M. Porcius M. f. M. n. Cato Uticensis. RE -16-

Geb. in 95 v.Chr.
Overl. ca. 6-4-46 v.Chr. te Utica in Africa.
1

Zoon van M.Porcius M.f.Cato, trib.plebis 99 v.Chr.,
en van Livia,
2 dochter van M.Livius Drusus,

consul 112 v.Chr.

 
 
 

Functies:

In militaire dienst in 72 tijdens de slavenopstand van Spartacus.
Tribunus militum 67
3 in Macedonia onder Rubrius, pro praetor? Macedonia.
Maakte in 66/65 een reis naar Asia en Syria
vanwaar hij mee terugbracht de as van zijn halfbroer Cn.Servilius Caepio;
deze was in 67 overleden te Aenus in Thracia.
Quaestor 64
4,  trib. plebis 62, v.Chr. 5
Verzekerde zich in 62 in de senaat van een doodvonnis voor de Catelina samenzweerders.
Proquaestor propraetore 58, ter annexatie van Cyprus.
6
Praetor de repetundis 54.
7
Verkreeg in 49 Sicilia, waarschijnlijk als pro praetore,
maar bij de aankomst van Scribonius Curio en Asinius Pollio
gaf hij – mogelijk om zinloos bloedvergieten te voorkomen –

zonder strijd zijn provincie op en voegde zich bij Pompeius Magnus

en assisteerde deze bij diens vloot opbouw.
Pro praetor Africa 47-46 onder Q.Caecilius Metellus Scipio,

proconsul Africa 48-46 v.Chr.
Quindecemvir sacris faciundis 64.
8

 

Huwde 1. in ca. 72-71 v.Chr. met Atilia, dochter van een Atilius Serranus.

(mogelijk een kleindochter van de consul 106 v.Chr.), en kleindochter van

L.Marcius Philippus, cos.91 v.Chr.

Hieruit:
(1). Porcia, zij huwde met: 1. M.Calpurnius Bibulus.
                                         2. M.Junius Brutus.

(2). M.Porcius Cato.  RE -13-
      Praefectus in 42 v.Chr., vocht aan de zijde van Brutus en Cassius.
      Sneuvelde op 23-10-42 v.Chr. te Philippi in Griekenland.

(3?) Misschien een derde kind in Lucanus II.331.

Huwde 2. met Marcia, dochter van L.Marcius Philippus, consul 56 v.Chr.

Hieruit:
Een zoon en twee dochters.

Na een huwelijksaanzoek aan Porcia, Cato’s dochter, door Q.Hortensius Hortalis,

consul 69 v.Chr, bood Cato zijn eigen vrouw aan deze aan.
Na een scheiding van Marcia huwde deze met de zeer rijke Hortalis.
Na diens overlijden in Juni 50 v.Chr., huwde Marcia wederom met Cato.
(Nu echter aanzienlijk rijker!)

Cato was de stiefbroer van de formidabele Servilia, echtgenote van M.Junius Brutus,

trib.pl.83, die door Pompeius Magnus in stijd met de capitulatie voorwaarden was vermoord.

Beiden waren de ouders van M.Junius Brutus, de moordenaar van Julius Caesar,

de man die een affaire had met Servilia.

(Genealogie der Porcii Catones)

 
   

Uit A.Gellii ‘Noctium Atticarum’, boek XIII. XX.

Toen Sulpicius Apollinaris en ik
- met enige anderen die zijn of mijn vrienden waren -
in de bibliotheek in het Paleis van Tiberius zaten,

werd ons bij toeval een boek gebracht dat de naam droeg van Marcus Cato Nepos.
Wij informeerde direct wie deze Marcus Cato Nepos was.
Waarop een jongeman, niet onbekend met literatuur,

voor zover ik dat aan zijn taal kon beoordelen, zei:

‘Deze Marcus Cato wordt Nepos genoemd, niet als een bijnaam,
maar omdat hij de kleinzoon was van Marcus Cato Censorius door diens zoon,
en vader van Marcus Cato de ex-praetor, die tijdens de burgeroorlog zichzelf

doormiddel van zijn eigen zwaard doodde te Utica.
Er is een boek van Marcus Cicero over het leven van de laatstgenoemde,
getiteld ‘Laus Catonis’ of, een lofrede over Cato, waarin Cicero zegt
dat hij de achter-kleinzoon was van Marcus Cato Censorius.
Derhalve is de vader van de man die Cicero prees deze Marcus Cato,
wiens redevoeringen in omloop zijn onder de naam van Marcus Cato Nepos.’
Toen zei Apollinaris, heel rustig en mild,
zoals zijn gewoonte was als hij kritiek leverde:
”Ik feliciteer je, mijn zoon, dat je op jouw leeftijd in staat bent geweest
ons het genoegen te doen van een kleine lezing over de familie van Cato,
ondanks dat je niet weet wie deze Marcus Cato was, waar wij nu naar informeren.
Want de beroemde Marcus Cato Censorius had niet één, maar verscheidene kleinzonen,
alhoewel niet allemaal van dezelfde vader.
Want de beroemde Cato, die zowel retor als censor was, had twee zonen,
van verschillende vrouwen en van zeer verschillende leeftijden; daar,

toen één van hen als jongeman zijn moeder verloor en zijn vader,

die al aardig op leeftijd was, huwde met de maagdelijke dochter van zijn client Salonius,
waaruit Marcus Cato Salonianus werd geboren,
een achternaam afgeleid van Salonius,

de vader van zijn moeder.
Maar van Cato’s oudste zoon - die stierf als praetor designatus, toen zijn vader nog leefde,

en enige bewonderenswaardige werken over De kennis van de wet naliet -
stamt de man naar wie wij informeren, Marcus Cato,
zoon van Marcus,

en kleinzoon van Marcus.
Hij was een aanmerkelijk krachtig redenaar en heeft vele redevoeringen
nagelaten

geschreven in de stijl van zijn grootvader, hij was consul met Q.Marcius Rex,
en ging tijdens zijn consulschap naar Africa en stierf in die provincie.
Cato de ex-praetor, die zichzelf doodde te Utica en die Cicero prees;
noch omdat hij de kleinzoon was van Cato de censor en Cato van Utica

de achterkleinzoon was van de censor,

volgt noodzakerlijkerwijs dat de eerste de vader was van de laatste.
Want de kleinzoon wiens redevoering ons net werd gebracht had, het is waar,

een zoon Marcus Cato genaamd, maar hij was niet de Cato die stierf te Utica,
maar degene die, na aedilis curulis en praetor te zijn geweest,
naar Gallia Narbonensis ging en daar zijn leven beeindigde.
Maar van die andere zoon van Censorius, een veel jongere man,

die, zoals ik zei, met de achternaam Salonianus,

werden twee zonen gewonnen: Lucius en Marcus Cato.
Die Marcus Cato was volkstribuun en stierf als kandidaat voor het praetorschap;
hij gewon Marcus Cato de ex-praetor, die zelfmoord pleegde te Utica
tijdens de burgeroorlog,

en toen Marcus Tullius het leven en de lofrede schreef van de laatstgenoemde
zei hij dat hij de achterkleinzoon was van Cato de censor.
Dus je ziet dat de tak van de familie, die afstamt van Cato’s jongere zoon,
niet alleen verschilt in afstamming, maar ook in leeftijden; want, zoals ik zei,
omdat Salonianus werd geboren tegen het eind van zijn vader’s leven,
waren ook zijn nakomelingen aanzienlijk later dan die van zijn oudere broer.
Dit verschil in tijden zul je al snel waarnemen in de redevoering zelf,
wanneer je die leest.”


Aldus sprak Sulpicius Apollinaris in mijn aanwezigheid.
Later, toen we de lijkredevoeringen en het aantekeningenboek
van

de Porcia familie lazen, bleek dat wat hij had gezegd juist was.

‘Cum in domus Tiberianae bibliotheca sederemus ego et Apollinaris Sulpicius et quidam alii mihi aut illi familiares,

prolabus forte liber est ita inscriptus: M.Catonis Nepotis. II.Tum quaeri coeptum est quisnam is fuisset M.Cato Nepos.

III.Atque ibi adulescens quispiam, quod ex eius sermonibus coniectare potui, non abhorrens a litteris, ‘Hic’, inquit, ‘est M.Cato, non cognomento Nepos, sed M.Catonis Censorii ex filio nepos, qui pater fuit M.Catonis, praetorii viri, qui bello civili Uticae necem sibi gladio manu sua conscivit, Laus Catonis, quem in eodem libro idem Cicero pronepotem fuisse dicit M.Catonis Censorii. IV.Eius igitur quem Cicero laudavit pater hic fuit M.Cato, cuius orationes feruntur inscriptae M.Catonis Nepotis ‘. V.Tum Apollinaris, ut mos eius in reprehendo fuit, placide admodum leniterque”:Laudo”, inquit,”te, mi fili, quod in tantula aetate, etiam si hunc M.Catonem, de quo hunc quaeritur, quis fuerit ignoras, auditiuncula tamen quadam de Catonis familia asperses es.
VI.Non unus autem, sedconplures M.illius Catonis Censorii nepotes fuerunt, geniti non eodem patre ; VII. duos enim M.ille Cato, qui et orator et censor fuit, filios habuit, et matribus diversos et aetatibus longe dispares. VIII.Nam iam adulescente altero, matre eius amissa, ipse quoque iammultum sener, Saloni clientis sui filiam virginem duxit in matrimonium, ex qua natus est ei M.Cato Salonianus; hoc enim ille cognomentum fuit a Salonio, patre matris datum.
IX.Ex maiore autem Catonis filio, quiu praetor designatus patri vivo mortuus est, et egregios De Iuris Disciplina libros reliquit, nascitur hic de quo quaeritur, M.Cato, M.filius, M.nepos.
X.Is satis vehemens orator fuit multasque orationes ad exemplum avi scriptas reliquit et consul cum Q.Marcio Rege fuit, inque eo consulato in Africam profectus in ea provincia mortem obiit. XI.Sed is non, ita ut dixisti, M.Catonis, praetorii viri, qui se Uticae occidit et quem Cicero laudavit, pater fuit ; nec, quia hic nepos Catonis Censorii, ille autem pronepos fuit, propterea necessum est parem hunc ei fuisse. XII.Hic enim nepos, cuius haec modo prolata oratio est, filium quidam M.Catonem habuit ; sed non eum qui Uticae periit, sed qui, cum aedilis curalis et praetor fuisset, in Galliam Narbonensem profectus, ibi vita functus est. XIII.Ex altero autem illo esse appellatum dixi, duo nati sunt L.Cato et M.Cato. XIV.Is M.Cato tribunus plebis fuit et praeturam petens mortem obiit ex eoque natus est M.Cato praetorius, qui se bello civili Uticae interemit, de cuius vita laudibusque cum M.Tullius scriberet, pronepotem eum Catonis dixit fuisse. XV.Videtis igitur hanc partem familiae, quae ex minore Catonis filio progenita est,non solum generis ipsius tramitibus, sed temporum quoque spatio differre; nam quia ille Salonianus in extrema patris aetate, sicuti dixi, natus fuit, prognati quoque ab eo aliquanto posterioris fuerunt quam qui a maiore fratre eius geniti erant. XVI.Hanc temporum differentiam facile animadvertetis ex hac ipsa oratione, cum eam legetis ‘’
XVII. Haec Sulpicius Apollinaris audientibus nobis dixit.
Quae postea ita esse, uti dixerat, cognovimus, cum et laudationes funebres et librum commentarium de familia Porcia legeremus.

 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Pleegde zelfmoord na de verloren slag bij Thapsus, in Africa.

Lucius Seneca schreef o.a. epigrammen betreffende Cato’s heldendood:
397R.

Invictum victis in partibus, omnia Caesar vincere qui potuit, te,

                                    Cato, non potuit.

(Caesar won van alles en allen, maar niet van jou: Cato. je

                            partij verloor, jij won).

Vert. Vincent Hunink.  Terug naar tekst

 
   
2.

Livia was de dochter van M.Livius Drusus, consul 112 v.Chr.,
en zuster van M.Livius Drusus, de bekende trib.pl. 91 v.Chr.
Livia was eerder gehuwd met Q.Servilius Caepio, praetor 91 v.Chr.
Hieruit werden geboren:
(1) Cn.Servilius Caepio, overl. in 67 v.Chr. te Aenus.
      Deze huwde Hortensia, dochter van Q.Hortensius Hortalus,

      consul 69, en Lutatia.
(2) Servilia, huwde in 66 met L.Licinius Lucullus, consul 74 v.Chr.
(3) Servilia, huwde 1. met M.Junius Brutus, trib.pl. 83 v.Chr.
                              2. met D.Junius Silanus, consul 62 v.Chr.
Zijn allen halfbroers en zusters van Cato Uticensis.
Aemilia, de dochter van Aemilius Livianus, consul 77,

de broer van zijn moeder, was zijn volle nicht.
Livia overleed kort vóór 91 v.Chr.  
Terug naar tekst

 
   
3.

Tribunus militum: (Krijgstribuun) stafofficier bij de infanterie.
In de republiek waren er twee soorten militaire tribunen,
zij die gekozen waren in de vergadering der tribus
en zij die waren benoemd door de bevelhebber.
Onder het principaat waren dit jongemannen die een senatoriale
of een equestrische carrière ambieerden,
en zij werden overeenkomstig verdeeld in tribuni laticlavi
(met een brede streep op het tuniek) en tribuni augusticlavi (met een smalle streep).
Elke klasse van tribuni diende gedurende een jaar in een legioen,
maar, daar waar de laticlavi na vervulling van hun jaar militaire dienst
onmiddelijk konden doorgaan naar de politieke senatoriale

cursus honorum, dienden de aspiranten voor een equestrische cursus

- tenminste sinds Claudius -
twee aanvullende functies als officier bij de hulptroepen te vervullen.
De normale volgorde van deze krijgsdienst was praefectus cohortis
(i.e. commandant van een hulp cohort van een infanterie eenheid),
tribunus militum (augusticlavius), en praefectus alae
(i.e. commandant van een hulp ala of van een cavallerie eenheid).
(The Roman legions, by H.M.D.Parker, 1985 (1ste ed. 1928)

Terug naar tekst

 
   
4.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande – vrijwel altijd patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies
met de proconsuls van de senaats provincies: 2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren verhoogd tot 40. 
Terug naar tekst

 
   
5.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat.
De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus), kon elk besluit,
ook van consuls en senaat, ongeldig verklaren door zijn veto
(intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr. werd o.a. dit vetorecht

aan de tribuun ontnomen.

Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun gèèn toegang had tot de

senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carriére,
wat precies de bedoeling was van Sulla.

In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,

met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen de candidatuur

voor andere magistraatsfuncties toe te staan,
zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun
loopbaan markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio) en door de

volksvergadering laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeenroepen en besluiten voor leggen (ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebejers te beschermen

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;
en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.” 
Terug naar tekst

 
   
6.

In Maart of begin April 59 bekritiseerde Cicero in zijn Pro Antonio rede
openlijk de methodes van Caesar en diens partners in het z.g. eerste triumviraat.
Caesar zag in dat aktie geboden was om te voorkomen dat Cicero en Cato
zijn wetgeving zouden aanvallen zo gauw hij Rome had verlaten op weg naar zijn provincia.
Voor Caesar’s doeleinde was de verwijdering uit Rome van de

onbuigzame Cato niet minder dringend dan dat van Cicero.
Daar er geen gronden gevonden konden worden voor een vervolging
van

Cato werd hij niet vernederd maar werd hij benoemd met wat

ogenschijnlijk een eervolle aanstelling was.
Sinds 88 v.Chr. werd het eiland Cyprus geregeerd door een Ptolemaeus,
een broer van Ptolemaeus XI Auletes van Egypte die in 59 v.Chr.
voor zes duizend talenten de erkenning van zijn precaire koninklijke titel
had gekocht van Caesar en Pompeius.
Maar de heerser van Cyprus toonde geen neiging zijn kroon

veilig te stellen door eenzelfde verzekering.

Daarom diende Clodius een wetsvoorstel in en tot wet aannemen waarin

Cyprus tot een Romeinse provincie werd verklaard, het officiële voorwendsel

was dat Ptolemaeus de piraterij in de Levant hulp zou hebben verleent.
Politiek gezien zou de annexatie van Cyprus de afronding zijn
van het legaat van Cyrene en de verovering van Syrië, Cilicië and Kreta.

Een tweede voorstel werd tot wet aangenomen
waarin Cato gemachtigd werd de koninklijke bezittingen te confisceren,
het eiland te annexeren, en zekere bannelingen te laten terugkeren naar Byzantium.
Toen Ptolemaeus hoorde dat hij zijn bezittingen zou verliezen ontnam hij zichzelf het leven. Cyprus werd bij de provincie Cilicia gevoegd.

Cato werd aldus feitelijk verbannen tot hij in 56 (1) terugkeerde naar Rome.


(1).Cicero, De domo, 22 and 65 ; Pro Sestio, 60)
(R.Gardner, Cic.Ad Att.book XIII, Pro Caelio, etc. p.389-390.)
Zie nu echter: E.Badian in, JRS 55, (1965), p.110-121.

Terug naar tekst

 
   
7. Praetor belast met omkopingszaken,
niet alleen geld betreffende maar alles wat waarde heeft. 
Terug naar tekst
 
   
8. Quindecemviri sacris faciundis.
De 15 mannen hielden toezicht op de Sibillijnse boeken,
toezicht op buitenlandse godsdiensten in Rome,
en het brengen van zoenoffers ter afwering van ongunstige voortekenen. (prodigia)
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia) 

Terug naar tekst