Q. Tullius M. f. Cicero.  RE -31-

   

Geb. in 102 v.Chr. te Arpinum.
1
Overl. 7-12-43 v.Chr.
2

Zoon van M.Tullius Cicero. overl. 23 Nov.68,
en van Helvia. Jongere broer van M.Tullius Cicero.
 
 
Functies:

Aedilis plebis 65
3,  praetor urbanus 62 v.Chr. 4
Proconsul Asia 61- tot Mei 58.
5
Legatus van Pompeius Magnus in Sardinia 57-56.
6
Legatus van Caesar in Gallia 54-52.
7
Legatus van zijn broer M.Cicero in Cilicia 51-50.
 

Huwde in 69 v.Chr. met Pomponia, zuster van T.Pomponius Atticus.


    Scheiding in 45/44 v.Chr.


Hieruit:

Q.Tullius Cicero.  RE -32-
Geb. in 67 v.Chr.
Overl. 7-12-43 v.Chr.

Quaestor? 43 v.Chr.
8 Lupercus 46. 9

 
   

Kort overzicht van Quintus’ belevenissen.

Quintus, tezamen met zijn oudere broer Marcus, groeide op in Arpinum 10 tot dat hun vader,

die zijn zonen betere kansen in het leven wilde geven, met het gezin naar Rome verhuisde.
Een van hun leraren hier was de uit Antiochië afkomstige Griekse dichter Archias.

In 69 huwde hij met de nogal arrogante zuster van Atticus,
de levenslange vriend van zijn broer Marcus.
Het huwelijk was niet al te gelukkig maar bleef toch zo’n 25 jaar instand.
Hij wordt verondersteld de auteur te zijn van het in 65/64 geschreven essay

Commentariolum Petitionis ‘ (Klein verkiezingshandboek),
ook bekend als ‘De petitione consulatus ‘ (Kandidaatstelling voor het consulaat)
als gids voor zijn broer Marcus bij diens poging tot consul gekozen te worden.
11
Na zijn terugkeer in 58 uit zijn provincia spande Quintus zich tot het uiterste in
om te bewerkstelligen dat zijn broer uit diens ballingschap zou worden teruggeroepen.
In 57-56 diende hij in Sardinia onder Pompeius die nu als

Curator annonae belast was met de graanvoorziening.
Dienend onder Julius Caesar in Gallia onderscheidde hij zich door met slechts
één legioen stand

te houden tegen een overweldigende meerderheid van Nervii en hun bondgenoten, totdat Caesar deze

– door geforceerde marsen – verrastte en overwon.
In Cilicia diende hij onder zijn broer en bij het uitbreken van de burgeroorlog

koos hij, evenals deze, de kant van Pompeius.
Na de nederlaag van de Pompeianen in 48 te Pharsalus werden beiden door Caesar

met vriendelijkheid bejegend en begenadigd; wat inhield dat zij in al hun rechten

(en bezittingen) als Romeinsburger werden hersteld.
Kort hierna vatte Quintus – om een volledig onbekende reden – een bittere vijandschap op voor zijn

broer en trachtte deze per brief bij eenieder zwart te maken en dreigde hem aan te geven bij Caesar.
Deze brieven werden echter door Cicero onderschept en inplaats van actie
te ondernemen tegen Quintus

wegens diens verraad, wendde Marcus Cicero zich tot Caesar en pleitte zijn jongere broer vrij

van enige verdenking van het instigeren van zijn oppositie tegen Caesar,

en smeekte deze bevriend te blijven met zijn broer.
Met uitzondering van deze korte periode waren beiden echter loyale, liefhebbende broers.

Geen van de broers zal waarschijnlijk hebben beseft dat door de moord op Caesar ook hun bescherming weg viel;

want Caesar koesterde een grote bewondering voor de talenten van Cicero en was hem zeer gunstig gezind –
hetgeen ook bij tijdgenoten bekend was gezien de verzoeken gericht aan Cicero om hun zaak te bepleiten bij Caesar.

Bij de creatie van het tweede triumviraat op 26 November 43 v.Chr. tussen Octavianus (de latere Augustus),

Marcus Antonius en M.Aemilius Lepidus, kwamen beide broers op de proscriptielijsten te staan

en korte tijd later vermoord.
Marcus Cicero de jongere ontsprong de dans door zijn verblijf in het buitenland.
Zijn neef, Quintus de jongere, had minder geluk. 

 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1. Arpinum (nu Arpino) werd door de Romeinen veroverd
en kreeg in 305 v.Chr. de status van civitas sine suffragio;
Romeins stemrecht in 188; en de status van municipium in 90 v.Chr.
Ingevolge de lex Iulia – tot stand gekomen na de Bondgenotenoorlog -
werden alle autonome steden in Italia municipia. 
Terug naar tekst
 
   
2.

Appianus bell.civ.IV.20:
--- Cicero’s broer, Quintus, werd gevangen genomen, tezamen met zijn zoon.
Hij smeekte de moordenaars om hem te doden vóór zijn zoon,
en de zoon bad dat hij gedood zou worden vóór zijn vader.
De moordenaars zeiden dat ze beiden verzoeken zouden inwilligen,
en, zich in twee groepen verdelend, elk nam er een,
en op een gegeven teken doodde hen tegelijkertijd. 
Terug naar tekst

 
   
3. Vlg. W.Glynn Williams in 67.  Terug naar tekst  
   
4.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v. een consul met een militair commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het bestuur

uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 verhoogd naar 16. 
Terug naar tekst

 
   
5.

Benoeming: Cic.ad Att.I.15; vertrok vóór 1 Mei: Cic.ad Att.III.9, 1.  Terug naar tekst

 
   
6.

Quintus was één van de 15 legati van Pompeius.
Hij vertrok naar Sardinië in Dec.57, en vestigde zich te Olbia,
en verliet het eiland niet eerder dan in Juni 56 (Cic. Ad Q.Frat.2.1-6). 
Terug naar tekst

 
   
7.

Legaten.
We moeten ons goed bewust zijn van de dubbelzinnige betekenis
dat het woord legatus had in de traditie van de kroniekschrijving en,
bijgevolg, ook bij Livius.
Oorspronkelijk waren er twee soorten officieren in het Romeinse leger,
de Tribuni militum en de Praefecti socium.
De senatoriale Legati permanent verbonden aan de bevelhebber van

een leger verschijnt pas relatief laat, pas na de tweede Phoenische oorlog.
Varro omschrijft hen als
“ qui lecti publice, quorum opere consilioque uteretur peregre magistratus.”
Tegelijkertijd waren zij niet alleen consiliarii maar tevens militaire

officieren ondergeschikt aan de opperbevelhebber.
Echter, zij ontleenden hun militaire autoriteit niet aan hun status

van legaten, maar eerder aan de aanstelling die hun bevelhebber
aan ieder van hen individueel had verleend.
Als legati waren zij slechts potentiële officieren.
Normaal gesproken zou een bevelhebber senatoriale legati
met het bevel belasten over specifieke militaire operaties,

maar dat hoefde hij niet.
Hij kon eenieder benoemen die hij geschikt achtte voor de taak.
Zulke personen hadden geen officiële titel, maar de kroniekschrijvers
(door de strekking van de betekenis van de term legatus) noemden hen legaten.
Vandaar de verwarring in onze bronnen, en in onze prosopografiën.
(Magistrates of the Roman Republic, by T.R.S.Broughton (1951).

Terug naar tekst

 
   
8.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande – vrijwel altijd patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies met

de proconsuls van de senaats provincies: 2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren verhoogd tot 40.  
Terug naar tekst

 
   
9.

Lupercus. Romeinse god van de landbouw en de herders.
Van oudsher waren er twee colleges: de Fabiani en de Quinctiales.
In 44 v.Chr. kwam er een derde college bij, de Julii, ingesteld door Julius Caesar.
De luperci offerden tijdens de Lupercalia, een feest dat gevierd werd
op 15 Februari bij het heiligdom der Luperci, de Luperca grot
aan de zuid-west voet van de Palatijnse heuvel.
Marcus Antonius was als consul 44
ook de magister van het nieuwe college van de Juli Luperci.
De Quinctiales werden geassocieerd met Romulus,
de Fabii met Remus; let wel, dit is slechts een theorie! 
Terug naar tekst

 
   
10.

Quintus had twee bezittingen nabij Arpinum,

het Arcanum, en het Laterium.
Het eerste lag naar het zuiden tussen Arpinum en Aquinum,
het ontleende zijn naam aan het nabije pagus of castellum van Arx;
het tweede naar het westen, aan de weg naar Anagnia.
(ad Q.Frat.II.6, 4).  
Terug naar tekst

 
   
11.

Het lijkt zeer twijfelachtig dat Cicero behoefte zou hebben gehad
aan advies van zijn jongere en minder getalenteerde broer – of van wie dan ook.
Zou Quintus al de auteur van het Commentariolum zijn,
dan is de kans groot dat de enkele overeenkomsten tussen dit werkje
en Cicero’s rede In toga Candida,
door hem als liefdevol eerbewijs

aan zijn broer hierin zijn opgenomen.
Maar het is eveneens mogelijk dat het Commentariolum van latere

datum is en dat de overeenkomsten zijn te verklaren doordat de auteur

Cicero’s rede heeft bestudeerd en hieruit enige regels heeft gebruikt voor zijn eigen werk.
Feit is, dat geen enkele bron uit Cicero’s tijd melding maakt van het Commentariolum.
Hoe het ook zij, de schrijver van het Commentariolum
blijkt over een gedegen kennis van zaken te hebben beschikt.

(In toga Candida:
Het was gebruik dat kandidaten voor het consulaat
in een witte toga gekleed gingen tijdens hun verkiezingscampagne) 
Terug naar tekst