OSTIA, HAVENSTAD VAN ROME

Met de groei van de bevolking van Rome ontstond er een groeiende behoefte aan graan dat

aangevoerd moest worden vanuit Sicilië, Sardinië, Africa en tevens en in toenemende mate uit Egypte.

Te Ostia – gelegen aan de Tibermonding op ca.30 km van Rome - werden deze zeeschepen

gelicht of overgeladen en vervolgens werd het graan in trekschuiten over de Tiber

naar Rome vervoerd waar het werd opgeslagen in graanpakhuizen.

Door verzanding van de haven aan het vlakke zandstrand kwam de graantoevoer naar

Rome in gevaar en daardoor ontstond het risico van hongersnood en volksopstanden.

 

Keizer Claudius pakte in 42 de zaken groots aan en liet op enige afstand ten noorden van de oude

riviermonding in elf jaar tijds een kunstmatige haven aanleggen die de schepen bescherming

moest bieden tegen stormwinden.

Het geheel werd door een kanaal verbonden met de Tiber.
Om verzanding te voorkomen werden twee gebogen strekdammen in zee aangelegd. 

Portus, met haar nieuwe graanpakhuizen (horrea), overvleugelde al snel de oude haven van Ostia

hetgeen nog versterkt werd door de aanleg van een tweede binnenhaven
in de jaren 100-112 onder keizer Traianus.  

Via het door Claudius alreeds aangelegde kanaal, dat tot aan de zee werd doorgetrokken (Fossa Traiana),
kwam er een verbinding tot stand met de Tiber. (Deze haven, Centum Cellae, is het huidige Civita Vecchia)

Door de aanleg van de Fossa Traiana ontstond er tussen Ostia Antica en Portus een eiland,

het Heilige eiland (Isola Sacra), gewijd aan de Dioscuri Castor en Pollux, zonen van Zeus en Leda.

 

Daar waar in latere tijd de Via Portuensis
- de straatweg gelegen direct naast de rechter Tiberoever die Portus met Rome verbond -
door het drukke verkeer nog werd onderhouden, verkeerde de Via Ostiensis -

gelegen op enige afstand van de tegenoverliggende Tiberoever - in een deplorabele toestand.

In 314 ontnam Constantijn I Ostia haar stadsrechten en droeg deze over aan Portus
en hernoemde het Civitas Flavia Constantiniana, gewoonlijk Portus Romae genoemd.

 

(Uit de inscriptie Thylander B336,

van de praef.annonae Madalianus, gevonden in de cella van Hercules te Portus,

heeft men afgeleid dat Constantijn I de stad Portus onafhankelijk heeft gemaakt van Ostia)

 

Tot de tijd van Claudius had een ‘quaestor Ostiensis ‘ de leiding over de haven

(cf.Mommsen, St.R.II, pp 571 f.), daarna werd een keizerlijk ‘procurator portus Ostiensis

(CIL XIV.163) benoemd; een keizerlijke ex-slaaf, welke later werd vervangen
door de 'procurator annonae' of 'ad annonam Ostis of Ostiae'.

 

De vigiles (brandweer en nachtwacht) van Ostia en ook die van Portus behoorden tot

de Romeinse cohortes, en dienden gedurende periodes van vier maanden in de havenstad.

Oorspronkelijk waren er waarschijnlijk 320 vigiles gestationeerd in deze havens;

vier detachementen van elk 80 man.

Dit aantal werd in 205 onder Severus en zijn zoon Caracalla verdubbeld;

320 vigiles in Ostia en een gelijk aantal vigiles in Portus.

(Vlg.Suet.Claud.25,2  had Claudius één cohort (zeven detachementen) in de havens gelegerd)

 

Na drie dienstjaren hadden de vigiles recht op gratis graanverstrekking van de keizer
op een vastgestelde dag en plaats in de Porticus Municia Frumentaria in Rome.

 

Het ontbreken van inscripties gewijd aan keizers na Gordianus III doet vermoeden

dat de vigiles Ostia hadden verlaten in de tweede helft van de derde eeuw.
In Portus bleven de vigiles wel actief.

 

Tegen de negende eeuw was het afgelopen met Ostia en Portus.

De val van het Romeinse rijk in 476 door de door de germaan Odoaker afgedwongen aftreding van

keizer Augustulus, verwaarlozing en verzanding van de havens, de verovering en ontruiming van Rome

door de Ostrogothische koning Totila in 547, de zeeslag tegen de Saracenen in 848,
al deze factoren droegen bij aan de ondergang van de beide havens Ostia en Portus (Utriusque) .