C. Trebonius C. f.  RE -6-

   


Geb.ca.91-88 v.Chr.
Overl. half Januari 43 v.Chr. te Smyrna (Izmir)

in Asia minor.

Zoon van C.Trebonius, een Romeins ridder.
1

 
   
Functies:

Quaestor 60 of 58,
2   tribunis plebis 55 3.
Legatus Caesaris in Gallia 54- 49.
Praetor urbanus 48.
4
Proconsul Hispania Ult. 47-46.
Proconsul of legatus 46-45.
Consulsuffectus 1 Oct.- 31 Dec. 45 v.Chr.
5
Proconsul Asia 44-43.
 
 

Kort overzicht van Trebonius’ belevenissen.

Liet in 55 als trib.plebis een wet aannemen – de lex Trebonia - die Licinius Crassus een commando

gaf in Syria en Pompeius Magnus in Hispania Ulterior en Citerior, ieder voor de duur van 5 jaren.
Nam in 54 als legaat van Julius Caesar deel aan de expeditie naar Britannia
en aan de ontzetting van Q.Tullius Cicero in Belgica.
Bracht in 49 de Gallische legioenen over naar Hispania en kreeg het commando

tegen Massilia, als opvolger van D. Junius Brutus Albinus.
Trebonius was een actief samenzweerder tegen Julius Caesar en voorkwam dat

Marcus Antonius in Caesars gezelschap was ten tijde van de moord.
Voorzag als proconsul van Asia het leger van Cornelius Dolabella van proviand
tijdens diens doortocht op weg naar zijn provincia Syria.
Als dank werd Smyrna door Dolabella veroverd en Trebonius na een kort proces

– waarschijnlijk wegens hoogverraad i.v.m. zijn deelname aan het complot tegen Caesar –
na marteling door onthoofding ter dood gebracht.
6
(Zie Cornelius Dolabella en Cassius Longinus.)

 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1. Phil.XIII.23.  Terug naar tekst  
   
2.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December. Zij waren belast met financiële
en administratieve zaken en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium (schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande – vrijwel altijd patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies met

de proconsuls van de senaats provincies:

2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren verhoogd tot 40.
Terug naar tekst

 
   
3.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat.
De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus), kon elk besluit,
ook van consuls en senaat, ongeldig verklaren door zijn veto
(intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr. werd o.a. dit vetorecht

aan de tribuun ontnomen.

Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had tot

de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carriére,
wat precies de bedoeling was van Sulla.

In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,

met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen
de kandidatuur voor andere magistraatsfuncties toe te staan,
zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan
markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio) en door de volksvergadering laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeenroepen en besluiten voor leggen (ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebejers te beschermen

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;
en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.”

Terug naar tekst

 
   
4.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v.een consul met een militair commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het
bestuur

uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 verhoogd naar 16. 
Terug naar tekst

 
   
5.

De consul suffectus (plaatsvervangend consul) kwam vooral in zwang tijdens het principaat.
Ondanks het feit dat het ambt onder de keizers vrijwel geheel

was ontdaan van enige echte macht of zeggenschap in het bestuur

van de staat werd het toch nog gezien als het hoogst bereikbare binnen de cursus honorum.
Mede doordat de keizers zelf vaak jaren achtereen beslag legde

op het ambt en er toch elk jaar nieuwe kandidaten kwamen werden de

naamgevende consuls – de consul ordinarius

(de consuls die aan het begin van het jaar aantraden
en met wiens namen het betreffende jaar werd aangeduid) -
na enige tijd vervangen door suffecti zo dat er meer mensen beloond

konden worden voor hun verdiensten jegens de keizer.

Terug naar tekst

 
   
6. Zie o.a. Cic. Phill.XI.; Fam.bk.XII ep.12, 1.  Terug naar tekst