L. Scribonius Fal. Libo.  RE -20-

   

Zoon van L.Scribonius Libo, en van Sentia, dochter van
C.Sentius, praetor 94 v.Chr., propraetor(?) Macedonia 93-87.
 
   

Functies:

Triumvir monetalis 62.
1
Legatus van Pompeius Magnus 49-48.
2
Consul 34 v.Chr.
3
Arvalis 21?
4
 
Kort overzicht van Libo’s belevenissen.

L.Scribonius Libo, geboren in een oude praetoriaanse familie
steunde alreeds in 56 v.Chr. Pompeius in de senaat (Cic.ad Fam.I.1.3.).
Hij gold als één van Pompeius’ meest intieme vrienden.
Als diens legaat werd hij in 49 door Marcus Antonius uit Etrurië verdreven.
Libo versloeg als legatus/praefectus classis P.Cornelius Dolabella, cossuff. 44 v.Chr.,
en nam C.Antonius, legaat van Caesar ter verdediging van Illyricum,
aldaar gevangen maar schijnt na Pharsalia vrede te hebben gesloten met

Julius Caesar.
Na de dood van Caesar werd hij de zwager van Octavianus,

(De latere Augustus) en consul in 34 v.Chr. met als kortstondig collega

Marcus Antonius, deze trad namelijk af op zijn eerste dag als consul.

Vader van
1. Scribonia, huwde met Sex.Pompeius Sex.f., consul 35 v.Chr.

2. L.Scribonius Libo, huwde met Pompeia Magna, dochter van
    L.Cornelius Cinna, consul 32 v.Chr., en van Pompeia Magni f.

    Hieruit:
    1.L.Scribonius Libo  RE –21-, consul 16.

    2.M.Scribonius Libo Drusus, pontifex (Suet.Tib.25), praetor 16, 5
       pleegde, na beschuldiging van samenzwering tegen Tiberius,
       zelfmoord op 13 September 16. Na de zelfmoord van Libo Drusus
       vond het proces tegen hem normaal plaats, hij werd schuldig verklaard en

       veroordeeld.
       T.g.v.deze kwestie werden de astrologen uit Italië verbannen
       – Libo Drusus had nl. een astroloog geraadpleegd - en een verbod ingesteld
       op overdadige weelde zoals gouden borden en zijde kleding voor mannen.
       De naam Drusus werd de Scribonii Libones verboden te voeren.

Seneca ep.70.10: “Een jongeman net zo dwaas als nobel om te streven
naar veel méér dan waar wie dan ook op mocht hopen in die tijd en hij in elke tijd.”

Kort genealogisch overzicht van Drusus Libo’s familie relaties.

Zijn overgrootvader was Cn.Pompeius Magnus.
Diens zoon Sextus Pompeius was gehuwd met Scribonia,

de dochter van L.Scribonius Libo.
Uit dit huwelijk werd Pompeia geboren, die de moeder is geweest
van de hier bedoelde M.Scribonius Libo Drusus.
Zijn overgrootvader was dus L.Scribonius Libo,

wiens zuster Scribonia met Augustus was gehuwd.

Deze was dus zijn oud-oudtante.

Wat de neven [consobrini] betreft:
de Caesaren Nero en Drusus Caesar, zonen van Germanicus en Agrippina maior,
waren achterkleinkinderen van zijn oud-oudtante Scribonia.
Maar Caius en Lucius, de zonen van Agrippa en Julia en kleinzonen van Scribonia,
waren achterneven van M.Scribonius Libo Drusus van de kant van zijn moeder.

Fasti Amiternini Id.Sept. (= 13 Sept.16 v.Chr.):
Fer. ex s.c. q.e.d. nefaria consilia quae de salute Ti.Caes.
liberorumqui eius et aliorum principum civitatis deq(ue)
r.p. inita ab M.Libone erant in senatu convicta sunt.

(Tac.ann.2.27f. voor het gedetailleerste verslag van de kwestie)

 

 
 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Mogelijk is zijn vader de monetalis van 62.


Tresviri monetales, ookwel Triumviri.
Triumviri aere argento auro flando feriundo
(Driemans college voor goud, zilver en bronzen munten.) 
Terug naar tekst

 
   
2.

Legaten.
We moeten ons goed bewust zijn van de dubbelzinnige betekenis dat
het woord legatus had in de traditie van de kroniekschrijving en, bijgevolg,

ook bij Livius.
Oorspronkelijk waren er twee soorten officieren in het Romeinse leger,
de Tribuni militum en de Praefecti socium.
De senatoriale Legati permanent verbonden aan de bevelhebber
van

een leger verschijnt pas relatief laat, pas na de tweede Phoenische oorlog.

Varro omschrijft hen als
“ qui lecti publice, quorum opere consilioque uteretur peregre magistratus.”
Tegelijkertijd waren zij niet alleen consiliarii maar tevens militaire

officieren ondergeschikt aan de opperbevelhebber.
Echter, zij ontleenden hun militaire autoriteit niet aan hun status

van legaten, maar eerder aan de aanstelling die hun bevelhebber

aan ieder van hen individueel had verleend.
Als legati waren zij slechts potentiële officieren.
Normaal gesproken zou een bevelhebber senatoriale legati met het bevel

belasten over specifieke militaire operaties, maar dat hoefde hij niet.
Hij kon eenieder benoemen die hij geschikt achtte voor de taak.
Zulke personen hadden geen officiële titel, maar de kroniekschrijvers
(door de strekking van de betekenis van de term legatus) noemden hen legaten.
Vandaar de verwarring in onze bronnen, en in onze prosopografiën.
(Magistrates of the Roman Republic, by T.R.S.Broughton (1951).

Terug naar tekst

 
   
3.

Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Tezamen vormden zij de twee hoogste ambtenaren in de Romeinse republiek.
Zij hadden tot taak het bijeenroepen van de senaat en de

volksvergadering, waarvan zij de besluiten uitvoerden.
In oorlog waren zij belast met het opperbevel.
Als proconsul waren zij belast met het bestuur van een (consulaire) provincie.


Grote veranderingen vonden plaats in de eerste eeuw v.Chr.
toen de staat in de macht kwam van militaire leiders en daarna van de keizers.
De oude ambten werden toen prestigieuze maar betekenisloze sinecures.
Julius Caesar liet naar willekeur personen verkiezen tot consul.
Onder Augustus was het consulschap nog slechts een schaduw van wat het ooit was.
Vanaf de tijd van Tiberius lagen de consulverkiezingen in handen van

de senaat die alleen hen kozen die door de keizer waren aanbevolen.  Terug naar tekst

 
   
4.

Fratres Arvales.
Een uit 12 mannen bestaande broederschap die in 29 v.Chr.
door Augustus nieuw leven werd ingeblazen.
De leden bestonden in de tijd van de Julische-Claudische dynastie
uit mannen van redelijk sociaal aanzien: nobiles en ex-consuls.
Daarna behoorden zij met de sodales Titii en de Fetiales tot de minst belangrijke orde.

Terug naar tekst

 
   
5.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v. een consul met een militair commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het
bestuur

uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 geleidelijk verhoogd naar 16 in 44 v.Chr.

Augustus verlaagde hun aantal tot 12.
Onder zijn opvolgers werden het er 18. 
Terug naar tekst