P. Cornelius Scipio Nasica.   RE -352-

   


Geb. ca.95 v.Chr.
Overl. 6 April 46 v.Chr. te Sittius in Africa.

Zoon van P.Cornelius P.f.P.n.Scipio Nasica, praetor?
1,
en van Licinia, dochter van L.Licinius Crassus, cos.95 v.Chr.,
en van Mucia, dochter van Q.Mucius Scaevola, cos.117 v.Chr.

Vanaf 64 v.Chr. per testament adoptiefzoon van

Q.Caecilius Q.f.L.n. Metellus Pius, cos.80 v.Chr.,

vanaf toen was hij:
Q.Caecilius Q.f.Q.n.Metellus Pius Scipio Nasica. RE –99-

 
 
Functies:

Pontifex ca.63
2,   tribunus plebis 62 3.
Praetor 55
4,   Interrex in 53 5.
Consul in 52 v.Chr.
6
Proconsul van Syria 49-48, proconsul van Africa 48-46 v.Chr.
 

Huwde ca. 74 v.Chr. met Aemilia,

dochter van Mam.Aemilius Lepidus Livianus, consul 77 v.Chr.

Hieruit:
1.Cornelia, zij huwde met:
                1. P.Licinius Crassus, zoon van de triumvir.
                2. Cn.Pompeius Magnus.

2.L.Licinius L.f.L.n.Crassus Scipio; geboren: Cornelius Scipio Nasica.
7
3.Cornelia, huwde met Cornelius Lentulus Marcelli f.  RE –130-

 
   

Kort overzicht van Nasica’s belevenissen.

Toen in begin 49 v.Chr. de burgeroorlog uitbrak tussen Julius Caesar
en Pompeius Magnus, had de partij van Pompeius net de provincies verdeeld
en was Syria toegewezen aan Metellus Scipio Nasica,
de schoonvader van Pompeius.Tegen het eind van hetzelfde jaar
bracht hij vanuit Syria twee legioenen ter assistentie over naar Pompeius en
bracht de winter van 49/48 door in de omgeving van Pergamum.
Hierna stak hij over naar Macedonia en voegde zich kort voor de slag bij Pharsalus

bij Pompeius.
Metellus Scipio Nasica had op 9 augustus 48 (7 Juni, vlg. Juliaanse kalender)
te Pharsalus het commando over het centrum van het Pompeiaanse leger.
Hij vluchtte na de nederlaag naar Africa waar hij

– op aandringen van M.Porcius Cato –
het opperbevel kreeg over de Pompeiaanse legers.
Hij werd in 46 bij Thapsus verslagen en pleegde zelfmoord toen hij tijdens een

vluchtpoging om over zee te ontsnappen werd aangevallen.

Valerius Maximus boek.III.2, 13:
Scipio Metellus had zonder succes de zaak van zijn schoonzoon Cn.Pompeius
in Africa verdedigd en begaf zich over zee naar Spanje.
Ziende dat zijn schip was ingenomen door de vijand
doorboorde hij zijn borst met een zwaard.
Dan, uitgestrekt liggend op het achterdek, antwoordde hij de Caesariaanse

soldaten die hem vroegen waar de generaal was,
“Met de generaal is alles goed.” (Imperator se bene habet)
Hij kon nog net voldoende spreken om te getuigen van zijn dapperheid en

eeuwige roem.
(Livius Per.114 etc.(Broughton II.297; voegt toe Sen. Suas.6.2)

 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1. Praetor? Legatus? 93 v.Chr. te Hispania; hij overleed kort na 90.
(de Oratore III.8 luctum filiae) 
Terug naar tekst
 
   
2.

Zijn opvolger als pontifex was Ti.Claudius Nero, praetor 42 v.Chr.


Pontifices.
Sedert Sulla een college van 15 priesters onder voorzitterschap
van de Pontifex maximus; in totaal dus 16 priesters.
Zij hielden o.a. toezicht op de godsdiensten.
(Vanaf 12 v.Chr. waren alle opeenvolgende princeps pont.max.)
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia
Terug naar tekst

 
   
3.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat.
De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus), kon elk besluit,
ook van consuls en senaat, ongeldig verklaren door zijn veto (intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr. werd o.a. dit vetorecht

aan de tribuun ontnomen.
Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had

tot de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carrière,
wat precies de bedoeling was van Sulla.

In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,

met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen de kandidatuur voor andere magistraatsfuncties toe te staan,

zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio)
en door de volksvergadering laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeenroepen en besluiten voor leggen

(ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebejers te beschermen

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;
en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.”

Terug naar tekst

 
   
4.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v. een consul met een militair

commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het bestuur

uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 geleidelijk
verhoogd naar 16 in 44 v.Chr.
Augustus verlaagde hun aantal tot 12.

Onder zijn opvolgers werden het er 18.  Terug naar tekst

 
   
5.

Interrex.
Een magistraat die werd aangewezen bij het ontbreken
van

of ziekte van beide consuls, voor het houden van verkiezingen.
Zijn ambtstermijn was slechts 5 dagen,

waarna als zijn doel niet was bereikt, een ander werd benoemd.  Terug naar tekst

 
   
6.

Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Tezamen vormden zij de twee hoogste ambtenaren in de Romeinse republiek.
Zij hadden tot taak het bijeenroepen van de senaat en de

volksvergadering, waarvan zij de besluiten uitvoerden.
In oorlog waren zij belast met het opperbevel.
Als proconsul waren zij belast met het bestuur van een (consulaire) provincie.


Grote veranderingen vonden plaats in de eerste eeuw v.Chr.

toen de staat in de macht kwam van militaire leiders en daarna van de keizers.
De oude ambten werden toen prestigieuze maar betekenisloze sinecures.
Julius Caesar liet naar willekeur personen verkiezen tot consul.
Onder Augustus was het consulschap nog slechts een schaduw van wat
het ooit was.
Vanaf de tijd van Tiberius lagen de consulverkiezingen in handen van

de senaat die alleen hen kozen die door de keizer waren aanbevolen.  Terug naar tekst

 
   
7.

Hij had vlg.T.Wiseman ook nog een zoon: Licinius Crassus Scipio,
dus is deze kennelijk geadopteerd in de gens der Licinii Crassi.
Vlg. Munzer was hij al eerder geadopteerd
volgens het testament van zijn grootvader van moederskant.
Echter, Sumner en Pauly-Wissowa noemen een Crassus Scipio
als de broer van Caecilius Pius, cos.52)
Hierboven volg ik, voorlopig, de mening van Sumner en P-W. 
Terug naar tekst