C. Memmius (L.f.)  RE -8- 

   

Geb. ca. 103 v.Chr.

Zoon van L.Memmius, triumvir monetalis 109/108.
1
 
 

Huwde in ca. 72-70 v.Chr. met Fausta 2, dochter van L.Cornelius Sulla, dictator,
en van Caecilia Metella, dochter van L.Metellus Dalmaticus, cos.119.

Hieruit:
C.Memmius C.f.Sullae Felicis n.
Monetalis ca.51, consulsuffectus 1 Juli 34 v.Chr.

    Scheiding in 54 v.Chr.
3

 
   
Functies:

Quaestor in Hispania ca.78/76.
4
Tribunus plebis 66,
5   praetor 58. 6
Propraetor Bithynia 57-56, waarvoor de titel van Imperator.
7
Consul candidatus 53 v.Chr.
 
 

Kort overzicht van Memmius’ belevenissen.

Was quaestor in Spanje tijdens de oorlog tegen Sertorius.
Als trib.plebis 66 vervolgde hij Marcus Lucullus en verzette hij zich
tegen het verlenen van een triomf aan Lucius
hetgeen hem in conflict bracht met Cato, de zwager van Lucius.
In 58 werkte hij tezamen met Domitius Ahenobarbus tegen

Julius Caesar’s wetgeving, maar in 54 genoot hij de steun

van Caesar en Pompeius Magnus in zijn kandidatuur voor het consulaat.
Verloor Caesar’s gunst door de onthulling van een of ander schandaal tijdens

de verkiezingen, en werd op zijn beurt beschuldigd van omkoping.
In 52 werd hij veroordeeld voor de ambitu
8

en eindigde zijn carrière in ballingschap in Athene.
In 30 verbond hij zich met zijn neef Curio minor.
9
Als orator en dichter leeft hij voort in Lucretius’ ‘De rerum natura.’
10

 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

L.Memmius –13-, triumvir monetalis ca. 110,
was de schoonvader van C.Scribonius Curio, cos. 76 v.Chr.;
en de broer van C.Memmius –5- trib.plebis in 111 v.Chr.,

praetor tussen 107 en 103,
proconsul tussen 106-102, consul candidatus voor 99.
Memmius –5-, werd in 100 v.Chr. tijdens de consul verkiezingen
gedood door P.Mettius op instigatie van L.Appuleius Saturninus,
tribunus plebis in ca.100 v.Chr. 
Terug naar tekst

 
   
2.

Fausta was de tweeling zuster van Faustus Sulla; haar moeder,

Caecilia Metella, was eerder gehuwd met Aemilius Scaurus, cos.115 v.Chr.
Hieruit Fausta’s halfbroer M.Aemilius Scaurus, pr.56.

Fausta huwde na haar scheiding van Memmius, op 18 Nov.

(Cic.ad Att.IV.13,1) met Annius Milo,

zoon van een Papius uit Lanuvium, en adoptiefzoon van T.Annius,
zijn grootvader van moederskant.
Fausta zelf was ooit onder voogdij van L.Lucullus (Plut.Luc.4),
de onenigheid tussen Memmius en de Luculli
zou mogelijk met deze connectie te maken kunnen hebben. 
Terug naar tekst

 
   
3. 55 vlg.Shackleton-Bailey.  Terug naar tekst  
   
4.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies met

de proconsuls van de senaats provincies: 2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren verhoogd tot 40.
 Terug naar tekst

 
   
5.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat.
De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus), kon elk besluit,
ook van consuls en senaat, ongeldig verklaren door zijn veto (intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr. werd o.a. dit vetorecht

aan de tribuun ontnomen.

Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had

tot de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carrière,
wat precies de bedoeling was van Sulla.

In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,

met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen de kandidatuur voor andere magistraatsfuncties toe te staan,
zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio)
en door de volksvergadering laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeenroepen en besluiten voor leggen (ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebejers te beschermen

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;
en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.”

Terug naar tekst

 
   
6.

Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v.een consul met een militair
commando

worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor
het bestuur uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 verhoogd naar 16. 
Terug naar tekst

 
   
7.

Imperator.
Tijdens de Republiek werd de titel van imperator verleend

tezamen met het Imperium.
Iedere generaal die het Imperium ontving had het recht

op de naam van imperator.
De titel werd achter de naam geplaatst daar het slechts

tot uitdrukking bracht dat de bezitter het imperium bezat.
De term Imperium werd toegepast om de soevereiniteit

van de Romeinse staat tot uitdrukking te brengen.

(Cicero (Pro Font. 1); en (Cic. Or. Part. 30:

"in Imperii atque in nominis populi Romani dignitate.")
Het was gebruik dat na een overwinning de soldaten hun

zegevierende generaal begroetten als imperator,

maar deze begroeting gaf noch bevestigde de titel.
Tijdens de republiek waren er gelijktijdig meerdere imperatoren.
Augustus verleende de titel slechts aan enkelen. (Tac.Ann. iii.74, 4)
Tiberius stond het de soldaten toe om de titel te verlenen

aan personen die hem nog niet eerder bezaten, terwijl,

zoals reeds gezegd, de titel onder de republiek kwam met het imperium.
Na Claudius ontstond onder zijn opvolgers de gewoonte om de titel

als praenomen te gebruiken gevolgd door een cijfer hetwelk

aangaf dat de titel was verleend ter gelegenheid van een grote overwinning,

ook al was deze overwinning bevochten door hun generaals,
hij was gewonnen onder de auspiciën van de Imperator.
(Voor het begrip Auspiciën: Aulus Gellius’ ‘Noctium Atticarum’, XIII.XV, 1-7) 
Terug naar tekst

 
   
8. Ambitus: (het dingen naar ambten op onwettige wijze)
was een algemene uitdrukking die twee soorten omvatte:
ambitus en largitiones (omkoping); kortweg, corruptie en omkoping.
(o.a. Cic. de Orat. II.25; en cf. pro Murena, hfdst 36). 
Terug naar tekst
 
   
9. Plut.Luc.11.12.  Terug naar tekst  
   
10.

Zie, Epp.ad Atticus, 18 (1.18) 3.11.
Cicero impliceert in deze brief dat Memmius een verhouding
heeft gehad met de vrouw van M.Lucullus

en met die van diens oudere broer Lucius. Terug naar tekst