L. Munatius L. f. L. n. L. pron. Plancus. RE -30-

   

Geb. ca. 87 v.Chr. te Tibur.
Overl. vóór 15 v.Chr.
1
 
 

Functies:

Legatus C. Caesar in Gallia in 54.
2
Legatus legionis Fabiana in Hispania in 49.
Legatus C. Caesaris in Africa in 46.
Eén van de praefecti urbis in 45 gedurende Caesar’s afwezigheid
i.v.m. de strijd in Hispania.
3
Septemvir epulonum v.a. ca. 45 v.Chr.
4
Legatus Gallia Comata 44-43,
5 Imperator. 6
Triumphat ex Gallia op 29 Dec.43.
7
Consul in 42 v.Chr.
8
Proconsul Asia 39-37, proconsul Syria 36-35.
Imperator iterum in 35 ex Syria.
9

Censor in 22 v.Chr. 10 met Paullus Aemilius Lepidus als collega.

 

Huwde met Titia, zuster van L.Titius, praetor.

Hieruit:
1. L.Munatius L.f.L.n.Plancus.
    Consul in 13 na Chr.
    waarschijnlijk Leg.Aug.pro praetore Pannonia
    gedurende 17 jaar, na Q.Junius Blaesus (na 20)

2. Munatia Plancina,
    gehuwd met Cn.Calpurnius Piso,
    consul 42 v.Chr. (of nicht van de consul van 42 v.Chr.)
    Zij was een vriendin van Livia Drusilla.

 
   

Kort overzicht van Plancus’ belevenissen.

Plancus was de zwager van L.Titius, praetor,
en dus de oom van M.Titius L.f. cossuff. 31 v.Chr.
In de Gallische en de Burgeroorlogen diende Plancus onder Caesar
die hem kort voor zijn dood benoemde tot proconsul van Gallia Comata.
(i.e. geheel Gallië behalve Narbonensis)
Tijdens zijn bestuur van Gallia stichtte Plancus de kolonies Lugdunum (Lyon)
en Raerica. 11
Tevens benoemde Caesar hem tot consul voor het jaar 42, met D.Brutus als collega.
Hij steunde eerst de senaat tegen Marcus Antonius,
maar toen Lepidus zich aansloot bij Antonius liet hij zich door Asinius Pollio

overhalen diens voorbeeld te volgen en liep hij over naar Antonius en Lepidus;
hierbij D.Brutus aan zijn lot overlatend die dan ook kort daarna in de Alpen
werd gedood.
Tegen het eind van hetzelfde jaar 43 v.Chr. werd bij het Pact van Bononia

het triumviraat gevormd, en Plancus stemde in met de proscriptie

van zijn eigen broer C.Munatius Plancus  RE –26-, ookwel L.Plotius genoemd,

praetor 43 en praefectus equitum 43 in Gallia Transalpina onder zijn broer Lucius;

deze werd daarop gedood.

Bij zijn terugkeer in Rome vierde hij zijn triomf
na al eerder de titel van imperator te hebben aangenomen.
12
Als consul 42 kreeg hij nu, door de moord op D.Brutus, Aemilius Lepidus als collega.
Als bevelhebber van de troepen van Antonius in Italië in 41,
doch niet wetend wat diens mening was, hield hij zich afzijdig tijdens

de Perusiaanse oorlog tussen Octavianus en Lucius Antonius,

de broer van de triumvir, en Fulvia, diens echtgenote.
Na de val van Perusia vluchtte hij met Fulvia naar Athene;
keerde later met Antonius terug naar Italië en vergezelde deze bij diens terugkeer

naar het oosten. Hierna benoemde Antonius hem tot proconsul van Asia.
Hij ontvluchtte zijn provincia bij de invasie door de Parthen onder Titus Labienus.
Lucius werd consul II in een onbekend jaar.
13
Antonius benoemde hem vervolgens tot proconsul van Syria waar hij zich
- zo als vrijwel gebruikelijk was in senatoriale kringen -
te buiten ging aan uitbuiting van de provincialen.
Plancus werd als hoofdschuldige beschouwd aan het doodvonnis in 35,
in naam van M.Antonius, over Sex.Pompeius. (Zie aldaar)

Verbleef daarna voor langere tijd in Alexandria waar hij - behalve met feestvieren -
zijn tijd kennelijk ook besteedde aan het lezen van de tekenen des tijds
want in 32 brak hij met Antonius en liep, met zijn neef Titius, over naar Octavianus.
Hij deed op 16 Januari 27 v.Chr. z.g. spontaan het ‘voorstel’
om aan Caesar divi f. de erenaam ‘Augustus’ te verlenen.
In 22 werd hij censor met als collega Paullus Aemilius Lepidus.
Horatius’ Od.1, 7 is aan hem opgedragen.

Behalve de reeds genoemde Plotius waar van Plinius de oudere heeft gezegd
dat hij de dood door proscriptie verdiende al was het alleen maar
omdat hij parfum had geintroduceerd in Rome, had L.Plancus nog twee broers:
T.Munatius Plancus Bursa (Cicero’s béte noir), trib. plebis 52 v.Chr.
en legatus Gallia Transalpina 43 v.Chr.,

en ene Cnaeus, vaak genoemd door zijn broer Lucius.

(Caes.Bell.Gall.V.24, 25; Caes.Bell.Civ.I, 40; Bello Afr.c.4; Plut.Ant.c.18; Cic.Phil.2.31, 78; 3.15,38; 13.19,44; Cic.ad Att.16, 6 A.B.E.; 10,1-24; 13,29; Cic.ad Fam.10.8, 24; 10.6,1; Dio 46,29; 50,53; 54,2; Suet.Aug.7 en 29; Appian.Bell.Civ.3, 46.72.74.81.90.96.97; 4,12; Vell.II.67, 63; Plin.hist.nat.;
Val.Max.; Nic.Damasc.)

 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Het Mausoleum 14 van L.Munatius Plancus, consul 42 v.Chr.,
daterend van na 22 v.Chr., is een cylindervormig monument van

travertijnmarmer op de top van de Monte Orlando (168 mtr.),

nabij Gaeta in Lazio (Latium) in centraal Italië.
De stad is gelegen op een kaap aan de Golf van Gaeta
120 km van Rome en 80 km van Napels.
Er is een inscriptie aangebracht op de tombe met de volgende tekst:

ILS 886. na 22 v.Chr. nabij Gaeta.
L[ucius] • MVNATIVS • L[ucii] • F[ilius] • L[ucii] • N[epos] • L[ucii] • PRON[epos] PLANCVS • CO[n]S[ul] 1 • CENS[or] • IMP[erator] • ITER[um] • VII VIR EPVLON[um] • TRIVMP[hator] 2• EX • RAETIS • AEDEM • SATVRNI FECIT • DE • MANIBIS • AGRO • DIVISIT • IN • ITALIA
BENEVENTI • IN • GALLIA • COLONIAS • DEDVXIT
LVGDVNVM • ET • RAVRICAM 3
 ■ 1.cos.42 v.Chr., cens .22. 2. 29 Dec.43 v.Chr. (fasti Barb.et Cap.).

       3. a.44 vel 43 v.Chr. cum proconsule Gallicam Comatam regeret.

(Lucius Munatius Plancus, zoon van Lucius, kleinzoon van Lucius,
achterkleinzoon van Lucius, consul, censor, tweemaal imperator, septemvir epulonum, getriomfeerd hebbend over de Raetiërs, bouwde van de buit de tempel van Saturnus;
verdeelde land in Italië te Beneventum; en in Gallië,
stichtte de kolonies van Lugdunum en Raurica.) 
Terug naar tekst

 
   
2.

Legaten.
We moeten ons goed bewust zijn van de dubbelzinnige betekenis dat het

woord legatus had in de traditie van de kroniekschrijving en,

bijgevolg, ook bij Livius.
Oorspronkelijk waren er twee soorten officieren in het Romeinse leger,
de Tribuni militum en de Praefecti socium.
De senatoriale Legati permanent verbonden aan de bevelhebber
van

een leger verschijnt pas relatief laat, pas na de tweede Phoenische oorlog.
Varro omschrijft hen als
“ qui lecti publice, quorum opere consilioque uteretur peregre magistratus.”
Tegelijkertijd waren zij niet alleen consiliarii
maar tevens militaire officieren ondergeschikt aan de opperbevelhebber.
Echter, zij ontleenden hun militaire autoriteit niet aan hun status

van legaten, maar eerder aan de aanstelling die hun bevelhebber

aan ieder van hen individueel had verleend.
Als legati waren zij slechts potentiele officieren.
Normaal gesproken zou een bevelhebber senatoriale legati met het bevel

belasten over specifieke militaire operaties, maar dat hoefde hij niet.
Hij kon eenieder benoemen die hij geschikt achtte voor de taak.
Zulke personen hadden geen officiële titel, maar de kroniekschrijvers
(door de strekking van de betekenis van de term legatus) noemden hen legaten.
Vandaar de verwarring in onze bronnen, en in onze prosopografiën.
(Magistrates of the Roman Republic, by T.R.S.Broughton (1951). 
Terug naar tekst

 
   
3.

Praefectus urbi
Oorspronkelijk genaamd Custos Urbis (Lydus, De Magistr. I.34, 38).
Hij werd – waarschijnlijk voor het leven - aangesteld
door de koning en vertegenwoordigde deze tijdens diens afwezigheid.
In de stad bezat hij het Imperium. (Tacit. Annal. VI.11; Liv. I.59, III.24).

Ten tijde van de republiek na 487 v.Chr. werd de Custos Urbis
naar alle waarschijnlijkheid gekozen door de curiae.
Alleen personen van consulaire rang kwamen in aanmerking voor dit ambt.

Bij de invoering van het ambt van praefectus urbanus
werd het oude gouverneurschap van de stad hierin opgenomen.
(Lydus, De Mens. 19, De Magistr. II.6).
Het ambt van praefectus urbi verloor geleidelijkaan zijn oude macht

en aanzien en werd hoofdzakelijk verleend als erebaantje aan jongelieden

van adellijke afkomst (Tac.Ann.IV.36).

De praefectus werd nu jaarlijks aangesteld door de consuls
met het doel hen te vervangen tijdens hun afwezigheid uit de stad
gedurende de Feriae Latinae. (Latijnse spelen) (Gell.XIV.8)
Onder Augustus herkreeg het ambt veel van zijn oude glorie.
Augustus verleende de praefectus urbi alle benodigde macht
om zijn functie van gouverneur van Rome te kunnen uitoefenen.

Hij was o.a. belast met het handhaven van de openbare orde

en veiligheid; had jurisdictie in zaken tussen meester en slaaf,
cq. ex-slaaf en in bepaalde kwesties tussen vader en zoon.
Door middel van milites stationarii (politie) hield hij toezicht op vele zaken
variërend van het bankwezen tot slagerijen en theaters.
Geleidelijk aan breidde zijn macht zich uit zodat na verloop van tijd er
- behalve bij de princeps zelf -

geen beroep mogelijk was tegen zijn besluiten.
In de derde eeuw reikte zijn jurisdictie tot 100 mijlen buiten Rome. 
Terug naar tekst

 
   
4. Septemviri epulonum.
De 7 mannen – oorspronkelijk ‘tresviri’, 3 mannen –
zorgden bij openbare spelen voor de gastmalen der goden.
Onder Julius Caesar verhoogd tot 10 epulones.

Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia.) 

Terug naar tekst
 
   
5. Dec.44.Cic.Phil.3.15,38.  Terug naar tekst  
   
6.

Imperator. (Fasti Barb. en Cap.)
Tijdens de Republiek werd de titel van imperator verleend tezamen met het Imperium.
Iedere generaal die het Imperium ontving had het recht op de naam van imperator.
De titel werd achter de naam geplaatst daar het slechts tot uitdrukking

bracht dat de bezitter het imperium bezat.
De term Imperium werd toegepast om de soevereiniteit
van de Romeinse staat tot uitdrukking te brengen.

(Cicero (Pro Font. 1); en (Cic. Or. Part. 30:

"in Imperii atque in nominis populi Romani dignitate.")
Het was gebruik dat na een overwinning de soldaten hun zegevierende

generaal begroette als imperator,

maar deze begroeting gaf noch bevestigde de titel.
Tijdens de republiek waren er gelijktijdig meerdere imperatoren.
Augustus verleende de titel slechts aan enkelen. (Tac.Ann. iii.74, 4)
Tiberius stond het de soldaten toe om de titel te verlenen aan personen

die hem nog niet eerder bezaten, terwijl, zoals reeds gezegd,

de titel onder de republiek kwam met het imperium.
Na Claudius ontstond onder zijn opvolgers de gewoonte om de titel als

praenomen te gebruiken gevolgd door een cijfer hetwelk aangaf dat

de titel was verleend ter gelegenheid van een grote overwinning,

ook al was deze overwinning bevochten door hun generaals,

hij was gewonnen onder de auspiciën van de Imperator.
(Voor het begrip Auspiciën: Aulus Gellius’ ‘Noctium Atticarum’, XIII.XV, 1-7)

Terug naar tekst

 
   
7. Tr.Cap.: L.Munatius L.f.L.n.Plancus procos. ex Gallia IIII k. Ian.   Terug naar tekst  
   
8.

Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Tezamen vormden zij de twee hoogste ambtenaren
in de Romeinse republiek.
Zij hadden tot taak het bijeenroepen van de senaat en
de

volksvergadering, waarvan zij de besluiten uitvoerden.
In oorlog waren zij belast met het opperbevel.
Als proconsul waren zij belast met het bestuur van een (consulaire) provincie.


Grote veranderingen vonden plaats in de eerste eeuw v.Chr.,

toen de staat in de macht kwam van militaire leiders en daarna van de keizers.
De oude ambten werden toen prestigieuze maar betekenisloze sinecures.
Julius Caesar liet naar willekeur personen verkiezen tot consul.
Onder Augustus was het consulschap nog slechts een schaduw van wat het ooit was.
Vanaf de tijd van Tiberius lagen de consulverkiezingen in handen van

de senaat die alleen hen kozen die door de keizer waren aanbevolen.  Terug naar tekst

 
   
9.

Syme in Roman rev.p.264, note 2:
“Plancus’ second imperatorial salutation (ILS 886)

may have been won earlier, in 40-39 BC.”  Terug naar tekst

 
   
10.

Censors.
Het ambt werd vrijwel uitsluitend door oud-consuls bekleed.
Officieel om de 5 jaar doch in de praktijk met onregelmatige tussenpozen
werden 2 censoren gekozen die hun functie maximaal 18 maanden uitoefenden.

Zij onderwierpen de bevolking aan een vermogensschatting (census)

op grond waarvan belasting en o.a.klasse-indeling werd bepaald.
Zij hielden toezicht op de staatsbegroting en waakten over de zeden.
De censors konden, indien nodig, onwaardig bevonden leden uit de

senatorenstand en ridderklasse verwijderen en nieuwe benoemen.

Terug naar tekst

 
   
11. Dio 46.50; Sen.ep.91; Strab.IV.pp.186-192
Augusta Raurica, nabij Basel, in Zwitserland. 
Terug naar tekst
 
   
12. Cic.ad Fam.10.8,24.  Terug naar tekst  
   
13. Plin.N.H.13.3 s 5.   Terug naar tekst  
   
14. Mausoleum van Lucius Munatius L.f.Plancus.

 
Terug naar tekst