|
|
M. Porcius M. f. M. n. Cato
Uticensis. RE -16- consul 112 v.Chr. |
|||
Functies: zonder strijd zijn provincie op en voegde zich bij Pompeius Magnus en assisteerde deze bij diens vloot
opbouw. proconsul Africa 48-46 v.Chr. |
||||
|
||||
|
Uit A.Gellii ‘Noctium
Atticarum’, boek XIII. XX. werd ons bij toeval
een boek gebracht dat de naam droeg van Marcus Cato Nepos. voor zover ik dat aan zijn taal kon beoordelen, zei: ‘Deze Marcus Cato wordt Nepos genoemd, niet als een bijnaam, doormiddel van zijn eigen zwaard doodde te Utica. toen één van hen als jongeman zijn moeder verloor en zijn vader, die al aardig op leeftijd was, huwde met de maagdelijke dochter van zijn
client Salonius, de vader van zijn moeder. en enige bewonderenswaardige werken over De
kennis van de wet naliet - en
kleinzoon van Marcus. geschreven in de stijl van zijn grootvader, hij was consul met Q.Marcius Rex, de achterkleinzoon was van de censor, volgt noodzakerlijkerwijs dat de eerste de vader was van de laatste. een zoon Marcus Cato genaamd, maar hij was niet de Cato die
stierf te Utica, die, zoals ik zei, met de achternaam Salonianus, werden twee zonen
gewonnen: Lucius en Marcus Cato. en toen Marcus Tullius het leven en de lofrede schreef van de
laatstgenoemde
de
Porcia familie lazen, bleek dat wat hij had gezegd juist was. prolabus forte liber est ita inscriptus: M.Catonis Nepotis. II.Tum quaeri coeptum est quisnam is fuisset M.Cato Nepos. III.Atque ibi adulescens quispiam, quod ex eius
sermonibus coniectare potui, non abhorrens a litteris, ‘Hic’, inquit,
‘est M.Cato, non cognomento Nepos, sed M.Catonis Censorii ex filio
nepos, qui pater fuit M.Catonis, praetorii viri, qui bello civili Uticae
necem sibi gladio manu sua conscivit, Laus Catonis, quem in eodem libro
idem Cicero pronepotem fuisse dicit M.Catonis Censorii. IV.Eius igitur
quem Cicero laudavit pater hic fuit M.Cato, cuius orationes feruntur
inscriptae M.Catonis Nepotis ‘. V.Tum Apollinaris, ut mos eius in
reprehendo fuit, placide admodum leniterque”:Laudo”, inquit,”te, mi fili,
quod in tantula aetate, etiam si hunc M.Catonem, de quo hunc quaeritur,
quis fuerit ignoras, auditiuncula tamen quadam de Catonis familia
asperses es. |
||||
| Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten) | ||||
| 1. | Pleegde
zelfmoord na de verloren slag bij Thapsus, in Africa. Invictum victis in partibus, omnia Caesar vincere qui potuit, te, Cato, non potuit. partij
verloor, jij won). Vert. Vincent Hunink. Terug naar tekst |
|
| 2. | Livia was de
dochter van M.Livius Drusus, consul 112 v.Chr., consul 69, en
Lutatia. de broer van zijn moeder, was zijn volle nicht. |
|
| 3. | Tribunus
militum: (Krijgstribuun) stafofficier bij de infanterie. cursus honorum, dienden de aspiranten voor een equestrische cursus - tenminste sinds
Claudius - |
|
| 4. | Quaestoren. (schatkist) en het archief, onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a.
tot 28 v.Chr.) |
|
| 5. | Tribunus plebis. aan de tribuun ontnomen. Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun gèèn toegang had tot de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carriére, In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar, met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen de candidatuur voor andere magistraatsfuncties toe te staan, volksvergadering laten veroordelen. |
|
| 6. | In Maart of
begin April 59 bekritiseerde Cicero in zijn Pro Antonio rede onbuigzame Cato niet minder dringend dan dat van Cicero. Cato werd hij niet vernederd maar werd hij benoemd met wat ogenschijnlijk een eervolle aanstelling was. veilig te stellen door eenzelfde verzekering. Daarom diende Clodius een wetsvoorstel in en tot wet aannemen waarin Cyprus tot een Romeinse provincie werd verklaard, het officiële voorwendsel was dat Ptolemaeus de piraterij in de
Levant hulp zou hebben verleent. Een tweede voorstel werd tot wet aangenomen Cato werd aldus feitelijk verbannen tot hij in 56 (1) terugkeerde naar Rome.
|
|
| 7. | Praetor belast
met omkopingszaken, niet alleen geld betreffende maar alles wat waarde heeft. Terug naar tekst |
|
| 8. | Quindecemviri
sacris faciundis. De 15 mannen hielden toezicht op de Sibillijnse boeken, toezicht op buitenlandse godsdiensten in Rome, en het brengen van zoenoffers ter afwering van ongunstige voortekenen. (prodigia) Alle priesterschappen golden normaal voor het leven. Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn van één en dezelfde priesterorde. Alle priesterschappen verhoogden de sociale status, het aanzien en de politieke invloed van de houder. Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden: pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum. (quattuor amplissima sacerdotia) Terug naar tekst |
|