C. Minicius L. f. Pap. Fundanus.

   
   
Functies:

Tribunus legionis XII.Fulminatae in Cappadociae.
1
Quaestor,
2 tribunus plebis, 3  praetor. 4
Legatus legionis XV. Apollinaris.
5
Consulsuffectus 107.
6
Legaat in Dalmatia kort na 107.
Proconsul van Achaea?
7
Proconsul van Asia 122/123.
 

Huwde (mogelijk) met Statoria M.f.Marcellina.

Hieruit:
Twee dochters, de jongste hiervan was Minicia Marcella.
Zij overleed in 105 of 106 op bijna 13 jarige leeftijd.
8
 

De urn en het grafschrift (t.sepulcralis VI 16631.) van dit meisje zijn in 1881 gevonden in het familiegraf te Monte Mario,
een heuvel gelegen in het noordwesten van de stad
maar buiten de muren van het antieke Rome.
Het niet vermelden van de moeder suggereert
dat deze al was overleden.
Zij zou de Statoria M.f.Marcellina kunnen zijn wiens grafschrift eveneens is gevonden in het familiegraf. (In CIL.VI.16632)


ILS 1030; PIR.M.631 vol.5
D.M.Miniciae Marcellae Fundani f.v(ixit) a(nnos) XII, m(enses) XI, d(ies) VII.
 ■ Prope Romam rep.

      1.Huius puellae mortem deflet Plinius ep.5,16 anno 105 vel 106.
      Pater ei fuit Minicius Fundanus cossuff.a.107,

      procos.Asiae sub Hadriano
 

CIL.VI.16632
D.M.Statoriae M.fil.Marcellae
 

 

 
 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Tribunus legionis = gelijk aan Tribunus militum.
Tribunus militum: (Krijgstribuun) stafofficier bij de infanterie.
Onder het principaat waren dit jongemannen die een senatoriale of

een equestrische carrière ambieerden,

en zij werden overeenkomstig verdeeld in tribuni laticlavi

(met een brede streep op het tuniek) en tribuni augusticlavi

(met een smalle streep).
Elke klasse van tribuni diende gedurende een jaar in een legioen, maar,

daar waar de laticlavi na vervulling van hun jaar militaire dienst

onmiddellijk konden doorgaan naar de politieke senatoriale

cursus honorum, dienden de aspiranten voor een equestrische cursus

- tenminste sinds Claudius -

twee aanvullende functies als officier bij de hulptroepen te vervullen.
De normale volgorde van deze krijgsdienst was praefectus cohortis
(i.e. commandant van een hulp cohort van een infanterie eenheid),
tribunus militum (augusticlavius), en praefectus alae
(i.e. commandant van een hulp ala of van een cavallerie eenheid).
(The Roman legions, by H.M.D.Parker, 1985 (1ste ed. 1928)

Terug naar tekst

 
   
2.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciërs –

als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies met de proconsuls
van de senaats provincies: 2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren verhoogd tot 40.

Volgens Mommsen in ‘Römisches staatsrecht’:
20 quaestores, waarvan: 2 quaestores Augusti; 2 quaestores urbani;
4 quaestores consulum; en 12 quaestores provinciae.
(Let op! Het feit dat Mommsen.spreekt van q. Aug. houdt in
dat hij doelt op de tijd van het principaat,
terwijl het bovengenoemde in feite duidt op de tijd van de republiek
.) 
Terug naar tekst

 
   
3.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat.
De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus), kon elk besluit,
ook van consuls en senaat, ongeldig verklaren door zijn veto (intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr. werd o.a. dit vetorecht

aan de tribuun ontnomen.

Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had

tot de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carrière,
wat precies de bedoeling was van Sulla.

In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,

met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen de kandidatuur voor andere magistraatsfuncties toe te staan,

zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio) en door de volksvergadering

laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeenroepen en besluiten voorleggen (ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebejers te beschermen

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;
en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.” 

Terug naar tekst

 
   
4.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v.een consul met een militair commando

worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het bestuur

uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 verhoogd naar 16. 
Terug naar tekst

 
   
5.

Legatus legionis, bevelhebber over een legioen, alléén in de keizertijd.  Terug naar tekst

 
   
6.

De consul suffectus (plaatsvervangend consul) kwam vooral in zwang

tijdens het principaat.
Ondanks het feit dat het ambt onder de keizers vrijwel geheel

was ontdaan van enige echte macht of zeggenschap in het bestuur van

de staat werd het toch nog gezien als het hoogst bereikbare binnen de cursus honorum.
Mede doordat de keizers zelf vaak jaren achtereen beslag legden

op het ambt en er toch elk jaar nieuwe kandidaten kwamen werden de

naamgevende consuls – de consul ordinarius

(de consuls die aan het begin van het jaar aantraden

en met wiens namen het betreffende jaar werd aangeduid) -

na enige tijd vervangen door suffecti zo dat er meer mensen beloond

konden worden voor hun verdiensten jegens de keizer. 

Terug naar tekst

 
   
7. Vlg.W.Eck, mogelijk ergens tussen 113-115,  Terug naar tekst  
   
8.

Plinius de jongere, boek V, ep. XVI.

Aan Aefulanus Marcellinus.

Ik schrijf je in grote droefenis:
onze vriend Fundanus heeft zijn jongste dochter verloren.
Ik heb nooit eerder een meisje gezien zo vrolijk en lief,

die zozeer een langer leven of zelfs een eeuwig durend leven verdiende.
Zij was nog geen veertien jaar
1 en toch combineerde zij de wijsheid

en waardigheid van vrouwelijkheid met de lieflijkheid
en bescheidenheid van jeugd en onschuld.

Zij hing om haar vaders hals en omhelsde ons, zijn vrienden,

met bescheiden genegenheid; zij hield van haar verzorgsters,

haar bedienden en haar leraren, ieder voor de aan haar verleende diensten;
zij wijdde zich met schranderheid aan haar boeken
en was matig en ingehouden in haar spel.
Zij droeg haar laatste ziekte met

geduldige berusting en zelfs met moed; zij luisterde naar haar dokters,

vrolijkte haar zuster en vader op, en nadat haar lichaamskracht haar had verlaten
zette zij door zuivere wilskracht door.

Zij behield deze wilskracht tot het einde, en noch de duur van haar ziekte
noch angst voor de dood kon deze breken.

Zij heeft ons des te meer droevige redenen nagelaten om ons verlies te betreuren.
Haar einde is waarlijk tragisch en ontijdig –

niet zozeer de dood zelf als wel het moment waarop was wreed.

Zij stond op het punt van trouwen met een voortreffelijke jongeman,

de huwelijksdag was al vastgesteld, en we hadden de uitnodigingen

al ontvangen, zulk een vreugde, en nu zulk een smart!

Woorden kunnen mijn verdriet niet uitdrukken toen ik Fundanus zelf orders hoorde geven

– want het ene hartbrekende detail volgt op het andere –

om het geld dat bedoeld was voor kleding, parels en juwelen

te besteden aan wierook, zalf en kruiden.

Hij is werkelijk een ontwikkeld en wijs man die zich vanaf zijn jeugd gewijd heeft
aan diepzinnige gedachten en de kunst,

maar op het moment wijst hij alles af wat hij zo vaak heeft gehoord en zelf heeft verkondigd:

al zijn andere deugden heeft hij verworpen
en is geheel geabsorbeerd door zijn liefde voor zijn kind.

Je zult hem vergeven en zelfs bewonderen als je bedenkt wat hij heeft verloren
– een dochter die niet minder op hem leek in karakter
als in uiterlijk en uitdrukking en in alles haar vaders evenbeeld.

Wees dus voorzichtig als je hem schrijft, dat je hem,

in zijn begrijpelijke verdriet, geen ruwe manier van  troost biedt

die een terechtwijzing zou kunnen doen vermoeden; wees zacht en vriendelijk.

Met het verstrijken van de tijd zal hij dit beter kunnen accepteren;

een rauwe wond deinst terug van een genezende hand maar later

zal hij het toestaan en zelfs hulp zoeken,
en zo zal ook de geest met de eerste steken van verdriet iedere troost verwerpen en afweren,

en voelt vervolgens de behoefte aan troost en kalmeert als die vriendelijk wordt aangeboden. 

 
   
 

Noot.

Vergissing van Plinius: bij haar overlijden was zij 12 jaar,

11 maanden en 7 dagen oud, dus bijna 13 jaar!   Terug naar tekst
 
     
 

(Zie tevens R.Syme in JRS 58 (1968) p.149. dito JRS 47 (1957);
Syme, Roman Papers II 719 en V 442 en VII 603;
Syme, Danubian Papers 199; W.Eck, Chiron 13, 1983, 157,

dito ‘Senatoren von Vesp.bis Hadrian’1972; PIR2 M 612.

Zie ook ‘Städte, Eliten und Gesellschaft in der Gallia Cisalpina’
door Géza Alföldy - 1999 - Inscriptions, Latin - 380 pagina’s. enz, enz.)