C. Bruttius L. f. Pom. Praesens L. Fulvius Rusticus. 1

Zoon van L.Bruttius Pom. Praesens,
praetoriaans senator afkomstig uit Lucanië, proconsul van Cyprus.
2

 
 
 

Geb.

Overl.140.

 

Functies:

Tribunus militum
3 uiterlijk in 93 in de laatste oorlog van Domitianus.
Praetor ca.104.
4
Legatus legionis VI Ferrata onder Traianus (ca.114/115) in diens

Parthische oorlogen.
Curator viae Latinae ca.115/116.
5
Legatus Augusti pro praetore Cilicia Tracheia 117.
6
Consul suffectus 118/119,
7

Curator operum publicorum.

Legatus Aug.pro pr. Moesia inf. 124 - ca.128.
Legatus Aug. pro pr. Cappadocia.

Proconsul Africa 134/135.

Legatus Aug.pro pr. Syria ca.136. 8
Consul. II, ord.139 met als collega keizer Antoninus Pius.

Mogelijk praef.urbis 138/9-140.

 
   

Huwde met Laberia Hostilia Crispina 9,
dochter van M’. Laberius Maximus, cossuff. 87, cos. II, ord. 103.

Hieruit:
L.Fulvius C.f.Pom.C.Bruttius Praesens Min[------] Valerius Maximus
Pompeius L[----] Valens Cornelius Proculus [---------] Aquilius Veiento,
cos.ord. 153, cos.ord. II, 180 
ILS 1117

Functies:
Tribunus militum legionis III Gallicae onder Antoninus Pius.
Quaestor Augusti.
10
Tribunus plebis of aedilis,
11 praetor, consul ord. 153.
sodalis Antonianus item Verianus, item? Marcianus.
12
Consul II, ord. 180.

Vader van Crispina Augusta en L.Bruttius Quintius Crispinus, consul ord.187 en

C.Bruttius Praesens, consul ord.217.

 

 
 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Praesens, cossuff. 119, was een vriend van Plinius (Zie ep.VII.3)  Terug naar tekst

 
   
2. AE 1950,122.  Terug naar tekst  
   
3.

Tribunus militum: (Krijgstribuun) stafofficier bij de infanterie.
Onder het principaat waren dit jongemannen
die een senatoriale of een equestrische carrière ambieerden,
en zij werden overeenkomstig verdeeld in tribuni laticlavi
(met een brede streep op het tuniek) en

tribuni augusticlavi (met een smalle streep).
Elke klasse van tribuni diende gedurende een jaar in een legioen, maar,
daar waar de laticlavi na vervulling van hun jaar militaire dienst
onmiddellijk konden doorgaan naar de politieke senatoriale

cursus honorum, dienden de aspiranten voor een equestrische cursus

- tenminste sinds Claudius -
twee aanvullende functies als officier bij de hulptroepen te vervullen.
De normale volgorde van deze krijgsdienst was praefectus cohortis
(i.e. commandant van een hulp cohort van een infanterie eenheid),

tribunus militum (augusticlavius), en praefectus alae
(i.e. commandant van een hulp ala of van een cavallerie eenheid).
(The Roman legions, by H.M.D.Parker, 1985 (1ste ed. 1928) 
Terug naar tekst

 
   
4.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v.een consul met een militair commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het bestuur

uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 geleidelijk verhoogd naar

16 in 44 v.Chr.

Augustus verlaagde hun aantal tot 12.

Onder zijn opvolgers werden het er 18.  Terug naar tekst

 
   
5. Ambtenaar belast met de zorg (cura) cq. onderhoud van de Latijnse weg.  Terug naar tekst  
   
6.

Cilicia Tracheia.
Een nieuwe keizerlijke provincie,
(ontstaan door de samenvoeging van Cilicia Tracheia en Cilicia Pedius

in 72 na Chr.) bestuurd door legaten van praetoriaanse rang:

Legati Augusti pro praetore.
Praesens moet als keizerlijk legaat op de hoogte zijn geweest
van de gebeurtenissen ten tijde van de ‘adoptie’ van Hadrianus. 
Terug naar tekst

 
   
7.

De consul suffectus (plaatsvervangend consul) kwam vooral in zwang

tijdens het principaat.
Ondanks het feit dat het ambt onder de keizers vrijwel geheel

was ontdaan van enige echte macht of zeggenschap in het bestuur van

de staat werd het toch nog gezien als het hoogst bereikbare binnen

de cursus honorum.
Mede doordat de keizers zelf vaak jaren achtereen beslag legden

op het ambt en er toch elk jaar nieuwe kandidaten kwamen werden de

naamgevende consuls – de consul ordinarius

(de consuls die aan het begin van het jaar aantraden
en met wiens namen het betreffende jaar werd aangeduid) -

na enige tijd vervangen door suffecti zo dat er meer mensen beloond

konden worden voor hun verdiensten jegens de keizer.

(vlg. Picard hield hij dit ambt in 124)  Terug naar tekst

 
   
8. IG. IV 2454, Epidaurus.   Terug naar tekst  
   
9.

Laberia Hostilia Crispina was de grootmoeder van keizerin Crispina.
 ■ Voor Laberia’s testament: CIL.IX.4512 Amiternum (Zuid Italië)
      Zie tevens: CIL.IX.338, 425n, 4232,VIII, 110 Capoci Africa.
      (Zie Commodus)

PIR. L 15
Laberia Marcia Hostilia Crispina Moecia Cornelia, M’.Laberii Maximi bis consulis filia, uxor C.Bruttii Praesentis bis consulis, mater consulis homonymi, avia L.Bruttii Quintii Crispini
(B 169) et Bruttiae Crispinae Augustae (B 170).
(Obiit inter annos 153 et 180, i.e. inter consulatus 1 et 2 filii. 
Terug naar tekst

 
   
10.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,
onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciers –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies
met de proconsuls van de senaats provincies:

2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren verhoogd tot 40. 
Terug naar tekst

 
   
11.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat.
De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus), kon elk besluit,
ook van consuls en senaat, ongeldig verklaren door zijn veto

(intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr. werd o.a. dit vetorecht

aan de tribuun ontnomen.

Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had tot

de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carrière,
wat precies de bedoeling was van Sulla.
In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,
met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen de kandidatuur
voor andere magistraatsfuncties toe te staan,
zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio)
en door de volksvergadering laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeenroepen en besluiten voor leggen

(ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebeans te beschermen

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;

en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.” 

 
Terug naar tekst

 
   
12.

De sodales vormde een priestercollege aan wie
de cultus van een vergoddelijkte keizer was opgedragen.
Tijdens de keizertijd waren er in totaal vier van zulke colleges:
1.De sodales Augustales, ingesteld voor de verering van de tot god

verheven Augustus.
Na de vergoddelijking van Claudius werd deze uitgebreid
tot de sodales Augustales Claudiales.
2.Hetzelfde gebeurde met de sodales Flaviales,
een priesterschap ingesteld voor de verering van de vergoddelijkte

Vespasianus; dit college werd na de vergoddelijking van zijn zoon

en opvolger Titus uitgebreid tot sodales Flaviales Titiales.
3.De sodales Hadrianales en, 4. de in 161 gecreërde sodales Antonianii.
Elke sodalitas zorgde voor de cultus van de keizers behorende tot hetzelfde huis. 

Terug naar tekst


ILS 1117
L.Fulvio C.f.Pom… [C] Bruttio Praesenti Min… Valerio Maximo Pompeio L… Valenti Cornelio Proculo … Aquilio Veientoni cos.II1, pr[ocos.prov…., patri] [C]r[i]spinae Aug., socero2 imp.Caes.Commodi Aug. Sodali Hadrianali, sodali Antonin[iano item Veriano item] Marciano, comiti impp.Ant[onini et Commodi Augg.] expeditionis Sarmaticae, p[raet., trib.pleb., quaes]tori Aug., tr.mil.leg.III Gallic[ae], donis milit. Donato ab Imp.divo Antonino Aug.P[io]
 ■ Volceiis (Buccino) in Lucania. 1.consul 180. 2. zie Vita Marc.27,8

Terug naar tekst