Cn. Julius L. f. Ani. Agricola.

   


Geb. 13-6-40 te Forum Iulii
1 in Gallia Narbonensis.
Overl. 23-8-93 nabij Rome.

Zoon van L.Julius Graecinus,
2 praetor,

en van Julia Procilla.

 
 

Huwde in 61 met Domitia Decidiana,
dochter van Decidius Domitius, quaestor aerarii 44, praetor.

Hieruit:
1. een zoon geboren en overleden in 63.
2. Julia Agricola, geb. in 64,

    huwde in 78 met P.Cornelius Tacitus, consul, geschiedschrijver.
3. een zoon, geboren in 83 en overleden in 84.

 
   

Functies:

Trib. militum in 58-61?
3 onder C.Seutonius Paullus,
en onder diens opvolger P.Petronius Turpilianus. (61-63)
Quaestor 63 in Asia
4 onder L.Salvius Otho Titianus.
Proconsul Asia 63-64.
Tribunus plebis in 66.
5 praetor in 67 (68) 6
Legatus legionis XX Valeria Victrix in 70,
onder M.Vettius Bolanus, en onder Q.Petillius Cerialis Caesius Rufus.
Adlectus inter patricios in 71 door Vespasianus.
7
Legatus Augusti pro praetore Aquitania 74-76.
Consulsuffectus in 77.
8
Pontifex.
9
Leg.Aug.pro pr. Britannia 77/78-84.
Voor zijn verrichtingen in Britannia werden hem

de ornamenta triumphalia verleend. 10
 

 

Kort overzicht van Agricola’s belevenissen.

Agricola studeerde in zijn jeugd te Massilia (Marseille in Frankrijk),
en ontwikkelde een grote voorliefde voor filosofie,
een voorkeur die onder invloed van zijn verstandige moeder
al vrij snel door rede en ervaring gematigd werd.
Hij begon zijn militaire opleiding als tribuun laticlavius in Britannia
tijdens de opstand van de Iceni en de Trinovantes
aangevoerd door Boudicca onder Suetonius Paulinus,

de Leg.Aug.pro pr. van deze provincie,
en diende vervolgens onder diens opvolger P.Petronius Turpilianus.
Na zijn terugkeer in Rome begon hij aan zijn cursus honorum
en huwde in die tijd met Domitia Decidiana.
Als quaestor in 63 werd hem door loting de provincie Asia toegewezen,
onder de proconsul L.Salvius Otho Titianus (oudere broer van keizer Otho).
Hier werd zijn dochter Julia geboren; een vreugdevolle gebeurtenis al snel

overschaduwd door de dood van zijn eerder geboren zoon.
De jaren tussen zijn quaestuur en praetuur bracht hij zo rustig mogelijk door

omdat hij wist dat, zoals Tacitus het uitdrukt:
‘ten tijde van Nero gold indolentie als wijsheid.’ (Agr.6)
In Maart 69 werd zijn moeder door plunderende soldaten van Otho gedood
op haar landgoed te Intimilium in Liguria.
Mogelijk was dit één van de redenen dat hij zich aansloot bij Vespasianus’ partij.
In 70 werd hij belast met het bevelhebberschap over het 20ste legioen
dat onder de milde Vettius Bolanus tekenen gaf van oproer en traag was

in het afleggen van de eed van trouw aan de nieuwe kleizer, Vespasianus.
Hierna diende hij onder Bolanus’ opvolger Q.Petillius Cerialis.
Bij zijn terugkeer in Rome werd hij door Vespasianus in 71 opgenomen
in het patriciaat en werd hem later de provincie Aquitania toegewezen.
Al snel gevolgd door het consulaat, en een pontificaat.
Als leg.Aug.pro pr.Britannia versloeg hij o.a. in noord-Wales de stam der Ordovices
en heroverde het eiland Mona. (Anglesey)
Na ca. zeven jaar keerde hij terug naar Rome waar op dat moment

een op Agricola’s krijgsroem jaloerse keizer Domitianus heerste,

zodat Agricola het verstandig vond om niet te veel de aandacht te trekken
en zich terugtrok op zijn landgoed
waar hij zijn tijd doorbracht in

rust en conversatie met vrienden.
Veel rust werd hem echter niet gegund door de keizer en diens vleiers,
aanklachten en vernederingen moest hij zich laten welgevallen
tot dit alles zijn gezondheid aantastte en hij overleed in zijn 53e levensjaar.
Ongetwijfeld ter bescherming van zijn vrouw en dochter
bleek bij het openen van zijn testament dat Agricola Domitianus
als mede-erfgenaam had benoemd tezamen met

zijn vrouw Decidiana en dochter Julia.
Hetgeen Tacitus deed opmerken dat alléén een slechte keizer
door een goede vader als erfgenaam zou worden genoemd.

(Zie, Tac.Agricola; Dio 39. 50, 4; 66. 20, 1,2; Dio LXVI.20, 3:
  "Agricola ontving de ornamenta triumphalia van Titus."
(Titus is een fout, de ere-tekenen werden verleend door Domitianus.)

(Cf.Tac. Agric.40.)

 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1. Frèjus, Frankrijk.  Terug naar tekst  
   
2.

Agricola’s vader werd in 39/40 door Caligula ter dood gebracht wegens

zijn weigering om M.Junius Silanus, consulsuff. 15, (of de consul van 19),

te vervolgen.
Agricola had een oudere broer M.Julius Graecinus, quaestor.
Zie: L.Julio L.f.Ani./Graecina tr.pl., pr./

       M.Julius L.f.Ani./Graecinus quaestor f.-   Terug naar tekst

 
   
3.

Tribunus militum: (Krijgstribuun) stafofficier bij de infanterie.
In de republiek waren er twee soorten militaire tribunen,

zij die gekozen waren in de vergadering der tribus

en zij die waren benoemd door de bevelhebber.
Onder het principaat waren dit jongemannen die een senatoriale

of een equestrische carrière ambieerden, en zij werden overeenkomstig

verdeeld in tribuni laticlavi (met een brede streep op het tuniek) en

tribuni augusticlavi (met een smalle streep).
Elke klasse van tribuni diende gedurende een jaar in een legioen,
maar, daar waar de laticlavi na vervulling van hun jaar militaire dienst
onmiddellijk konden doorgaan naar de politieke senatoriale

cursus honorum, dienden de aspiranten voor een equestrische cursus

- tenminste sinds Claudius -
twee aanvullende functies als officier bij de hulptroepen te vervullen.
De normale volgorde van deze krijgsdienst was praefectus cohortis
(i.e. commandant van een hulp cohort van een infanterie eenheid),
tribunus militum (augusticlavius), en praefectus alae
(i.e. commandant van een hulp ala of van een cavallerie eenheid).
(The Roman legions, by H.M.D.Parker, 1985 (1ste ed. 1928) 
Terug naar tekst

 
   
4.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies met de

proconsuls van de senaats provincies:

2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren

verhoogd tot 40.

Volgens Mommsen in ‘Römisches staatsrecht’:
20 quaestores, waarvan: 2 quaestores Augusti; 2 quaestores urbani;
4 quaestores consulum; en 12 quaestores provinciae.
(Let op! Het feit dat Mommsen.spreekt van q. Aug. houdt in
dat hij doelt op de tijd van het principaat,
terwijl het bovengenoemde in feite duidt op de tijd van de republiek
.) 
Terug naar tekst

 
   
5.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat.

De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus),
kon elk besluit, ook van consuls en senaat,

ongeldig verklaren door zijn veto (intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr. werd o.a. dit vetorecht

aan de tribuun ontnomen. 

Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had
tot de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carrière,
wat precies de bedoeling was van Sulla.
In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,
met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen de kandidatuur voor andere magistraatsfuncties toe te staan,
zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio) en door de volksvergadering laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeenroepen en besluiten voor leggen

(ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebejers te beschermen

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;

en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.”
 

Terug naar tekst

 
   
6.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v. een consul met een militair commando

worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor

het bestuur uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 geleidelijk verhoogd naar

16 in 44 v.Chr.
Augustus verlaagde hun aantal tot 12.

Onder zijn opvolgers werden het er 18. Terug naar tekst

 
   
7. Opgenomen in de stand der patriciërs.  Terug naar tekst  
   
8.

Ondanks het feit dat het ambt onder de keizers vrijwel geheel

was ontdaan van enige echte macht of zeggenschap in het bestuur

van de staat werd het toch nog gezien als het hoogst bereikbare binnen

de cursus honorum.
Mede doordat de keizers zelf vaak jaren achtereen beslag legden

op het ambt en er toch elk jaar nieuwe kandidaten kwamen werden de

naamgevende consuls – de consul ordinarius

(de consuls die aan het begin van het jaar aantraden

en met wiens namen het betreffende jaar werd aangeduid) -
na enige tijd vervangen door suffecti zo dat er meer mensen beloond

konden worden voor hun verdiensten jegens de keizer.  Terug naar tekst

 
   
9. Pontifices.
Sedert Sulla een college van 15 priesters onder voorzitterschap
van de Pontifex maximus; in totaal dus 16 priesters.
Zij hielden o.a. toezicht op de godsdiensten.
(Vanaf 12 v.Chr. waren alle opeenvolgende princeps pont.max.)
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia

Terug naar tekst
 
   
10.

Ornamenta triumphalia.
Tijdens het principaat kwamen alleen leden van de keizerlijke familie
in aanmerking voor een volle triomf (curulis triumphus).
Dit was een plechtige optocht,

waarbij de zegevierende generaal Rome binnentrok
gezeten in een zegewagen (currus) getrokken door vier paarden.
Hij werd voorafgegaan door belangrijke krijgsgevangenen en oorlogsbuit,
en gevolgd door zijn troepen.
Na in statie over de Via Sacra (heilige weg) te zijn gegaan,
besteeg hij de Capitolijnse heuvel om in de tempel van Jupiter te offeren.
(W. Ramsay, Smith’s Dict.)
De niet tot de keizerlijke familie behorende generaals,
indien de door hen behaalde overwinning had voldaan aan een aantal

gestelde eisen, kwamen in aanmerking voor de ornamenta triumphalia,
de versierselen van een triomf;
zoals o.a. het recht tot het dragen van de mantel van een imperator,
de titels, en het recht van zijn nageslacht op triomfale standbeelden.

(Zie A.Gell.5, 6)  Terug naar tekst