L. Antonius M. f. M. n. Pietas RE -23-

Geb. ?
Overl. ca. 40 v.Chr. te Hispania.

Zoon van M.Antonius Creticus, praetor 74 v.Chr.,
en van Julia,

dochter van L.Julius Caesar, consul in 90 v.Chr.
 

 
 
   

Functies:

Quaestor
1 in Asia in 50 v.Chr, onder Q.Minucius Thermus, de pro praetor Asia 52-50.
Proquaestor pro praetore Asia 49.
Tribunus plebis 44 v.Chr.
2
Consul in 41 v.Chr.
3
Proconsul Hispania 40.

Lucius assisteerde zijn broer Marcus Antonius te Mutina.

Problemen met Octavius in 41 v.Chr. leidden er toe dat Lucius zich

– met Fulvia, echtgenote van Marcus – legerde te Perusia waar hij werd

omsingeld door drie legers onder bevel van Agrippa, Octavius, en Salvidienus.
Zij ontvingen zeer terughoudende hulp van de Antonianen:
C.Asinius Pollio, consul in 40, L.Munatius Plancus, consul in 42,
en P.Ventidius Bassus, consulsuffectus in 43.
Gedreven door honger, ziektes en uitputting zag Lucius zich in 40 v.Chr.

gedwongen tot overgave.
Na zijn overgave aan Octavius werd Lucius Antonius door deze benoemd
tot proconsul in Hispania voor het jaar 40.
Lucius overleed kort hierop aldaar.

(App.Bell,Civ.V.14 ff.; Dio 48.4-15; Suet.Aug.15.)
 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders. 

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.
10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies
met de proconsuls van de senaats provincies:

2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr. het aantal quaestoren

verhoogd tot 40.  Terug naar tekst

 
   
2.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat. De tribuun was onschendbaar

(sacro sanctus), kon elk besluit, ook van consuls en senaat, ongeldig

verklaren door zijn veto (intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr. werd o.a. dit vetorecht

aan de tribuun ontnomen.

Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had

tot de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carrière,
wat precies de bedoeling was van Sulla.

In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,

met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen
de kandidatuur voor andere magistraatsfuncties toe te staan,
zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio) en door de volksvergadering

laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeen roepen en besluiten voor leggen

(ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebejers te beschermen

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;

en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.”

Terug naar tekst

 
   
3.

Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Tezamen vormden zij de twee hoogste ambtenaren in de

Romeinse republiek.
Zij hadden tot taak het bijeenroepen van de senaat en de

volksvergadering, waarvan zij de besluiten uitvoerden.
In oorlog waren zij belast met het opperbevel.
Als proconsul waren zij belast met het bestuur van een

(consulaire) provincie.  Terug naar tekst