Q. Pompeius Q. f. Quir. Senecio Roscius Murena Coelius Sex. Julius Frontinus Silius Decianus C. Julius Eurycles Herculaneus L. Vibullius Pius Augustanus Alpinus Bellicius Sollers Julius Aper Ducenius Proculus Rutilianus Rufinus Silius Valens Valerius Niger Cl. Fuscus Saxa Amyntianus Sosius Priscus. ILS 1104

Zoon van Q.Pompeius Quir.Sosius Priscus, cos. ord. 149.

 
 
 

Functies:

Praefectus urbis feriarum Latinarum.
1
Sevir equitum Romanorum.
2
Triumvir monetalis.
3
Quaestor candidatus Augustorum, quaestor Augusti.
4
Legatus provincia Asia.
5
Praetor.
6

Consul ordinarius 169. 7
Praefectus alimentorum.
8
proconsul Asiae sortitus ca. 183/184.
Pontifex,
9 sodalis Hadrianalis. 10
sodalis Antoninianus (Verianus), salius Collinus.
11
(Misschien opgenomen in priesterschap en soladidates
tussen 162 en 166, tussen quaestuur en praetuur.)
patronus Tiburi, salius (Herculis invicti), curator fani Herculis Victoris.
patronus Volturnensium en Tarracinensium.

 

Huwde met Ceionia Fabia 12,
dochter van L.Ceionius Commodus (= Lucius Aelius Caesar),
en van “Avidia”, dochter van C.Avidius Nigrinus, cossuff. 110.

Hieruit:
1. Q.Pompeius Sosius Falco, cos.ord. 193.
13 ILS 1106
2. een dochter (?), huwde met C.Julius Erucius Clarus Vibianus, consul ord. 193.
14

 

 
 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Praefectus urbi feriarum Latinarum.
De feriae Latinae (Latijnse Festival) werden gehouden op de

Albaanse berg op een door de consuls te bepalen dag in April.
De consuls dienden aanwezig te zijn bij de festiviteiten
en benoemden als hun plaatsvervanger in Rome een praefectus urbi.
Tijdens het principaat werd hij praefectus urbi feriarum Latinarum genoemd. (Suet.Aug.37).

Deze – tijdens het principaat - betekenisloze functie
werd vrijwel altijd vervuld door jongelingen uit de patricische families.  
Terug naar tekst

 
   
2. Seviri turmae equitum Romanorum.
Ter gelegenheid van de Ludi Magni in het Circus Maximus
werd er een plechtige militaire processie gehouden aangevoerd
door jongemannen van senatoriale en ridderlijke afkomst
die een jaar eerder de toga virilis hadden aangenomen;
e.e.a. was ter voorbereiding op de militaire dienst
die in de vroege tijd een burgerplicht was.
Augustus voerde dit gebruik weer in voor die jongemannen
van senatoriale en ridderlijke afkomst die op vijftienjarige leeftijd
de toga virilis hadden aangenomen en een politieke carrière ambieerden,
en schijnt de duur van deze voorbereiding op de militaire dienst
verlengd te hebben tot twee jaar. 

Terug naar tekst
 
   
3.

Vigintiviri.
20 mannen vormde een college van ondergeschikte ambtenaren te

Rome bestaande uit:

1.Tresviri monetales, ookwel Triumviri.
Triumviri aere argento auro flando feriundo
(Driemans college voor goud, zilver en bronzen munten.)

2.Quattuorviri viarum curandarum.
(4-mans college belast met het onderhoud van de straten van Rome)

3.Decemviri stlitibus iudicandis.
(Tienmannen, jurisdictie inzake betreffende de vrijheid van burgers)

4.Tresviri capitales.
(Driemans commissie die toezicht hield op het gevangeniswezen,
voltrekking van vonnissen, openbare orde en veiligheid)

Deze ambtenaren verschilden in waardering daar zij niet alleen

sociale rang aanduidden maar tevens toekomst verwachting.
Aan de top stonden de tresviri monetales, onder het principaat
vrijwel uitsluitend voor de jonge patriciërs, nobiles en gunstelingen.
De quattuorviri viarum curandarum en de decemviri stlitibus iudicandis waren vrijwel gelijk.
De tresviri capitales stonden onderaan, deze bereikten zelden iets.

Terug naar tekst

 
   
4.

Misschien vergissing voor Augustorum?


Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;

zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies met

de proconsuls van de senaats provincies:

2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren

verhoogd tot 40.

Volgens Mommsen in ‘Römisches staatsrecht’:
20 quaestores, waarvan: 2 quaestores Augusti; 2 quaestores urbani;
4 quaestores consulum; en 12 quaestores provinciae.
(Let op! Het feit dat Mommsen.spreekt van q. Aug. houdt in
dat hij doelt op de tijd van het principaat,
terwijl het bovengenoemde in feite duidt op de tijd van de republiek.
Terug naar tekst

 
   
5. Is volgens R.Syme in Roman papers vol. 4, p. 338:
legatus quaestorius onder zijn vader, de proconsul van Asia ca. 163/164. 
Terug naar tekst
 
   
6.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v. een consul met een militair

commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het bestuur

uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 geleidelijk verhoogd naar 16 in 44 v.Chr.
Augustus verlaagde hun aantal tot 12.
Onder zijn opvolgers werden het er 18. 
Terug naar tekst

 
   
7.

Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Tezamen vormden zij de twee hoogste ambtenaren in de Romeinse republiek.
Zij hadden tot taak het bijeenroepen van de senaat en de

volksvergadering, waarvan zij de besluiten uitvoerden.
In oorlog waren zij belast met het opperbevel.
Als proconsul waren zij belast met het bestuur van een (consulaire) provincie.


Grote veranderingen vonden plaats in de eerste eeuw v.Chr.

toen de staat in de macht kwam van militaire leiders en daarna van de keizers.
De oude ambten werden toen prestigieuze maar betekenisloze sinecures.
Julius Caesar liet naar willekeur personen verkiezen tot consul.
Onder Augustus was het consulschap nog slechts een schaduw van wat het ooit was.
Vanaf de tijd van Tiberius lagen de consulverkiezingen in handen van

de senaat die alleen hen kozen die door de keizer waren aanbevolen.  Terug naar tekst

 
   
8.

Een oud-consul die instond voor het financiële onderhoud van wezen.  Terug naar tekst

 
   
9.

Pontifices.
Sedert Sulla een college van 15 priesters onder voorzitterschap van

de Pontifex maximus; in totaal dus 16 priesters.
Zij hielden o.a. toezicht op de godsdiensten.
(Vanaf 12 v.Chr. waren alle opeenvolgende princeps pont.max.)
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia
Terug naar tekst

 
   
10.

Sodales
De sodales vormde een priester college
aan wie de cultus van een vergoddelijkte keizer was opgedragen.
Tijdens de keizertijd waren er in totaal vier van zulke colleges:
1.De sodales Augustales, ingesteld
voor de verering van de tot god verheven Augustus.
Na de vergoddelijking van Claudius
werd deze uitgebreid tot de sodales Augustales Claudiales.
2.Hetzelfde gebeurde met de sodales Flaviales,
een priesterschap ingesteld voor de verering van de vergoddelijkte Vespasianus;
dit college werd na de vergoddelijking van zijn zoon en opvolger Titus
uitgebreid tot sodales Flaviales Titiales.
3.De sodales Hadrianales en, 4. de in 161 gecreëerde sodales Antoniani.
Na de dood van Verus werden de Antoniniani genoemd;
Sodales Antoniniani Veriani, na Marcus Aurelius’ vergoddelijking
werd Marciani toegevoegd, na de dood van Pertinax Helviani,
na Severus’ Severiani, na Alexander’s Alexandriani.
Elke sodalitas zorgde voor de cultus van de keizers behorende tot hetzelfde huis. 
Terug naar tekst

 
   
11.

Salii.
Zij moesten van patricische afkomst zijn en beiden ouders moesten

nog in leven zijn ten tijde van hun toetreding.
Zo als alle priesterschappen was ook dit in principe voor de duur van het leven.
Hun plichten bestonden er uit om in de maanden Maart en October
(het begin en het einde van het oorlogsseizoen) met ritueel gezang
dansend door de straten te gaan.

24 Salii of dansende priesters; de kapel van de 12 Palatini salii
stond op de Palatijnse heuvel, die van de 12 latere Collini,
of Agonalische of Agonensische Salii genoemd,
stond op de Quirinalis, vandaar dat zij ook wel bekend zijn als de Quirinische salii. 
Terug naar tekst

 
   
12.

Ceionia Fabia, huwde eerder met Plautius Quintillus, consul ord.159.

Hieruit:

M.Peducaeus Plautius Quintillus, consul ord.177.
(Ceionia Fabia was eerder verloofd met de latere Marcus Aurelius Aug.)  
Terug naar tekst

 
   
13.

Q.Pompeius Sosius Falco.

Functies:
Quaestor kandidatus imperatoris M.Aurelii Antonini Pii Felicis,
Praetor designatus, pontifex, salius Collinus of Palatinus.

Huwde met Sulpicia Agrippina, dochter van Ti.Claudius Agrippinus,

consulsuffectus ca.160.

ILS 1106
Q.Pompeius Falco Sosius Priscus c.v., pontifex, praetor designatus
Q.Pompeio Quirina Sosio Prisco1 proavo, qui vixit annis LXII mens. VIII d. XIIII in Praesente II cos.2, sanctissimo viro et fortissimo, somnio monitus pronepos piissimo et domus suae canditori religiosissimo consecravit.
 ■  Romae. 1. de Q.Pompeio Sosio Prisco cf. N.1104.

       Pronepos eius, qui titulum posuit, praeterea ignotus est.

       2. videtur significari Priscum visisse usque in Praesente(m)

       iterum consulem, i.e. usque ad a. 180. 

Terug naar tekst

 
   
14. 2e huwelijk van Ceionia Fabia
en verwantschap met Erucius Clarus voorgesteld door F.Champlin
in A.J.Ph.100 (1979) p. 300-305. 
Terug naar tekst
 
   
15.

ILS 1104
Q.Pompeio Q.f.Quir.Senecioni Roscio Murenae Coelio Sex.Iulio Frontino Silio Deciano C.Iulio Eurycli Herculaneo L.Vibullio Pio Augustano Alpino Bellicio Sollerti Iulio Apro Ducenio Proculo Rutiliano Rufino Silio Prisco1 pontifici, sodali Hadrianali, quaestori candidato Augg., legato pr.pr. Asiae, praetori, consuli2, proconsuli Asiae sortito, praefecto alimentor., XX viro monetali, seviro, praef. feriarum Latinarum; qq., patrono municipii, salio, curator fani H.V.3 s. p. q. T.
 ■ Tibure. 1. Est filius Q.Pompei Falconis, supra N.1035,

      pater Sosiae Falconilla N.1105.

      Ei (N.1106) in his appellatur Q.Pompeius Q.f.Senecio Sosius Priscus,

      alibi Q.Sosius Priscus tantum.

      Nomina Q.Pomp. Rosc. Mur. Coel. Sil. Dec. Iul. Eury. Herc. Vibb. Pii

      communia habuit cum patre. Senecionis et Sosii nomina sumpsit

      ab avo materno Q.Sosio Senecione, Ses. Iul. Frontini a proavo,

      Augustani Alpini Bell.Soll. a Bellicio Sollerte, consule temporibus

      Traiani (N.1031) cf. etiam N.1030). 2. cos.ord. a. 169.

      3. curator fani Herculis Victoris. 

Terug naar tekst