M. Plautius M. f. A. n. Ani. Silvanus.

   

Geb.
Overl. voor 14.

Zoon van M.Plautius A.f., praetor, en van Urgulania, amicae Liviae.
 
   

Functies:

Consul 2 v.Chr.
1 met als collega Augustus consul XIII.
Proconsul Asia 4-6.
2
Legatus Aug. pro praetore Galatia ca. 6.
3
Septemvir epulonum.
4
In Pannonia en Dalmatia (Illyricum) 5 of 6 tot 8 a. 9.
5
Voor zijn acties in Illyricum ontving hij in het jaar 10

ex s.c. de triumphalia ornamenta. 6

De vriendschap die zijn moeder Urgulania had met Livia,
de vrouw van Augustus, bracht onze Plautius in persoonlijk contact met Augustus
en bevorderde in niet geringe mate het bereiken van het consulaat in 2 v.Chr.

met Augustus als collega.
Tegen het eind van zijn legaatschap pro pr. in Galatia gingen de nabije Isauriers
over van plundertochten tot regelrechte oorlogsvoering
waarop Augustus het bevel gaf hen te vernietigen.
In het jaar 6 begon de grote Pannonische opstand.
Tiberius, gedwongen een vrede te sluiten met Maroboduus, koning der Marcomanni,
haastte zich naar Siscia en wachtte daar op versterkingen.
Deze versterkingen bestaande uit 5 legioenen werden Tiberius
pas laat in het volgende jaar gebracht van Sirmium door Plautius en A.Caecina, de legaat van Moesia. Mogelijk werd de vertraging veroorzaakt doordat Plautius eerst moest afrekenen met de Isauriërs.
Voor zijn aandeel in de campagnes die in 8 a 9 eindigde met de overwinning,
werd Plautius beloond met de ornamenta triumphalia.

Huwde met Lartia, dochter van Cn.Lartius, senator.
ILS 921

Hieruit:
(1).M.Plautius Silvanus, praetor urbanus 24.
7
     Huwde 1. met Fabia Numantina, dochter van Paullus Fabius Maximus,

     cos. 11 v.Chr. (Zie Sex.Appuleius)
     

     Huwde 2. met Apronia, dochter van L.Apronius, cossuff. 8.

     Silvanus pleegde in 24 zelfmoord nadat hij Apronia uit het raam had gegooid,

     hetgeen zij niet overleefde.

(2).A.Plautius Ani.(Silvanus?)
     Geb. ?
     Overl. bijna zeker vóór 65.

     Consulsuff. 2e helft 29.
     Legatus Aug. pro praetore Dalmatia en Pannonia 41- 43.
     1e legatus Augusti pro praetore Britannia, zomer 43-47.

     Huwde met Pomponia Graecina, dochter van C.Pomponius Graecinus, cossuff. 16.

     Plautius verkreeg voor zijn aandeel bij de verovering van Britannia,

     in 47 een ovatio. 8

     Pomponia Graecina werd in 57 beschuldigd van deelneming aan een

     buitenlandse godsdienst (Christendom?),

     na een familie onderzoek werd zij onschuldig verklaard.
     Pomponia rouwde 40 jaar om de dood van Julia Drusi f.;
     zij overleed dus in ca. 83.
9

(3).Plautia Urgulanilla, huwde in ?27 met Claudius. (Zie aldaar)

(4).A.Plautius Urgulanius, overleden vóór 14 op 9 jarige leeftijd.

(5).P.Plautius Pulcher.
ILS 964
     Geb.ca.6
     Overl. vóór 54.

     III vir auro argento aere flando feriundo.
10
     Comes van Drusus, zoon van Germanicus.
     Quaestor Tiberius Caesar 31.
11
     Tribunus plebis.
12   Praetor ad aerarium. 13
     Avunculus (oom) van Drusus, zoon van keizer Claudius.
     Adlectus inter patricios 47/48 door Claudius als censor.
14
     Curator viarum sternendarum a vicinis, omstreeks deze tijd.
15
     Proconsul Sicilia, augur.
16

     Huwde met Vibia,
     dochter van C.Vibius Marsus, cossuff.17,
     en van Laelia, zuster van D.Laelius Balbus, cossuff. 46.
17

     Hieruit (misschien)
     Plautius, overl. tussen 60 en 65/6. (Suet.Nero 35,4)

(6).Ti.Plautius Silvanus Aelianus (adoptiefzoon)
ILS 986
     Geb. ca. 10.
     Overl. na 74 uiterlijk begin 79.
     Zoon van L.Aelius L.f.Lamia, cos. 3.

Aelianus stamt uit een senatoren familie van Trebula Suffenas
en werd onder Tiberius in het patriciaat opgenomen (adlectus inter patricios).

III vir aere argento auro flando feriundo.
quaestor Ti.Caesaris ca. 34.
Legatus legionis V Alaudae in Germania.
18
Praetor urbanus.
Legatus en comes Claudius Caesar in Britannia in 43 en 44.
Consulsuffectus 1 Maart – 20 Juni 45.
Proconsul Asia 53/54 (Syme), 55/56 (Stein)
Legatus pro pr. Moesia 60-66 of 67.
Legatus Hispania citerior 70/71-73.
Praefectus urbi 73.
19
Triumphalia ornamenta ex Moesiae, verleent in zijn praefectura urbis.
Consulsuffectus voor de tweede keer 74.
Pontifex vóór 70,  sodalis Augustalis.
20

R.Syme in ‘Clues to testamentary adoption’ in Roman papers vol.4.
“Zijn afkomst ontkomt niet; L.Aelius L.f.Lamia, cos. 3.
Het wordt bevestigd door het verschijnen in de nomenclatuur
van L.Aelius Plautius Lamia Aelianus, cossuff. 80, die geacht wordt zijn zoon te zijn.
De familie van L.Lamia was tot het patriciaat gekomen door Caesar Augustus.
(De Plautii waren plebejisch).
De carrière van Aelianus (q. tot pr.) verkondigt een patriciër.
Misschien geadopteerd na het overlijden in 24 van Marcus, pr. 24.
Indien testamentaire adoptie, dan niet door een normale procedure.
Om twee redenen:

1.hij heeft niet Lucius behouden, de praenomen van zijn vader.
   Hij is M.f.
2.de tribus ook niet, Lamiae zijn ingeschreven in ‘Aemelia’.”

M.T.Griffin in ‘Nero’ 1984.
“Van geboorte waarschijnlijk een Aelii Lamiae,
  mogelijk niet geadopteerd door Plautius, cos. 2, doch door één van diens zonen."

(Tac.ann.IV.22 f.; Vell.II.112, 4; Vesp.4; Dio 55.34, 6; 56.12,2; 56.17, 2; 60.19-21;

60.30,2; Suet.Tib.20; Claud.26)
(Kinderen: Suet.Claud.24; 26, 2; Nero 35,4; Tac.ann.VI.23; XI.25; XIII.32; Agric.14;

Aelianus,Tac.hist. IV.53, 2,3;ILS 986, inscriptie mausoleum Plautii.) ; ILS 964)

 

 
 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Tezamen vormden zij de twee hoogste ambtenaren in de Romeinse republiek.
Zij hadden tot taak het bijeenroepen van de senaat en de

volksvergadering, waarvan zij de besluiten uitvoerden.
In oorlog waren zij belast met het opperbevel.
Als proconsul waren zij belast met het bestuur van een (consulaire) provincie.
Grote veranderingen vonden plaats in de eerste eeuw v.Chr.
toen de staat in de macht kwam van militaire leiders en daarna van de keizers.
De oude ambten werden toen prestigieuze maar betekenisloze sinecures.
Julius Caesar liet naar willekeur personen verkiezen tot consul.
Onder Augustus was het consulschap nog slechts een schaduw van wat het ooit was.
Vanaf de tijd van Tiberius lagen de consulverkiezingen in handen
van

de senaat die alleen hen kozen die door de keizer waren aanbevolen.  Terug naar tekst

 
   
2. R.Syme 4/5.  Terug naar tekst  
   
3. Jaren 6 en 7 vlg. Sherk. Robert. R.:
Roman Galatia, the governors from 25 BC. to AD.114,
in ANRW, vol.II.7,2  Principate p.954-1052. 
Terug naar tekst
 
   
4.

Septemviri epulonum.
De 7 mannen – oorspronkelijk ‘tresviri’, 3 mannen –

zorgden bij openbare spelen voor de gastmalen der goden.
Onder Julius Caesar verhoogd tot 10 epulones.

Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn van
één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia.) 

Terug naar tekst

 
   
5. Strijd tegen de rebellen in Pannonia in 8 en Dalmatia in 9.  Terug naar tekst  
   
6.

Ornamenta triumphalia.
Tijdens het principaat kwamen alleen leden van de keizerlijke familie
in aanmerking voor een volle triomf (curulis triumphus).
Dit was een plechtige optocht, waarbij de zegevierende generaal

Rome binnentrok gezeten in een zegewagen (currus) getrokken door vier paarden.
Hij werd vooraf gegaan door belangrijke krijgsgevangenen

en oorlogsbuit, en gevolgd door zijn troepen.
Na in statie over de Via Sacra (heilige weg) te zijn gegaan,
besteeg hij de Capitolijnse heuvel om in de tempel

van Jupiter te offeren. (W. Ramsay, Smith’s Dict.)

De niet tot de keizerlijke familie behorende generaals,
indien de door hen behaalde overwinning had voldaan aan een aantal

gestelde eisen, kwamen in aanmerking voor de ornamenta triumphalia,
de versierselen van een triomf;
zoals o.a. het recht tot het dragen van de mantel van een imperator,
de titels, en het recht van zijn nageslacht op triomfale standbeelden.

(Zie A.Gell.5, 6)  Terug naar tekst

ILS 921
M.Plautius M.f.A.n.Silvanus1 cos., VII vir epulon.,
huic senatus triumphalia ornamenta decrevit ob res in Illyrico bene gestas.
Lartia Cn.f. uxor. A.Plautius M.f.Urgulanius vixit ann.IX.
 ■ Prope Tibur. 1.Silvanus cos.a.752 (2 v.Chr.),
      ornamenta triumphalia meruit Tiberii bello Pannonica a.763

      (10 na Chr.)  Terug naar tekst

 
   
7.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v. een consul met een militair commando

worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het bestuur

uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 geleidelijk
verhoogd naar 16 in 44 v.Chr.
Augustus verlaagde hun aantal tot 12.

Onder zijn opvolgers werden het er 18.  Terug naar tekst

 
   
8.

OVATIO: kleine triomftocht.
Men betrad de stad te voet, gekleed in de toga praetexta
(toga met een brede purperen rand) van een magistraat.
In latere tijden betrad de overwinnaar de stad te paard.
Een ovatie werd toegekend indien er een aanzienlijke overwinning

was behaald, doch niet zodanig groot dat het een volle triomf

rechtvaardigde, of als er weinig bloedvergieten aan de overwinning te pas was gekomen. 

Terug naar tekst

 
   
9.

(Tac.ann.XIII.32, 2)
Volgens Dessau in PIR 344, en A.R.Birley in ‘Fasti Britain’,
was de consulsuff. van 29:
A.Plautius A.f., en dus een volle neef van M.Plautius M.f.,
consul 2 v.Chr. Birley vervolgd met: ‘zijn moeder was een Vitellia’!

Tevens in Fasti Britain, pag. 38, note 13:
‘Julia Drusi f. was misschien een verre bloedverwante (van Pomponia Graecina),
haar grootmoeder Vipsania was de kleindochter van T.Pomponius Atticus.’

(Cicero’s vriend)  Terug naar tekst

ILS 964
P.Plautius Pulcher triumphalis1filius, augur, III vir. A.a.a.f.f.,
q.Ti. Caesaris Aug.V consulis2, tr.pl., pr. ad aerar.,

comes Drusi fili Germanici3, avonculus Drusi Ti.Claudi Caesaris Augusti fili

et ab eo censore inter patricios lectus, curator viarum sternendar.a vicinis

lectus ex auctoritate Ti.Claudi Caesaris Augusti Germanici,

procos. provinciae Siciliae.
Vibia Marsi f.,Laelia nata, Pulchri.
 ■ Tibur ante sepulerum Plautiorum.

      1.triumphalis diatur Silvanus pater Pulchri propter 

         ornamenta triumphalia.

      2. 31 p.Chr.  3. ante 31.  4. 48.  5. praeter patrem Vibiae,

          Vibium Marsum cossuff.17 p.Chr.

Terug naar tekst

 
   
10. Tresviri monetales, ookwel Triumviri.
Triumviri aere argento auro flando feriundo
(Driemans college voor goud, zilver en bronzen munten.) 
Terug naar tekst
 
   
11.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciërs – als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies
met de proconsuls van de senaats provincies: 2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren verhoogd tot 40.

Volgens Mommsen in ‘Römisches staatsrecht’:
20 quaestores, waarvan: 2 quaestores Augusti; 2 quaestores urbani;
4 quaestores consulum; en 12 quaestores provinciae.
(Let op! Het feit dat Mommsen.spreekt van q. Aug. houdt in
dat hij doelt op de tijd van het principaat,
terwijl het bovengenoemde in feite duidt op de tijd van de republiek.
Terug naar tekst

 
   
12.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat.
De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus), kon elk besluit,
ook van consuls en senaat, ongeldig verklaren door zijn veto (intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr. werd o.a. dit vetorecht

aan de tribuun ontnomen.

Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had

tot de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carriére,
wat precies de bedoeling was van Sulla.

In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,

met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen
de kandidatuur voor andere magistraatsfuncties toe te staan,
zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio)
en door de volksvergadering laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeenroepen en besluiten voorleggen (ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebejers te beschermen

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;
en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.” 
Terug naar tekst

 
   
13.

Praefectura aerari Saturni.
In 28 v.Chr. werd het beheer van de schatkist, tevens archief,
afgesplitst van de quaestuur, en toevertrouwd aan 2 praefecti aerarii,
die benoemd werden door de senaat, uit de gelederen der oud-praetoren.
Sedert 23 v.Chr. werden er door loting twee praetori aerarii aangewezen
uit de in functie zijnde praetoren.
In 44 na Chr. ging het bestuur van het aerarium weer onder de quaestuur,
na drie jaar werden deze quaestoren direct bevorderd tot praetor,
met overslaan van de rang van aedile.
Niet alle quaestors werden na 3 jaar praetor, sommige werden o.a.legatis legionum.
Onder Nero, 54-68, kwam het aerarium
weer in handen van oud-praetoren door de keizer aangewezen.
Van 70 tot ca. 96 weer onder bestuur van praetoren,
daarna wederom onder oud-praetoren. 

Terug naar tekst

 
   
14. Opgenomen onder de patriciërs door Claudius als censor.  Terug naar tekst  
   
15. Curator viarum sternendar.
a vicinis lectus ex auctoritate Ti.Claudi Caesaris Augusti Germanici:
Gekozen curator voor het plaveien van wegen in de buurtschap
op gezag van Ti.Claudius Caesar Aug. Germ. 
Terug naar tekst
 
   
16. Augures.
Sedert Sulla een college van 15 priesters, onder Julius Caesar
verhoogd tot 16 priesters. Functie o.a. het lezen der voortekenen.
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia
 

Terug naar tekst
 
   
17. PIR2 57: Laelia uxor C.Vibii Marsi consulis suffecti a. 17,
filia sine dubio D.Laelii D.f.D.n.Balbi consulis 6 v.Chr. 
Terug naar tekst
 
   
18.

Onder Augustus kwamen een aantal nieuwe militaire rangen.
De titel legati legionum, bevelhebber over een legioen, alléén in de keizertijd.
Hun aantal varieerde slechts gering: in 14 na Chr. 23 d.i. 25 legioenen
waarvan 2 onder bevel van praefecti in Egypte.
In 70, 25, d.i. 29 legioenen, min 2 in Egypte, 1 in Numidia,
en 1 in Judaea, onder bevel van provinciale gouverneurs.
In 117, 24 legati leg., in 180, 24,en in 217, 23 leg.leg. 
Terug naar tekst

 
   
19.

(Misschien in 70: Syme in Roman rev. p. 610 f.)

Praefectus urbi
Oorspronkelijk genaamd Custos Urbis (Lydus, De Magistr. I.34, 38).
Hij werd – waarschijnlijk voor het leven - aangesteld door de koning
en vertegenwoordigde deze tijdens diens afwezigheid.
In de stad bezat hij het Imperium. (Tacit. Annal. VI.11; Liv. I.59, III.24).

Ten tijde van de republiek na 487 v.Chr. werd de Custos Urbis naar
alle waarschijnlijkheid gekozen door de curiae.
Alleen personen van consulaire rang kwamen in aanmerking voor dit ambt.

Bij de invoering van het ambt van praefectus urbanus
werd het oude gouverneurschap van de stad hierin opgenomen.
(Lydus, De Mens. 19, De Magistr. II.6).
Het ambt van praefectus urbi verloor geleidelijk aan zijn oude macht

en aanzien en werd hoofdzakelijk verleend als erebaantje aan jongelieden

van adellijke afkomst (Tac.Ann.IV.36).
De praefectus werd nu jaarlijks aangesteld door de consuls
met het doel hen te vervangen tijdens hun afwezigheid uit de stad
gedurende de Feriae Latinae. (Latijnse spelen) (Gell.XIV.8)
Onder Augustus herkreeg het ambt veel van zijn oude glorie.
Augustus verleende de praefectus urbi alle benodigde macht
om zijn functie van gouverneur van Rome te kunnen uitoefenen.

Hij was o.a. belast met het handhaven van de openbare orde en veiligheid;
had jurisdictie in zaken tussen meester en slaaf, cq. ex-slaaf
en in bepaalde kwesties tussen vader en zoon.
Door middel van milites stationarii (politie) hield hij toezicht

op vele zaken variërend van het bankwezen tot slagerijen en theaters.
Geleidelijk aan breidde zijn macht zich uit zodat na verloop van tijd er
- behalve bij de princeps zelf -

geen beroep mogelijk was tegen zijn besluiten.
In de derde eeuw reikte zijn jurisdictie tot 100 mijlen buiten Rome. 
Terug naar tekst

 
   
20.

Sodales Augustales.
Priesters van de tot god verheven Augustus; sedert 14 na Chr.
Zij kwamen in aanzien direct na de vier grote priesterorden.

‘Er waren oorspronkelijk vijfentwintig sodales Augustales,
eenentwintig senatoren door loting aangewezen en vier leden van de keizerlijke familie.
Zij waren belast met de cultus van de gens Iulia te Bovillae welke,
lang geleden ingesteld, nu was gegroepeerd rond de centrale figuur van Divus Augustus.
De meer belangrijke delen van de plichten van de sodales werden

in Rome vervuld, zoals de jaarlijkse inferiae voor de dode leden van

de keizerlijke familie in het Mausoleum op het Campus Martius

en bovenal de cultus van Divus Augustus.’
(Stefan Weinstock, JRS 47 (1957), p.146/7.) 
Terug naar tekst

 
   
 

ILS 986 (= CIL.XIV.3608. = inscr. It.IV.125.)

Ti.Plautio M.f.Ani.Silvano Aeliano, pontif, sodali Aug., III vir a.a.a.f.f., q.Ti.Caesaris, legat.leg.V in Germania, pr.urb., egat. et comiti Claud. Caesaris in Britannia, consuli, procos. Asiae, legat.pro praet. Moesiae1.in qua plura quam centum mill.ex numero Transdanuvianor ad praestanda tributa cum coniugit. ac liberis et principitus aut regibus suis transduxit.2.motum orientem Sarmatar.compressit, qiuamvis parte(m) magna(m) excercitus ad expeditionem in Armeniam misisset;3.ignotos ante aut infensos p.R.reges signa Romana adoraturos in ripam, quam tuebatur, perduxit;4.regibus Bastanarum et Rhoxolanorum filios, Dacorum fratrum captos aut hostibus ereptos remisit;5.ab aliquis eorum opsides accepit;6.per quem (lees quae) pacem provinciae et confirmavit et protulit ;7.Scytharum quoque regem a Cherronensi quam est ultra Borustenen opsidfione summoto ;8.primus ex ea provincia magno tricici modo annonam p.R.adlevavit. Hunc legatum in Hispaniam ad praefectur.urbis remissum, senatus in praefectura triumphalibus ornamentis honoravit auctore imp. Caesare Augusto Vespasiano verbis ex oratione eius q.i.s.s. : (q(uae) i(nfra) s(cripia) s(unt):Moesiae ita praefuit ut non debuerit VI me differri honor triumphalium eius ornamentorum, nisi quod latior ei contigit mora titulus praefecto urbis. Hunc in eadem praefectura urbis imp. Caesar Aug.Vespasianus iterum cos. fecit.

Terug naar tekst