Behoorde waarschijnlijk tot de oudste tak van de familie,
afstammend van Licinia de eerste vrouw van Cato de Censor.
In 59 v.Chr. (Cic.ad Q.fr.I.2, 15), trachtte hij Gabinius te
vervolgen
op een beschuldiging van omkoping en ontsnapte nauwelijks
aan de dood
tijdens een openbaren vergadering na het houden van een rede
waarin hij Pompeius Magnus een dictator noemde.
Als volkstribuun in 57/56
1
verschijnt hij als aanhanger van Clodius
en protégé van Crassus in conflict met Milo en Pompeius,
en keert zich bijzonder opvallend tegen de eis van Lentulus
Spinther
(welke werd gesteund door Cicero) om koning Ptolemaeus op
zijn
troon te herstellen. (Cic. ad Q.fr. II.1, 2, 3, 2.f.V.3f).
Verzoend met Pompeius in 56 zorgde hij,
zowel in zijn eigen
belang als dat van Crassus,
voor een vertraging van de verkiezingen.
In de tweede gerechtelijke vervolging werd hij
vrijgesproken.
Wat er vervolgens van hem is terechtgekomen is onbekend.
Zie: Cic. Ad Att. 89 (IV.16) 5,1. |