen dat ik het was die voor de noodzakelijke duisternis zorgde
bij het gerecht om te voorkomen dat je schuld voor eenieder zichtbaar zou zijn.”

Hij hield eens in het openbaar een prijzende redevoering over M.Crassus
vanaf de rostra en kreeg hiervoor veel applaus.
Een dag of twee later hield hij een andere redevoering waarin hij hem fel aanviel,
waarop Crassus zei:

”Stond jij daar slechts een paar dagen geleden mij niet te prijzen?”
Waarop Cicero antwoorde: ”Ja, dat is zo. Het is een goede gewoonte in retoriek

om een redevoering te houden over een slecht onderwerp.”

Bij een andere gelegenheid zei Crassus eerst dat er nog nooit een Crassus in Rome
had geleefd ouder dan zestig, en trachtte het toen te ontkennen

“Waar waren mijn gedachten”, riep hij uit, “ dat ik dat zei?”
“Je wist”, zei Cicero, “dat de Romeinen blij zouden zijn
omdat te horen en je probeerde populair te worden.”

Crassus had een zoon waarvan men vond dat hij op een man Axius (waardig)

genaamd leek en hieruit ontstond een behoorlijk schandaal dat zijn moeder

in verband bracht met deze Axius.

Crassus’ zoon hield eens een redevoering in de senaat die goed ontvangen werd
en toen men Cicero vroeg naar zijn mening over de redenaar antwoorde hij:
“Het werk van Crassus waardig.”

Bij een andere gelegenheid werd Cicero geinformeerd dat Vatinius dood was
en kort hierna dat hij met zekerheid nog leefde:

“Mismazzel voor de man”, zei Cicero, “die de leugen vertelde.”

Ten tijde dat Caesar een decreet deed aannemen ter verdeling van het land

in Campania onder zijn soldaten, waren veel senatoren hier ten sterkste tegen

gekant en Lucius Gellius, die zo ongeveer de oudste onder hen was zei dat zolang

als hij leefde dit nooit zou gebeuren.
“ Laten we dan maar wachten,” zei Cicero,

“ daar Gellius ons niet vraagt de dingen lang uittestellen.”

Toen Metellus Nepos verklaarde dat Cicero meer mensen had geruineerd

als getuige dan hij ooit had gered als verdediger,

” Ja”, zei Cicero,  “ Ik geef toe dat je meer volledig kunt vertrouwen

op mijn woord dan op mijn welsprekendheid.”

Dan was er een jongeman die er van werd verdacht zijn vader een vergiftigde cake

te hebben gegeven.
Deze jongeman gedroeg zich zeer hautain en zei dat hij van plan was
Cicero eens een flink stuk van de waarheid te zeggen.
“Ik zou dat verre prefereren”, zei Cicero, “boven een stuk van jouw cake.” 22

Dan was er nog Publius Consta die advocaat wilde worden,
maar hij miste zowel kennis als bekwaamheid.
Hij werd door Cicero opgeroepen als getuigen in een proces en bleef maar zeggen

dat hij niets wist.

“Misschien,” zei Cicero, “heb je de indruk dat je over wetskennis wordt geexamineerd.”

Dan was er ook nog een gelegenheid toen tijdens een ruzie met Cicero

Metellus Nepos hem herhaaldelijk vroeg, “Wie is je vader?”

“Ik kan je nauwelijks dezelfde vraag stellen,” antwoorde Cicero,

“daar je moeder het behoorlijk moeilijk heeft gemaakt om die te beantwoorden.”

Dan was er Marcus Appius die tijdens een proces zijn redevoering begon
met te zeggen dat zijn vriend hem had gesmeekt om:
betrokkenheid, welsprekendheid, en integriteit te tonen.
“Hoe kun je zo hartvochtig zijn ,” zei Cicero,
“ om zelfs niet één van deze kwaliteiten te tonen welke je vriend van je verlangde?”  
 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1. VIII Kal. Dec. (ad Att. ep.1.6.)  Terug naar tekst  
   
2. De zuster van Helvia (Cicero’s moeder),
was gehuwd met C.Visellius Aculeo;
deze is mogelijk de adoptiefvader van A.Terentius Varro, legatus 82 v.Chr. 
Terug naar tekst
 
   
3.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies met

de proconsuls van de senaats provincies:

2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren

verhoogd tot 40.   Terug naar tekst

 
   
4.

Aediles
Jaarlijks werden 2 aediles curulis en 2 aediles plebis gekozen door de Comitia tributa.
Zij waren belast met handhaving van de orde in de stad, toezicht op handel en verkeer, organisatie en bekostiging van de openbare feestelijkheden, brandweer en bouw inspectie.
Het aedielschap gaf toegang tot de senaat.
Men werd e.v.t.aedilis 6 jaar na het quaestorschap.
Hun aantal werd onder Julius Caesar,
i.v.m. diens schepping van de aediles Ceriales, verhoogd tot 6 aediles. 
Terug naar tekst

 
   
5.

Als praetor was Cicero de voorzitter van de rechtbank belast met

afpersingszaken; quaestio repetundarum.


Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.
Praetoren konden eventueel i.p.v.een consul met een militair

commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het bestuur

uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 verhoogd naar 16. 
Terug naar tekst

 
   
6.

Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Met zijn mede-consul vormde zij de twee hoogste ambtenaren in de Romeinse republiek.
Zij hadden tot taak het bijeen roepen van de senaat en

de volksvergadering, waarvan zij de besluiten uitvoerden.
In oorlog waren zij belast met het opperbevel.
Als pro consul waren zij belast met het bestuur van een (consulaire) provincie. 
Terug naar tekst

 
   
7.

i.v.m. de Catilina samenzwering vaardigde de senaat op 21-10-63 het

“Senatus Consultum Ultimum” uit (het laatste bevel van de Senaat.)
Dit werd in noodgevallen door de senaat uitgevaardigd
en gaf de consul of magistraat de garantie van de steun van de senaat
voor elke maatregel die deze noodzakelijk achtte voor het

herstel van de normale toestand.

Na het verijdelen van deze staatsgreep verleende de senaat Cicero
de eretitel van Pater patriae (nooit eerder aan een burger verleent!)
en tevens zijn 1e supplicatio (feestelijke dankzegging.)

Terug naar tekst

 
   
8.

Plut.Cic. 36. Hij was voorgedragen door Pompeius Magnus en Hortensius.

Augures.
Sedert Sulla een college van 15 priesters, onder Julius Caesar
verhoogd tot 16 priesters. Functie o.a. het lezen der voortekenen.
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia
Terug naar tekst

 
   
9. Zijn 2e supplicatio verkreeg hij i.v.m. zijn optreden in Cilicia
tijdens een dreigende Parthische inval. (Cic.ad Fam.II, XV)
Tevens werd hij door zijn troepen uitgeroepen tot Imperator. 
Terug naar tekst
 
   
10. Beschermende maatregel?  Terug naar tekst  
   
11. Publilia was een jong, rijk meisje wiens voogd Cicero eens was geweest.
Zij huwde 2. met C.Vibius Rufus, cossuff.16 (CIL.XIV+ 2556. Tusculum)
(Mogelijk de vader van C.Vibius Rufinus, cossuff.21 of 22)

Terug naar tekst
 
   
12.

L.Sergius Catilina, praetor 68 v.Chr., smeedde in 64-62 een samenzwering

tegen de staat die door Cicero, als consul, werd verijdeld.
Enkele van Catelina’s meest vooraanstaande mede-samenzweerders:
P.Lentulus Sura (praetor), C.Cethegus (senator), L.Statilius,

P.Gabinius Cimber, en M.Caeparius,

werden op 5 December 63 terechtgesteld in de gevangenis

(het Tullianum) op de hellingen van de Capitolinus.
Catilina sneuvelde in Januari 62 in de strijd bij Pistorium.
(Zie: de Catilinarische redevoeringen, de Pro Murena, de Pro Sulla,

Sallustius' Bellum Catilinae, en Cic.Post reditum in Senatu, V.12)

Terug naar tekst

 
   
13.

In December 62 v.Chr. drong de jonge patriciër P.Clodius Pulcher
als slavin vermomd het huis binnen van C.Julius Caesar,
pontifex maximus en praetor van dat jaar, waar een aantal

voorname vrouwen de heilige riten vierden voor de Goede Godin

(Bona Dea), waarbij de aanwezigheid van mannen ten strengste

verboden was.
Clodius werd betrapt en er van verdacht een verhouding te hebben
met Pompeia, Caesar’s vrouw.
Zelfs Cicero gaf toe dat dit slechts een kwajongensstreek was,
die geen serieuze consequenties hoefde te hebben.
Maar Cicero weigerde om als alibi te dienen voor Clodius;
volgens zeggen omdat hij zichzelf vrij wilde pleiten bij zijn vrouw Terentia,
die Clodia, de losbandige zuster van Clodius,

er van verdacht met Cicero te willen trouwen.
Maar Cato en gelijkgezinden maakte van het proces tegen Clodius
wegens heiligschennis een cause célèbre. (Cic.ad Att.I.3,2)
Afziend van het oorspronkelijke plan om Clodius te laten berechten
door een praetor en een speciaal samengestelde jury,
stond de senaat het toe dat de jury leden op de normale manier

werden gekozen.
Crassus kocht de jury om en Clodius werd vrijgesproken.
Het proces betekende voor Cicero
het begin van een lange en bittere vijandschap met Clodius. 
Terug naar tekst

 
   
14.

In Maart of begin April 59 bekritiseerde Cicero
in zijn Pro Antonio rede openlijk de methodes van Caesar
en diens partners in het z.g. eerste triumviraat.
Caesar zag in dat aktie geboden was om te voorkomen dat Cicero en Cato

zijn wetgeving zouden aanvallen zo gauw hij Rome had verlaten opweg naar zijn provincia.
Sinds zijn vrijspraak in 61 koesterde Clodius diepe wraakgevoelens
jegens Cicero wegens diens belastende verklaring tijdens zijn proces.
Al langer trachtte hij het tribunaat te verkrijgen doch,

daar hij er niet in slaagde geadopteerd te worden in

een plebeïsche familie, zonder succes.
Caesar zag in dat Clodius, eenmaal plebejer, als volkstribuun geriefelijk

beschikbaar zou zijn om elk gevaar af te wenden
dat Cicero of Cato voor zijn wetgeving van 59 zouden kunnen vormen.
Drie uur na Cicero’s redevoering riep Caesar als pontifex maximus

en consul, de comitia curiata bijeen en liet een lex curiata aannemen
die de adoptie (adrogatio) van Clodius in een plebeïsche familie goedkeurde.
(Mommsen, St.II.p.38; Suet.Div.Iul.20.4; Cicero, De domo, 41;

De prov.cons.42).

Na in Juli tot tribuun te zijn gekozen begon Clodius Cicero openlijk te bedreigen.
Op 10 December 59 diende Clodius vier wetsvoorstellen in
als voorbereiding op latere maatregelen tegen Cicero en Cato.
Een hiervan, De lex frumentaria, was bedoeld om de volksgunst te winnen
door de graanuitdelingen aan het stadsproletariaat voortaan gratis te maken.
Een tweede, De lex de collegiis, hief het verbod op dat de senaat
in 64 had uitgesproken over alle clubs en collegia (gildes).
Het vierde wetsvoorstel behelsde de gehele of gedeeltelijke herroeping
van de lex Aelia et Fufia die de bevoegdheid regelde van

curulische magistraten en volkstribunen op het belemmeren van het

houden van wetgevende en verkiezingsvergaderingen doormiddel

van het uitkijken naar hemelse voortekenen (spectio of servare de caelo): auspiciën.
Op 4 Januari 58 werden deze wetten aangenomen.

Eind Januari of Februari vaardigde hij een wet uit die “vuur en water”
(ignis et aquae interdictio) ontzegde aan eenieder die een Romeins burger
zonder veroordeling ter dood had gebracht of zou doen brengen.
(Lex Clodia de capite civis Romani)
Deze wet had dus terugwerkende kracht!

Begin Maart ging Cicero in vrijwillige ballingschap naar Thessalonica
- waar hij zeven maanden verbleef in het huis van zijn vriend,
de quaestor Cn.Plancius - , vrijwel gelijktijdig werden Clodius’ wetten
de capite civis Romani ,en de provinciis, aangenomen.
Hiermee niet tevreden diende Clodius rond 25 Maart een volgend

wetsvoorstel in dat Cicero in de hele Romeinse wereld officieel

vogelvrij verklaarde (de exsilio Ciceronis).
Op 3 April werd dit wetsvoorstel herzien door de vogelvrijverklaring
te beperken tot vijfhonderd mijl buiten Italië.

Cicero’s huis in Rome werd afgebroken
en een tempel gewijd aan de godin Libertas (Vrijheid) verrees

op de vrijgekomen ruimte. (Cicero, De domo sua)

In Januari 57 lukte het de nieuwe consul P.Cornelius Lentulus Spinther
met de instemming van Caesar en de steun van Cn. Pompeius Magnus
en van de volkstribuun Titus Annius Milo (de grote rivaal van Clodius)
op 23 Januari in de comitia centuriata een voorlopig decreet

te doen aannemen ter terugroeping van Cicero,

hetgeen door een volksdecreet van 4 Augustus 57 v.Chr. werd bekrachtigd.
Op 4 September keerde Cicero terug in Rome. 
 
Terug naar tekst

 
   
15. . ad Att.V 2,1; 3.   Terug naar tekst  
   
16. ad Att.V15, 1; 16,1; ad Fam. XV 4.  Terug naar tekst  
   
17. Volgens Terence Bruce Mitford in ‘Roman Cyprus’ in ANRW II.7, 2, 1980:
was Cicero in Cilicia van Augustus 51 tot 30 Juni 50. 
Terug naar tekst
 
   
18. Hieron. adv. Iovin.1.48.  Terug naar tekst  
   
19. Cic.ad Att. XIV.21, 3,2; XV.4, 2,3.
Acta enim illa res est animo virili, consilio puerili.
Animis enim usi sumus virilibus, consiliis, mihi crede, puerilibus. 
Terug naar tekst
 
   
20.

Appianus Bell.Civ.IV. 19-20
(Over de vlucht en dood van Cicero en diens broer en neef):


“--- mensen bewogen door welwillendheid en medelijden,
zeiden (tegen de soldaten) dat hij (Cicero) al was uitgevaren;
maar een schoenmaker, een client van Clodius, die een bittere vijand

was van Cicero, wees Laena, de centurion, die met een kleine groep

in achtervolging was, het pad, --- Laena, ondanks dat hij eens was

gered door Cicero toen hij terecht stond, trok zijn hoofd uit de draagkoets

en hakte het met drie slagen af, of liever gezegd,
zaagde het af door zijn gebrek aan ervaring.---
het hoofd en de handen van Cicero hingen een lange tijd aan de Rostra

op het forum waar hij vroeger gewent was om openbare redevoeringen

te houden.”

En Cassius Dio:
“Intussen waren de moordenaars echter gearriveerd.
Het waren de centurion Herennius en Popillius, een leger officier,
die in het verleden door Cicero was verdedigd toen hij werd vervolgd
voor de moord op zijn vader.
Een voormalige slaaf van Cicero’s broer Quintus, Philologus genaamd,
zei de officier dat de draagkoets naar de zee werd gedragen--,
en Herennius rende het pad op. Cicero hoorde hem aankomen.
In zijn karakteristieke houding , met zijn kin rustend in zijn linkerhand,
keek hij standvastig naar zijn moordenaars---
Hij was geheel bedekt met stof; zijn haar was lang en in de war,
en zijn gezicht was mager en uitgeteert door angst---

terwijl Herennius hem doodde. Zijn keel werd afgesneden.
Hij was in zijn vier-en-zestigste levensjaar.” 
Terug naar tekst

 
   
21.

Legatus Ambracia: Afgezant naar de stad Ambracia in Aetolië.
In 189 werd Ambracia ingenomen door M.Fulvius Nobilior,

consul 189 v.Chr. t.g.waarvan hij een triomf vierde in 187

en een tempel wijdde aan Hercules.  Terug naar tekst

 
   
22

Plakoûs: platte cake, waarschijnlijk met kaasjeskruid.  Terug naar tekst