T. Labienus.  RE -6- 

   

Geb. ca.99-98 te Cingulum in Picenum.
1
Overl. in Maart 45 v.Chr. te Munda in Hispania.
2
 
 
   

Functies:

Tribunus militum
3 in Cilicia onder P.Servilius Vatia, consul 79 v.Chr.

proconsul van Cilicia 78-74. 4
Pontifex in 74/73.
5
Tribunus plebis 63.
6
Praetor - waarschijnlijk in 61, 60, of 59 v.Chr.
7
Legatus pro praetore van C.Caesar in Gallia 58-49 v.Chr.
Legatus pro praetore van Cn.Pompeius in Griekenland en Africa 49-45 v.Chr.
 

 

Kort overzicht van Labienus’ belevenissen.

In 78 v.Chr. diende Labienus onder P. Servilius Vatia,
die als proconsul was belast met het onderdrukken van de piraten
en de vernietiging van hun versterkte plaatsen in Cilicia.

Vervolgde in 63, ca. 40 jaar na de gebeurtenis, C.Rabirius voor perduellio
i.v.m. het doden van L.Appuleius Saturninus en diens aanhangers,
waaronder zijn familielid Q.Labienus, in de Curia te Rome.

Sinds 58 v.Chr. Caesars belangrijkste generaal in Gallia, kreeg hij pas in 54

voor het eerst, door Caesar’ afwezigheid i.v.m diens tweede expeditie naar Britannia,

het voorrecht om als legatus pro praetore op te treden als vertegenwoordiger van

de proconsul in de provincie.
Labienus werd achtergelaten met drie legioenen en 2000 man cavalerie
om de haven en de graanbevoorrading veilig te stellen en een
wakend oog te houden op de gebeurtenissen in Gallia. (B.G.5.8.1).
Labienus was gouverneur van Gallia Cisalpina waarschijnlijk vanaf begin

September 50. Caesar zelf was in die tijd in Gallia.
Tijdens zijn terugreis bereikte hem geruchten over Labienus’  vertrek naar Pompeius.

(BG 8.52.)
Op 22 December 50 v.Chr. (Januari 49 vlg. de Romeinse kalender)
voegde Labienus zich bij de consuls en Pompeius te Teanum Sidicinum.
(Cic.ad Att. 7.13a.3; Fam. 14.14.2).
8
Hij vluchtte na de nederlaag der Pompeianen te Pharsalus in Augustus 48
met zijn cavalerie naar Corcyra (Korfoe) en stelde dit onder het bevel van

C.Porcius Cato.
Begaf zich vandaar in gezelschap van Cato
9 op weg naar Pompeius,
doch horende van diens dood (in September 48) in Egypte,
vluchtten zij naar Africa waar zij zich verenigden met de troepen

van Q.Metellus Scipio, de aristocraat die na de dood van Pompeius het bevel

over de Pompeianen had overgenomen.
Gedurende de volgende 18 maanden hield hij zich bezig
met de opbouw van een sterke cavalerie waarin opgenomen
de cavalerie-eenheden geleverd door koning Jaba van Numidia. (Bell. Af.19.3).
Na de nederlaag te Thapsus (nu kaap Râss ed Dimâs in Tunesië) in April 46,
vluchtte Labienus met P.Attius Varus en Sextus Pompeius naar Spanje
en voegde zich hier bij Cn.Pompeius, de oudste zoon van Pompeius Magnus.
Tijdens de slag bij Munda in Spanje voerde hij het bevel over de rechtervleugel
(Bell.Hisp. 31.4;  Dio 43.38.3).
Labienus sneuvelde als één van de leiders der Pompeianen in

Maart 45 v.Chr. te Munda en werd ter plekke begraven.

Vader van
Q.Labienus T.f. RE –5-



Deze werd door Brutus en Cassius naar de Parthen gezonden
om hun hulp te vragen tegen de Caesarianen.
Hij durfde na de slag bij Philippi (in Oct./Nov. 42 v.Chr.)

niet terug te keren naar Rome en bleef in Parthia als een adviseur des konings.
Viel in begin 40 v.Chr. met de Parthische prins Pacorus Syria aan.
Hij noemde zichzelf daarna ‘Parthicus imperator’.
Viel hierna Asia minor binnen waarbij hij de door Marcus Antonius
aangestelde legaat L.Decidius Saxa versloeg en doodde.
Hierop gaf Antonius het commando aan P.Ventidius P.f.Bassus,

procos. Asia en? Syria 40-38 v.Chr.
Labienus junior werd verslagen, vluchtte, en werd tijdens de vlucht gedood.
In begin 38 v.Chr. viel Pacorus aan

doch werd op 9 Juni verslagen bij Zeugma en gedood.

 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1. Caes.BC 1.15.2 ; Silius Italicus, Pun. 10.32-35. (nu Cingoli)  Terug naar tekst  
   
2. Nu Montilla in het zuiden van Spanje.  Terug naar tekst  
   
3.

Tribunus militum: (Krijgstribuun) stafofficier bij de infanterie.
In de republiek waren er twee soorten militaire tribunen,
zij die gekozen waren in de vergadering der tribus
en zij die waren benoemd door de bevelhebber.
Onder het principaat waren dit jongemannen die een senatoriale
of een equestrische carrière ambieerden,
en zij werden overeenkomstig verdeeld in tribuni laticlavi
(met een brede streep op het tuniek) en tribuni augusticlavi

(met een smalle streep).
Elke klasse van tribuni diende gedurende een jaar in een legioen,

maar, daar waar de laticlavi na vervulling van hun jaar militaire dienst
onmiddelijk konden doorgaan naar de politieke senatoriale

cursus honorum, dienden de aspiranten voor een equestrische cursus

- tenminste sinds Claudius -
twee aanvullende functies als officier bij de hulptroepen te vervullen.
De normale volgorde van deze krijgsdienst was praefectus cohortis
(i.e. commandant van een hulp cohort van een infanterie eenheid),
tribunus militum (augusticlavius), en praefectus alae
(i.e. commandant van een hulp ala of van een cavallerie eenheid).
(The Roman legions, by H.M.D.Parker, 1985 (1ste ed. 1928) 
Terug naar tekst

 
   
4.

Daar Sallustius’ Historiën en Livius’ boek 90 verloren zijn gegaan,
zijn wij nu wat betreft de campagne tegen de piraten
aangewezen op de fragmenten van Sallustius
en de uittreksels van Livius die zijn samengevoegd
door H.A.Ormerod in JRS 12 (1922) 35–56 en door Magie,
1.1287–1290 en 2.1167–1174.

(zie ook Ormerod’s Piracy in the Ancient World)   Terug naar tekst

 
   
5.

In zijn jonge jaren trachtte Labienus de gunst te winnen van Sulla
en diens patricische aanhangers. Niet zonder succes gezien zijn

opname in het college der pontifices in 74 of 73 v.Chr.
Wrok van één van de leden zou dit hebben kunnen voorkomen:

Cic. Fam. 3.10.9:

“amplissimi sacerdoti collegium, in quo non modo amicitiam violari apud maiores nostros fas non erat, sed ne cooptari quidem sacerdotem licebat, qui cuiquam ex collegio esset inimicus.”
(“…zeer verheven priestercollege waarin, zoals onze voorvaderen vonden,
niet alleen geen plaats was voor schending van de vriendschapsbanden,
maar dat het zelfs onwettig was iemand te kiezen die in vijandschap

leefde met een lid van het college.”)  Terug naar tekst

 
   
6. Labienus’ vervolging van C. Rabirius voor perduellio (hoogverraad)
voor de moord op de tribuun L. Appuleius Saturninus
was zonder twijfel een politieke vervolging.
(Perduellio omvatte inweze alle misdaden tegen de Staat.)
Onze kennis over Labienus van vόόr 63 v.Chr.
komt van Cicero’s Oratio pro Rabirio perduellionis reo. 
Terug naar tekst
 
   
7.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.
Praetoren konden eventueel i.p.v.een consul met een militair commando worden belast.

Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het bestuur
uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 verhoogd naar 16. 
Terug naar tekst

 
   
8. Mommsen, hierin Dio volgend, verklaarde de overgang naar Pompeius
als het resultaat van trots en gefrustreerde ambitie.
F.E. Adcock veronderstelde gepikeerdheid over Antonius’ bevordering;
R.Syme, dat hij uiting gaf aan een band die hij altijd al had.
In ieder geval lijkt het niet aannemelijk dat het los zou staan
van zijn dienst onder Caesar. 
Terug naar tekst
 
   
9.

Dio 42.10.2–3; 13.2–4; Plut. Cat. Min. 56.1. Volgens Dio (42.13.2),
hoorde Cato van de dood van Pompeius te Cyrene (Cyrenaica).
Holmes (RR 3.220 en 221, noot 6) veronderstelt dat Labienus

van Corcyra naar Africa ging met Afranius en Scipio
en niet met Cato over land ging. 
Terug naar tekst