|
Cn. Julius L. f. Ani. Agricola. |
||||
|
en van Julia Procilla. |
||||
|
||||
|
Functies: de ornamenta triumphalia
verleend. 10 |
||||
|
Kort overzicht van
Agricola’s belevenissen. de Leg.Aug.pro pr.
van deze provincie, overschaduwd door de dood van zijn
eerder geboren zoon. omdat hij wist dat, zoals Tacitus het uitdrukt: in het afleggen van de eed van trouw aan de nieuwe kleizer,
Vespasianus. een op Agricola’s krijgsroem jaloerse keizer Domitianus heerste, zodat Agricola het verstandig vond om niet te veel de aandacht te
trekken rust
en conversatie met vrienden. zijn vrouw Decidiana en
dochter Julia. (Cf.Tac.
Agric.40.) |
||||
| Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten) | ||||
| 1. | Frèjus, Frankrijk. Terug naar tekst | |
| 2. | Agricola’s vader werd in 39/40 door Caligula ter dood gebracht wegens zijn weigering om M.Junius Silanus, consulsuff. 15, (of de consul van 19), te vervolgen. M.Julius L.f.Ani./Graecinus quaestor f.- Terug naar tekst |
|
| 3. | Tribunus
militum: (Krijgstribuun) stafofficier bij de infanterie. zij die gekozen waren in de vergadering der tribus en zij die waren benoemd door de bevelhebber. of een equestrische carrière ambieerden, en zij werden overeenkomstig verdeeld in tribuni laticlavi (met een brede streep op het tuniek) en tribuni augusticlavi (met
een smalle streep). cursus honorum, dienden de aspiranten voor een equestrische cursus - tenminste sinds
Claudius - |
|
| 4. | Quaestoren. (schatkist) en het archief, onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a.
tot 28 v.Chr.) – vrijwel altijd
patriciërs – proconsuls van de senaats provincies: 2 consulaire en 8 praetoriaanse. verhoogd
tot 40. |
|
| 5. | Tribunus plebis. De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus), ongeldig verklaren door zijn veto (intercessio). aan de tribuun ontnomen. Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had (ius agendi). en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen, |
|
| 6. | Praetoren. Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij een vreemdeling
was betrokken. worden belast. het bestuur
uitoefenen over een provincie. 16 in 44 v.Chr. Onder zijn opvolgers werden het er 18. Terug naar tekst |
|
| 7. | Opgenomen in de stand der patriciërs. Terug naar tekst | |
| 8. | Ondanks het feit dat het ambt onder de keizers vrijwel geheel was ontdaan van enige echte macht of zeggenschap in het bestuur van de staat werd het toch nog gezien als het hoogst bereikbare binnen de cursus
honorum. op het ambt en er toch elk jaar nieuwe kandidaten kwamen werden de naamgevende consuls – de consul ordinarius (de consuls die aan het begin van het jaar aantraden en met wiens namen het betreffende jaar werd aangeduid) - konden worden voor hun verdiensten jegens de keizer. Terug naar tekst |
|
| 9. | Pontifices. Sedert Sulla een college van 15 priesters onder voorzitterschap van de Pontifex maximus; in totaal dus 16 priesters. Zij hielden o.a. toezicht op de godsdiensten. (Vanaf 12 v.Chr. waren alle opeenvolgende princeps pont.max.) Alle priesterschappen golden normaal voor het leven. Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn van één en dezelfde priesterorde. Alle priesterschappen verhoogden de sociale status, het aanzien en de politieke invloed van de houder. Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden: pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum. (quattuor amplissima sacerdotia) Terug naar tekst |
|
| 10. | Ornamenta
triumphalia. waarbij de zegevierende generaal Rome
binnentrok gestelde eisen, kwamen in aanmerking voor de ornamenta triumphalia, (Zie A.Gell.5, 6) Terug naar tekst |
|