Ser. Sulpicius Ser. f. Rufus minor. RE -96-

   

Geb. ca. 81-80 v.Chr.
Overl.na Juni 43 v.Chr.

Zoon van Ser.Sulpicius Q.f.Rufus, cos. 51 v.Chr., en van Postumia.
 
 

Huwde in 50 of iets eerder met Valeria 1,
dochter van M.Valerius Messalla, consul 61,
en zuster van M.Valerius Messalla Corvinus, consul 31 v.Chr.

Hieruit:
1. Postumius Sulpicius, praetorius 11.
2 (Ser.Sulpicius Postumius)
2. Sulpicia, de dichteres.

Rufus minor was consobrinus
4 van D.Junius Brutus Albinus.
Als jongeling steunde hij zijn vader; in 63 vervolgde hij Murena;
in 49 diende hij met zijn vaders toestemming in Caesar’s leger te Brundisium

(Cic. IX 18,1), maar het is niet bekend of hij Caesariaan is gebleven of

zijn vader heeft vergezeld naar Griekenland.
Als republikein na Caesars dood,

is hij waarschijnlijk ten onder gegaan tijdens de proscripties.

Syme in Roman papers vol.1 ’Missing senators’ id. Historia IV.1955.
“Ser.Sulpicius Ser.f.Rufus, hij was niet aanwezig bij de senaatsvergadering

in Februari 43 ter herinnering aan zijn overleden vader - ‘adflictus lucta non adest’ .

(Cic.Phil.IX.12)
Anderszins is er geen bewijs dat hij een senator was, geen spoor van enig ambt
of benoeming tijdens de burgeroorlog, ondanks dat hij vanaf het begin
gevoelsmatig een Caesariaan was.
In Juni 43 hoort men met zekerheid voor het laatst van hem (Cic.ad fam.XI.24, 2).”

 

 
 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1. Valeria’s zuster, Valeria 2 huwde met Q.Pedius, cos. 43.  Terug naar tekst  
   
     
2.

Postumius Sulpicius, praetorius,
samen met L.Cominius assistenten van
M.Valerius Messalla Corvinus curatori aquarum anno 11. 
Terug naar tekst

Alle gedichten van Sulpicia.
(Nederlandse vertaling door J.P. Guépin)

1
Die liefde kwam ten slot, waarvoor ik mij zou schamen
zo ’k hem verheimelijkte en niet te zeggen dorst.
Venus, vertederd door mijn zangen bracht ons samen,
deed wat ze had beloofd en legde hem aan mijn borst.
Nu mag mijn vreugd door wie zelf van geen vreugde weet
beroddeld worden; ik zal ’t nooit kunnen berouwen.
Aan brieven niet wil ik, gevouwen en discreet,
dat hij alleen het lez’, mijn liefde toevertrouwen.
Mijn misstap maakt mij blij, ’t gezicht in plooi te strijken
verfoei ’k, ik ging naar bed gelijke met gelijke!

I.
Tandem venit amor, qualem texisse pudori
quam nudasse alicui sit mihi fama magis.
Exorata meis illum Cytherea Camenis
adtulit in nostrum deposuitque sinum.
Exsolvit promissa Venus: mea gaudia narret,
dicetur si quis non habuisse sua.
Non ego signatis quicquam mandare tabellis,
ne legat id nemo quam meus ante, velim,
sed peccasse iuvat, vultus componere famae
taedet: cum digno digna fuisse ferar.

2
Gehate verjaardag, die ik met saaie vrinden
zonder Cerinthus zelf, buiten zal moeten vieren.
Wat is er fijner dan de stad, hoe zou ik vinden
op ’t droevig platteland, wat ’n meisje kan plezieren?
U slooft voor me, heus, oom Messalla, veel te hard,
een uitje is niet stééds een zalige verkwikking.
Nu laat ik achter hier, ontvoerd, verstand en hart;
geweld beroofde mij van vrije wilsbeschikking.

II.
Invisus natalis adest, qui rure molesto
et sine Cerintho tristis agendus erit.
Dulcius urbe quid est? an villa sit apta puellae
atque Arretino frigidus amnis agro?
Iam nimium Messalla mei studiose, quiescas,
non tempestivae, saeve propinque, viae!
Hic animum sensusque meos abducta relinquo,
arbitrio quamvis non sinis esse meo.

3
Zeg weet je dat die tocht is komen te vervallen?
Ik ben zo blij dat ik in Rome blijven mag!
Worde die dag gevierd in vreugde voor ons allen,
ook onverwacht voor jou een feestelijke dag.

III.
Scis iter ex animo sublatum triste puellae?
natali Romae iam licet esse suo.
Omnibus ille dies nobis natalis agatur,
qui nec opinanti nunc tibi forte venit.

4
Gelukkig dat je je gerust dit permitteerde,
nu val ik niet zo gauw meer voor je valse kus.
Ga dan maar naar die meid, die hoer die je begeerde
boven Sulpicia, dochter van Servius!
Voor vele vrienden was ’t allang een zorgelijke gedachte
dat ik zou wijken voor het bed van een verachte.

IV.
Gratum est, securus multum quod iam tibi de me
permittis, subito ne male inepta cadam.
Sit tibi cura togae potior pressumque quasillo
scortum quam Servi filia Sulpicia:
Solliciti sunt pro nobis, quibus illa dolori est,
ne cedam ignoto, maxima causa, toro.

5
Cerinthus, geef je nog wel iets om je vriendin,
nu dat mijn lichaam door een zware koorts gekweld
de droeve ziekte niet genezen wil dan in
de wens dat j’evenzeer mijn beter worden wilt?
Maar hoe zou ik er baat bij vinden te genezen
wanneer jij onberoerd bij deze pijn zou wezen!

V.
Estne tibi, Cerinthe, tuae pia cura puellae,
quod mea nunc vexat corpora fessa calor?
A! ego non aliter tristes evincere morbos
optarim, quam te si quoque velle putem.
At mihi quid prosit morbos evincere, si tu
nostra potes lento pectore ferre mala?

6
’k Wil niet dat jij nog zo hartstochtelijk, lieveling,
op me verliefd bent, als naar ik meen de laatste tijd,
wanneer ’k een stommiteit in heel mijn jeugd beging,
waarvan ’k bekennen moest dat hij mij erger spijt
dan dat ik gisternacht je alleen heb moeten laten,
uit angst mijn te grote verliefdheid te verraden.

VI.
Ne tibi sim, mea lux, aeque iam fervida cura
ac videor paucos ante fuisse dies,
si quicquam tota commisi stulta iuventa,
cuius me fatear paenituisse magis,
hesterna quam te solum quod nocte reliqui,
ardorem cupiens dissimulare meum.
 
Terug naar tekst

 
   
4. Volle neef aan moederszijde.  Terug naar tekst