C. Marius C. f.  RE -14 supb 6-

Geb. 158-156 v.Chr. te Arpinum
Overl. 13-1-86 v.Chr. te Rome.
13

Zoon van C.Marius en van Fulcinia.
 
 
 
 

Functies: ILS 59

Trib.militum
1 onder P.Cornelius Scipio Aemilianus (Afr. minor)
te Numantia in Hispania in 134-133.
Quaestor, tribunus plebis 119,
2   praetor 115. 3
Proconsul Hispania ult. 114.
Legatus van Q.Metellus in Numidia 109-108.
4
Consul in 107 v.Chr.
5
Proconsul Numidia 106-105.
Consul II, in 104, Consul III, in 103, Consul IV, in 102,
Consul V, in 101, Consul VI, in 100.
Augur ca. 97.
6
Proconsul/legatus van P.Rutilius Lupus in 90.
Consul VII, in 86.

 

Huwde in ca.112-111 v.Chr. met Julia, 7
dochter van C.Julius Caesar en van Marcia.

Hieruit:
C.Marius C.f.C.n.  RE -15-  Consul in 82 v.Chr.

Geb. in 109 v.Chr.
Overl. in 82 v.Chr. nabij Praeneste.

Huwde met Licinia,
dochter van L.Licinius Crassus ‘Orator’, consul 95.

Marius junior vocht met zijn mede-consul, Cn.Papirius Carbo
tegen de toekomstige dictator L.Cornelius Sulla.
Alvorens zich in Praeneste terug te trekken was Marius door Sulla verslagen
in de slag van Sacriportus, nabij Signia.
Sulla belegerde Marius in Praeneste; Carbo ziet geen kans Marius te ontzetten.
Tijdens een ontsnappingspoging uit Praeneste werd Marius gedood.
8

 
   

Kort overzicht van Marius senior’s belevenissen.

Caius Marius werd in nederige omstandigheden geboren te Arpinum
en vervulde successievelijk de hoogste ambten.
In 134-133 was Marius als militair tribuun aanwezig bij het beleg van de

stad Numantia in Spanje door Scipio Aemilianus,

de laatste Cornelius Scipio van deze tak van de gens Cornelii.
Na een langdurig beleg viel de stad uiteindelijk door uithongering in 133 v.Chr.
Hij was legaat onder Q.Caecilius Metellus Numidicus, consul 109 v.Chr., in Numidië.
Na veel aandringen en met tegenzin verleende de aristocratische Metellus Marius verlof

- zodat deze zich te Rome kandidaat kon stellen voor het consulaat -
daar hij van mening was dat deze tevreden moest zijn met zijn huidige positie.
Door het bespelen van de gevoelens van ongenoegen van de equetes

en de populares was Marius hierin succesvol; nam het bevel over van Metellus,
en zond zijn quaestor, L.Cornelius Sulla, naar koning Bocchus

– schoonzoon van Jugurtha – en deze kreeg Bocchus zover dat deze

zijn schoonvader uitleverde aan Sulla.
Marius zond Jugurtha geboeid naar Rome en voerde hem mee in zijn

triomftocht (1 Jan.104) waarna deze in het Tullianum werd gewurgd.

In het volgende jaar, toen hij in absentia consul werd zonder een poging

te hebben gedaan het ambt te verkrijgen,
overwon hij de Cimbri in Gallië te Aquae Sextiae (102)
en de Teutonen in Italië op de Raudische vlakte. (101)
9
Voor zijn overwinningen op deze volkeren vierde hij in 101 als consul V,
met zijn collega Q.Lutatius Catullus een triomf over de Germaanse Cimbri en de Teutoni.
In zijn zesde consulaat (100), gesteund door een senatus consultum
10
liet hij de opruiende volkstribuun L.Saturninus Apuleius

– die in de veteranen van Marius een mogelijke bron van bescherming zag
tegen het geweld van het wettige gezag dat sinds de tijd van de Gracchii
niet terugschrok voor moord - en de praetor Servilius Glaucia,

in de Curia Hostilia ter dood brengen.
In 88 werd zijn voormalige quaestor Sulla tot consul gekozen
en door de senaat belast met de strijd tegen Mithridates.
De tribunische wet van P.Sulpicius Rufus voorzag er echter in

dat Marius Sulla’s provincie zou overnemen; Sulla verliet hierop Rome,

deed een beroep op zijn legioenen en de laatste fase van de val van

de republiek werd ingeluid door Sulla’s mars naar Rome in 88 v.Chr.

Marius werd in de strijd door Sulla verslagen en verborg zich in de

moerassen van Minturnae. Gevonden en gevangen genomen,
joeg hij door zijn woeste gelaatsuitdrukking de Gallische moordenaar
die op hem af was gestuurd de stuipen op het lijf.
Hij bemachtigde een boot en stak over naar Africa alwaar hij langdurig in verbanning verbleef.
Terwijl Sulla in Griekenland strijd voerde tegen Mithridates brak er in Rome
openlijke strijd uit tussen de twee consuls Cinna

– die zich gedroeg als een dictator – en Cn.Octavius.

Octavius kwam als overwinnaar uit de strijd; verdreef Cinna uit de stad en

de senaat benoemde in diens plaats L.Cornelius Merula, de flamen Dialis, als consul.
Cinna vormde in Italië een nieuwe strijdmacht en hervatte de strijd.
Toen dit nieuws Marius ter ore kwam vormde hij een bescheiden strijdmacht
en sloot zich daarmee aan bij Cinna.
Zij slaagden er in Rome in te nemen en vermoordden de consul Octavius.
Tegen Merula werd een valse aanklacht ingediend waarop deze zelfmoord pleegde.
Marius nam wraak voor het naar zijn mening hem aangedane onrecht
door het afslachten van zijn vijanden waaronder de retor M.Antonius,

de grootvader van Marcus Antonius.
Bij de aanvang van zijn zevende consulaat (86 v.Chr.) werd Marius ziek en overleed korte tijd later.
Volgens sommigen pleegde hij zelfmoord.

Marius had twee zusters, deze huwden respectievelijk:
No.1 huwde met een Gratidius, via deze Gratidius was de familie der Marii
verwant aan de Tullii Cicerones, want Cicero’s vader was een neef van Gratidia
gehuwd met de beruchte Sergius Catilina.

No.2 huwde met C.Visellius Aculeo, deze was waarschijnlijk de adoptief vader

van de zoon van A.Terentius Varro, legatus in 82 v.Chr.
            CONCLUSIE
M.Gratidius  RE –2-, praefectus in 102-101 v.Chr.,
zwager van Cicero’s grootvader, werd gedood in 101 v.Chr.
terwijl hij diende onder M.Antonius ‘de Orator’.
11
Hij was de vader van:
1. M.Marius Gratidianus  RE –44-, trib.pl.87?, praetor bis 85-84?
12
2. Gratidia, (nicht van Cicero’s vader) zij huwde met Catilina.
3.? Gratidius  RE –1-, legaat van C.Marius in 88 te Arpinum.
Deze legaat was de vader van M.Gratidius  RE –3-,

legaat van Q.Cicero in Asia 61-59 v.Chr.

Vlg. Plutarchus was de naam van Marius’ schoonvader omstreeks 86, Mucius.
Marius had een stiefzoon, Granius geheten.

(Sex. Aur. Victor, De Viris Illustribus 67, 68; Val.max. II. ;
Plut. Marius; Sall.Iugurtha ; Appianus B.C.I; Cic.Mil.9 etc.)

 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Tribunus militum: (Krijgstribuun) stafofficier bij de infanterie.
In de republiek waren er twee soorten militaire tribunen,

zij die gekozen waren in de vergadering der tribus en

zij die waren benoemd door de bevelhebber.
Onder het principaat waren dit jongemannen die een senatoriale of een

equestrische carrière ambieerden, en zij werden overeenkomstig

verdeeld in tribuni laticlavi (met een brede streep op het tuniek) 

en tribuni augusticlavi (met een smalle streep).
Elke klasse van tribuni diende gedurende een jaar in een legioen,

maar, daar waar de laticlavi na vervulling van hun jaar militaire dienst

onmiddellijk konden doorgaan naar de politieke senatoriale

cursus honorum, dienden de aspiranten voor een equestrische cursus

- tenminste sinds Claudius -

twee aanvullende functies als officier bij de hulptroepen te vervullen.
De normale volgorde van deze krijgsdienst was praefectus cohortis
(i.e. commandant van een hulp cohort van een infanterie eenheid),
tribunus militum (augusticlavius), en praefectus alae
(i.e. commandant van een hulp ala of van een cavallerie eenheid).
(The Roman legions, by H.M.D.Parker, 1985 (1ste ed. 1928)

Terug naar tekst

 
   
2.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat.
De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus), kon elk besluit,
ook van consuls en senaat, ongeldig verklaren door zijn veto (intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr.
werd o.a. dit vetorecht

aan de tribuun ontnomen.

Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had

tot de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carrière,

wat precies de bedoeling was van Sulla.
In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,
met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen de kandidatuur voor andere magistraatsfuncties toe te staan,

zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio) en door de volksvergadering laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeenroepen en besluiten voor leggen (ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebejers te beschermen

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;
en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.”

Terug naar tekst

 
   
3.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v. een consul met een militair commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor
het bestuur uitoefenen over een provincie. 
Terug naar tekst

 
   
4.

Legaten.
We moeten ons goed bewust zijn van de dubbelzinnige betekenis

dat het woord legatus had in de traditie van de kroniekschrijving en,

bijgevolg, ook bij Livius.
Oorspronkelijk waren er twee soorten officieren in het Romeinse leger,
de Tribuni militum en de Praefecti socium.
De senatoriale Legati permanent verbonden aan de
bevelhebber van

een leger verschijnt pas relatief laat, pas na de tweede Phoenische oorlog.
Varro omschrijft hen als
“ qui lecti publice, quorum opere consilioque uteretur peregre magistratus.”
Tegelijkertijd waren zij niet alleen consiliarii maar tevens militaire

officieren ondergeschikt aan de opperbevelhebber.
Echter, zij ontleenden hun militaire autoriteit niet aan hun status van

legaten, maar eerder aan de aanstelling die hun bevelhebber aan ieder

van hen individueel had verleend.
Als legati waren zij slechts potentiële officieren.
Normaal gesproken zou een bevelhebber senatoriale legati met

het bevel belasten over specifieke militaire operaties,

maar dat hoefde hij niet.
Hij kon eenieder benoemen die hij geschikt achtte voor de taak.
Zulke personen hadden geen officiële titel, maar de kroniekschrijvers
(door de strekking van de betekenis van de term legatus) noemden hen legaten.
Vandaar de verwarring in onze bronnen, en in onze prosopografiën.
(Magistrates of the Roman Republic, by T.R.S.Broughton (1951).

Terug naar tekst

 
   
5.

Uitgaande van het idee dat hij die wat bezat loyaal zou zijn jegens

de staat en bereid was dit bezit te verdedigen,

werden in de tijd vóór Marius de legioenen samengesteld uit leden

van de bezittende klasse.
De allerarmste bevolkingsgroep, de z.g. Capite censi,

is die klasse van burgers die daar ze geen of vrijwel geen bezit hadden

niet naar vermogen geschat werden maar naar hun aantal werden

geteld en ingeschreven.
Hun extreme armoede maakte hen zodanig verdacht dat men hen

geen wapens toevertrouwde.
Dit al lang bestaande systeem werd doorbroken door Marius toen hij,
na in 108 tot consul te zijn gekozen, deze bezitlozen opnam in zijn leger
tijdens zijn eerste consulaat in 107 v.Chr.
Door het in het leger opnemen van de Capite censi boorde Marius een

enorme bron van mankracht aan voor zijn leger;

voorzag deze mensen van een geregeld inkomen en deling

in de oorlogsbuit, en zichzelf van hun trouw aan zijn persoon

en niet zoals voorheen, trouw aan de Staat.
Dit was het begin van de opkomst van de ‘Imperators’.
Zich gesteund wetend door hun legers maakten de generaals
in

toenemende mate de dienst uit in de staat en bevochten elkaar de macht.
Marius werd al snel gevolgd door Sulla, Cinna, Pompeius, Caesar,

en door diens achterneef en adoptiefzoon Octavianus;

de laatste der avonturiers en stichter van het principaat,

de latere Augustus.
(Over de capite censi:

Sall.BJ 86 ; Val.Max.2.3,1 ; Plut.Marius 9 ; Gell.16.10,10)  Terug naar tekst

 
   
6. Augures.
Sedert Sulla een college van 15 priesters, onder Julius Caesar
verhoogd tot 16 priesters. Functie o.a. het lezen der voortekenen.
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status, het aanzien
en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia

Terug naar tekst
 
   
7. Marius’ vrouw Julia, overleden in 69 v.Chr.,
was de tante van Julius Caesar de dictator. 
Terug naar tekst
 
   
8.

Volgens Appianus Bell.Civ.I.X,94, pleegde Marius junior zelfmoord.
Volgens Valerius Maximus VI.8,2 = Livius Per.86-88 etc. :
“trachtte Marius iunior zich te verstoppen in een riool,
en was hij slechts licht gewond door Telesinus, met wie hij besloten had te sterven.
Toen plotseling een van zijn slaven hem met een zwaard doorboorde
en hem doodde om hem te behoeden voor de wreedheid van Sulla.”

Sex.Aur. Victor in De Viris Illustribus LXVIII ;
" Terwijl hij zich voorbereidde op de strijd tegen Sulla, ruste hij,
uitgeput door werk en gebrek aan slaap, in de openlucht te Sacriportus.
In zijn afwezigheid werd hij verslagen; hij nam deel aan de vlucht, niet aan de strijd.
Hij zocht toevlucht in Praeneste waar hij werd belegerd door Lucretius Afella.
Hij trachtte via een ondergrondse gang te ontsnappen,
maar merkend dat alles werd bewaakt,
bood hij zich aan Pontius Telesinus aan om gedood te worden.” 
Terug naar tekst

 
   
9.

Campo Savidio nabij Vercellae, halfweg tussen Turijn en Milaan.  Terug naar tekst

 
   
10.

Senatus Consultum Ultimum. (het laatste bevel van de Senaat)
De senaat gaf de consuls bevel
“er op toe te zien dat de Staat geen schade zou ondervinden”
(res publica ne quid detrimenti caperet).
Werd in noodgevallen door de senaat uitgevaardigd en gaf

de consul of magistraat de garantie van de steun van

de senaat voor elke maatregel die deze noodzakelijk achtte

voor het herstel van de normale toestand.
Het maakte aanspraak in staat te zijn tot het opschorten
van een aantal constitutionele controles, cq.

beperkingen van de macht van een magistraat.
De rechtsgeldigheid werd door sommige populares in twijfel getrokken.
Het decreet, strict gesproken, was niet meer dan een aansporing

aan de magistraten om te doen wat toch al hun plicht was om te doen,
d.i. het beschermen van de openbare veiligheid en orde;

het verleende geen, noch kon het enige bijkomende wettige macht

verlenen, noch verleende het specifiek vrijstelling van de wetten.
Het gaf alleen maar uitdrukking aan de instemming
en steun van de senaat voor iedere actie die de magistraat zou nemen.
(Res Gestae I, 6; Macrobius ‘Saturnalia’; Caesar bell. Civ.I.5)

Terug naar tekst

 
   
11.

Cicero ‘Brutus’ XLV 168 (?):
“Mijn verwant M.Gratidius, was een man door en door getraind

in Griekse literatuur, een geboren schrijver,

de intieme vriend van M.Antonius, wiens prefect hij was in Cilicië,
waar hij zijn leven verloor.
Hij zal worden herinnerd als degene die C.Fimbria aanklaagde,
en als de vader van M.Marius Gratidianus.” 
Terug naar tekst

 
   
12.

Gratidianus was waarschijnlijk praetor bis in 82 v.Chr.
Valerius Max. zegt dat hij praetor was in het jaar 82 toen hij

vermoord werd.
(hij had zicht op het consulschap dat echter teniet werd gedaan
door de onwettige verkiezing van C.Marius -15-.
Zijn 2e praetorschap was dus kennelijk een troostprijs. 
Terug naar tekst

 
   
13.

Plutarchus zegt dat Marius overleed op de 17e dag van zijn 7e consulschap.
L.Annaeus Florus zegt dat hij overleed op de 9e dag van zijn

7e consulschap. Terug naar tekst

 
   
14.

ILS 59
C.Marius C.f. cos.VII, pr., tr.pl., q., augur, tr.mil., Extra sortem bellum cum Iugurtha rege Numid. cos. gessit. Eum cepit et triumphans in secundo consulatu ante currum suum duci iussit. Tertium consul apsens1creatus est. IIII cos. Teutonorum exercitum delevit.
V cos.Cimbros fugavit2, ex ieis3 et Teutons iterum triumphavit.
Rem p.4 turbatam seditionibus tr.pl. et praetor., quei5 armati Capitolium occupaverunt, VI cos.vindicavit. Post LXX annum patria per arma civilia expulsus armis restitutus VII cos.factus est. De manibiis Cimbris et Teuton,aedem Honori et Virtuti victor fecit.
Veste triumphali calceis patriciis [in senatum venit] …..
 ■ Dessau : C.Marius consul a.647,650,654,668,praetor a.639

      (Cic.de Off.3.20,79 al.) trib.plebis a.635 (Plut.Mar.4),

      trib.mil.a populo (Sall.Iug.63),augur (Cic.ad Brut.1.5,3).

      De veste triumphali memorata in fine cf.Liv.ep.67,

      Plut.Mar.12. 1.absens. 2.fudit. 3.iis. 4.pub. 5.qui

      (in exemplum Arretinum)  Terug naar tekst