P. Cornelius P. f. P. n. Lentulus Spinther RE -239-

   

Geb. ca.73-72 v.Chr.
Overl. Oct./Nov. 42 v.Chr. te Philippi.
1

Zoon van P.Cornelius P.f.Lentulus Spinther, cos.57 v.Chr.
 
 
Huwde, mogelijk ca. 53 v.Chr., met Caecilia Metella,
dochter van Q.Caecilius Q.f.Metellus Celer, cos. 60 v.Chr.,
en van Clodia, dochter van Ap.Claudius Pulcher, cos. 79 v.Chr.

Scheiding in 45 v.Chr.
2

 
   

Kort overzicht van Lentulus’ belevenissen en functies.

Werd in 57 door adoptie opgenomen in de gens der Manlii Torquati,
hij gebruikte deze naam echter nimmer.
Toga virilis 57. Augur 57 v.Chr.
3

Vergezelde zijn vader naar Griekenland in 49, bevond zich in 47 in Alexandria,
maar was in de zomer van 45 terug in Italië.
4

Quaestor
5 in Cilicia onder de proconsul van Asia 44-43 C.Trebonius.
Hij nam na de moord op Trebonius in Januari 43 te Smyrna
door de proconsul van Syria P.Cornelius Dolabella,
het bestuur van deze provincie op zich als pro quaestor pro praetore.
Diende in 43 en 42 onder Cassius Longinus tegen Rhodos
en onder M.Junius Brutus voerde hij het bevel over Myra in Lycia.

De scheiding van Metella in 45 vond plaats wegens haar overspel met P.Dolabella,
dit was gaande zeker sinds 47 v.Chr., e.e.a. tot woede van Cicero,
wiens dochter Tullia tot 46 gehuwd was met Dolabella.

Lentulus junior had er geen recht op maar claimde wel zijn aandeel aan

de moord op Julius Caesar. 6, hetgeen waarschijnlijk uiteindelijk de reden is geweest
voor zijn terechtstelling door Marcus Antonius en Octavianus.

Voor zijn eigen verslagen over zijn activiteiten in het Aegeïsche gebied,
zie zijn brieven aan Cicero en de senaat (Cic.ad Fam.XII.14, 15).

 

 
 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Schijnt na Philippi te zijn terechtgesteld, precieze details zijn niet bekend.

  Terug naar tekst

 
   
2. Horatius, Sat.II.3.239.  Terug naar tekst  
   
3. Augures.
Sedert Sulla een college van 15 priesters, onder Julius Caesar
verhoogd tot 16 priesters. Functie o.a. het lezen der voortekenen.
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia

Terug naar tekst
 
   
4. Cicero ad Fam.XII.52.  Terug naar tekst  
   
5.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies
met de proconsuls van de senaats provincies:

2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr. het aantal quaestoren

verhoogd tot 40.

Volgens Mommsen in ‘Römisches staatsrecht’:
20 quaestores, waarvan: 2 quaestores Augusti; 2 quaestores urbani;
4 quaestores consulum; en 12 quaestores provinciae.
(Let op! Het feit dat Mommsen.spreekt van q. Aug. houdt in
dat hij doelt op de tijd van het principaat, terwijl het bovengenoemde
in feite duidt op de tijd van de republiek.) 
Terug naar tekst

 
   
6. Appianus,B.C.II.119; Plut. Caes. 67.  Terug naar tekst