Ti. Julius Ti. f. Cor. Celsus Polemaeanus  RE -183-

   

Geb. ?
Overl. vóór 117.
 
   

Functies:

Tribunus militum legionis III Cyrenaicae in 69 in Egypte.
1
Adlectus inter aedilicios in 70.
2
Praetor ca. 75-76.
3
Iuridicius onder M.Hirrius Fronto Neratius Pansa, leg. Aug.pr.pr.
onder Vespasianus en Titus in Galatia-Cappadocia in ca. 78-79.
Legatus legionis IIII Scythicae ca. 81-82 in Syria.
4
Proconsul Pontus en Bythinia ca. 84/85.
Praefectus aerari militaris ca. 86-88.
5
Legatus Aug.pro praetore Cilicia ca. 89-91.
Consulsuff. 1 Mei-1 Sept. 92.
6 XV vir.s.f. 7
Curator operum publicorum 93-95.
8
Proconsul van Asia ca. 106/107.

Vader van
Ti.Julius Aquila Polemaeanus, cossuff. 110.

Julius Celsus, geboren in Ephesus of Sardis, van origine behorend tot de ridderklasse
werd in 70 door Vespasianus opgenomen in de klasse der senatoren.
Zijn zoon liet in Ephesus een indrukwekkende bibliotheek
9

ter zijner herinnering bouwen.
Twee ruiterstandbeelden van Celsus flankeren het terras aan de voorzijde,

met op hun voetstukken zijn volledige cursus honorum.
Het gebouw was nog niet geheel voltooid bij de dood van de zoon,
die, de mogelijke gebeurtenis voorziend hebbend,
hierin had voorzien door het opnemen van een fonds in zijn testament.

ILS 8971
Ephesus.
Ti.Julio Ti.f.Cor.Celso Polemaeano cos., procos.Asiae, trib.legionis III Cyrenaicae,
adlecto inter aedilicios ab divo Vespasiano, pr.p.R., leg.Aug.divorum Vespasiani et Titi provinciae Cappadocicae et Galatiae,Ponti,Pisidiae,Paphlagoniae,Armeniae minoris, leg.divi Titi leg.IIII Scythicae, procos.Ponti et Bithyniae, praef.aerari militaris, leg.Aug.pro pr.provinciae Ciliciae, XV vir.s.f., cur.aedium sacrarum et operum locorumque publicorum populi Romani; Ti.Julius Aquila Polemaeanus cos. patrem suum. consummaverunt heredes Aquilae.

 

 
 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Tribunus militum: (Krijgstribuun) stafofficier bij de infanterie.
In de republiek waren er twee soorten militaire tribunen,
zij die gekozen waren in de vergadering der tribus
en zij die waren benoemd door de bevelhebber.
Onder het principaat waren dit jongemannen die een senatoriale
of een equestrische carrière ambieerden,
en zij werden overeenkomstig verdeeld in tribuni laticlavi
(met een brede streep op het tuniek)
en tribuni augusticlavi (met een smalle streep).
Elke klasse van tribuni diende gedurende een jaar in een legioen,
maar, daar waar de laticlavi na vervulling van hun jaar militaire dienst
onmiddelijk konden doorgaan naar de politieke senatoriale

cursus honorum, dienden de aspiranten voor een equestrische cursus

- tenminste sinds Claudius -
twee aanvullende functies als officier bij de hulptroepen te vervullen.
De normale volgorde van deze krijgsdienst was praefectus cohortis
(i.e. commandant van een hulp cohort van een infanterie eenheid),
tribunus militum (augusticlavius), en praefectus alae
(i.e. commandant van een hulp ala of van een cavallerie eenheid).
(The Roman legions, by H.M.D.Parker, 1985 (1ste ed. 1928)

Terug naar tekst

 
   
2. Opgenomen in de senatorenstand met de rang van aediel.   Terug naar tekst  
   
3.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v. een consul met een militair commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het

bestuur uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 geleidelijk verhoogd naar

16 in 44 v.Chr.  

Augustus verlaagde hun aantal tot 12.

Onder zijn opvolgers werden het er 18.  Terug naar tekst

 
   
4.

De titel legatus legionis, bevelhebber over een legioen,

alléén in de keizertijd. Terug naar tekst

 
   
5.

Praefectus Aerarium militare.
Bij de instelling van het principaat door Augustus vond er een

scheiding plaats tussen de inkomsten en uitgaven van de senaat,
zijnde de vertegenwoordigers van het oude Romeinse volk,

de staatsschatkist, en die van de keizer.
De schatkist van de senaat behield zijn oude naam van aerarium Saturni,
die van de keizer werd de Fiscus genoemd.
In het jaar 6 na Chr. werd er een derde schatkist aan toegevoegd,
het aerarium militare, speciaal om te voorzien in de uitbetalingen
aan uitgediende militairen van ontslagpremies,

gage en onderhoud van het leger.
Om de kas gevuld te houden hief Augustus diverse belastingen
waarvan de belangrijkste was de vicesima hereditatum et legatorum,
een vijf procents belasting op alle erfenissen en legaten die toevielen
aan elke Romeinse burger, met uitzondering indien zulks werd nagelaten
door nabije familie leden of onder een bepaald bedrag bleef.
Caracalla maakte er tien procent van maar Macrinus bracht het weer

terug tot vijf procent en uiteindelijk verdween de belasting helemaal.
Tevens werd er een één procents belasting geheven op alle artikelen
die per veiling werden verkocht (centesima rerum venalium),
die door Tiberius werd verlaagd tot een half procent (ducentesima),
deze werd onder Caligula afgeschaft voor Italië.
Verder werd er nog twee procent (quinquagesima) belasting geheven

– later verhoogd tot vier procent (quinta et vicesima) –
over de aankoop waarde van elke verkochte slaaf.
Ongetwijfeld werd ook de oorlogsbuit die niet was verdeeld
onder de soldaten in de militaire kas gestort. 
Terug naar tekst

 
   
6.

De consul suffectus (plaatsvervangend consul) kwam vooral in zwang

tijdens het principaat.
Ondanks het feit dat het ambt onder de keizers vrijwel geheel

was ontdaan van enige echte macht of zeggenschap in het bestuur van

de staat werd het toch nog gezien als het hoogst bereikbare binnen

de cursus honorum.
Mede doordat de keizers zelf vaak jaren achtereen beslag legden

op het ambt en er toch elk jaar nieuwe kandidaten kwamen werden de

naamgevende consuls – de consul ordinarius

(de consuls die aan het begin van het jaar aantraden
en met wiens namen het betreffende jaar werd aangeduid) -
na enige tijd vervangen door suffecti zo dat er meer mensen beloond

konden worden voor hun verdiensten jegens de keizer.  Terug naar tekst

 
   
7. Quindecemviri sacris faciundis.
De 15 mannen hielden toezicht op de Sibillijnse boeken,
toezichtop buitenlandse godsdiensten in Rome,
en het brengen van zoenoffers ter afwering van ongunstige voortekenen. (prodigia)
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia) 
Terug naar tekst
 
   
8. Curator operum publicorum: directeur van Openbare Werken.  Terug naar tekst  
   
9.

Bibliotheek van Celsus te Ephesus  
Terug naar tekst