CURSUS HONORUM (certus ordo magistratuum)

onder de Lex Villia Annalis 1 van 180 v.Chr.

tot aan Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr.

 
 

Minimum leeftijden (suo anno, “in zijn jaar”) voor:

 
Consul 2 42 jaar
Praetor 3 39 jaar
Aedilis curulis  36 jaar
Aedilis plebeii 4 36 jaar
Quaestor  5 27 jaar
 

Voordat men als quaestor kon toetreden tot de sociaal meest vooraanstaande orde der senatoren,

diende men eerst zijn decem Stipendia te hebben voltooid.

 

De minimum leeftijd voor deze militaire dienst was 17 jaar, behalve gedurende de periode vóór

123 v. Chr. toen een leeftijd van 15 jaar in uitzonderingsgevallen mogelijk lijkt te zijn geweest.

In deze gevallen lijkt de minimum leeftijd voor de cursus honorum 25 jaar te zijn geweest,

misschien omdat de mans militaire dienst voortijdig was begonnen.

 

Een lager militair officier, b.v. een tribunus militum, was minstens 18 jaar en indien hij een

door verkiezingen gekozen tribunus militum was minstens 22 jaar.

 

Een senatoriaal legatus – noodzakelijkerwijs een senator en zodoende  bijna zeker van

post-quaestoriaansche leeftijd – moet minstens 28 jaar zijn geweest –

mogelijk 26 jaar gedurende de periode vóór 123 v.Chr.

 

Een kandidaat voor het volkstribunaat (tribunus plebis) zou normaal minimaal 27 jaar zijn.

Deze functie viel buiten de cursus Honorum, doch kon evt. 3 jaar na het quaestorschap

worden uitgeoefend. Het ambt gaf toegang tot de senaat. De tribuun was onschendbaar

en kon elk besluit, ook van consuls en senaat, ongeldig verklaren door zijn veto (intercessio).

Zij traden in functie op 10 december voorafgaand aan hun ambtsjaar.

 
 
 

De Cursus Honorum onder Sulla van 81 v. Chr. (sine repulsa)

(Lex Cornelia de magistratibus) van L.Cornelius Sulla Felix)

 
Consul 42 jaar
Praetor 39 jaar
Aedilis curulis 36 jaar
Quaestor 30 jaar
 

Onder Sulla werd het aantal praetoren verhoogd van de 6 onder de Lex Villia, tot 8.

Na de praetuur werden zij provinciale propraetors.

 

In de Republiek was de minimum leeftijd voor een praetor 39 jaar,

met mogelijk een dispensatie van 2 jaar voor patriciërs na Sulla’s tijd.

 

Het verplichte biennium tussen het curulisch aedilaat en de praetuur – indien dit al bestond -

schijnt Sulla te hebben opgeheven.

 

Een senatoriaal legatus, noodzakelijkerwijs een ex-quaestor, minimaal 32 jaar.

 

Onder Sulla bedroeg het aantal quaestors 20.

Gedurende de periode 80-75 v. Chr. was een hogere carrière gesloten voor de tribunus plebis.

Het tribunaat was geen onderdeel meer van de cursus honorum hetgeen het einde betekende

van diens politieke carrière.

In 75 v. Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar, met het wetsvoorstel om

voormalige volkstribunen de kandidatuur voor andere magistraatsfuncties toe te staan,

zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan markeerde.

 

Het tribunaat werd bekleed, indien men het bekleedde, na de quaestuur in de tijd na Sulla.

Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen. De normale leeftijd was waarschijnlijk 32 jaar.

De tribunus plebis begon zijn ambt op 10 december voorafgaande aan zijn ambtsjaar.

 
 
 

De Cursus Honorum onder Augustus, sinds 23 v. Chr.

 
 

Na de militaire machthebbers zoals Sulla, Pompeius, Julius Caesar en tenslotte de

revolutionaire adoptiefzoon van Caesar, de latere Augustus, vervielen de oude ambten tot

prestigieuze maar betekenisloze sinecures.

Julius Caesar liet naar willekeur personen verkiezen tot consul.

Onder Augustus was het consulaat nog slechts een schaduw van wat het ooit was.

In wezen continueerde Augustus de politiek van Caesar en de triumvirs.

 

Vanaf de tijd van Tiberius lagen de consulverkiezingen in handen van de senaat die

alleen hen kozen die door de keizer waren aanbevolen.

 

Onder het principaat ontstond het fenomeen van de consules suffecti

(plaatsvervangende consuls), waardoor er per jaar 12 of meer personen beloond

konden worden voor hun diensten aan de Princeps verleend.

 
Consul 33 jaar
Praetor 30 jaar
Aedilis plebeii 27 jaar
Aedilis curulis 27 jaar
Quaestor 25 jaar
 

Het consulaat op 33 jarige leeftijd gold alleen voor patriciërs, nobiles, en favorieten.

Zij die van oorsprong behoorden tot de equestrische orde dienden nog een

aantal jaren te wachten.

 

Onder Augustus werd tevens van niet-patriciërs geëist dat men voor de praetuur

eerst het ambt van tribunus plebis of dat van aedilis bekleedde.

De eis gold dus eigenlijk alleen voor Novii.

 

Tijdens de republiek werden zij gekozen door de Comitia Centuriata.

Onder Julius Caesar en Augustus, net als de consuls, aangewezen.

 

Julius Caesar verhoogde het aantal praetoren tot respectievelijk 10,

van 10 tot 14 in 45 v. Chr., en tot 16 in 44 v. Chr.

Augustus verlaagde hun aantal tot 12. Onder zijn opvolgers werden het er 18.

 

Het aantal quaestors werd onder Julius Caesar verhoogd tot 40.

Twee hiervan werden onder het principaat toegewezen aan de keizer als

Quaestores Augusti.

 
 
 
 
1

L.Villius (Annalis), praetor in 171, trib. plebis in 180 v. Chr.

   (Liv. XI-XLIV,1/ 12.137-9, 371, 383)  Terug naar tekst 

 
2

Consuls.

Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.

Tezamen vormden zij het hoogste gezag in de Romeinse republiek.

Zij hadden tot taak het bijeenroepen van de senaat en de volksvergadering,

waarvan zij de besluiten uitvoerden. In oorlog waren zij belast met het opperbevel.

Als proconsul waren zij belast met het bestuur van een

(consulaire) provincie.  Terug naar tekst 

 
3

Praetoren.

Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.

Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen Romeinse burgers,

en de praetor peregrinus voor de processen waarbij een vreemdeling was betrokken.

 Praetoren konden eventueel i.p.v. een consul met een militair commando worden belast.

Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als propraetor het bestuur uitoefenen over

een provincie.

(367 v. Chr. Schepping van het ambt van praetor urbanus)

(242 v. Chr. Schepping van het ambt van praetor peregrinus)

De senior praetoren waren de praetor urbanus en de praetor peregrinus,

van deze had de praetor urbanus het meeste prestige.  Terug naar tekst 

 
4

Aediles.

Twee plebeïsche aediles werden voor het eerst benoemd, samen met de tribuni plebeii,

in 494 v.Chr. In 388 v.Chr. werden hier twee aediles curulis aan toegevoegd.

Zij waren de assistenten van de tribunus plebis, maar hadden tevens het recht op onafhankelijk

optreden. Geleidelijk aan werden hen meer taken toegewezen zoals: toezicht op religies en de

viering van religieuze feesten; toezicht op en onderhoud van wegen en gebouwen;

watervoorziening en orde en rust in Rome.

Julius Caesar voegde hier twee aediles Ceriales aan toe.

 

Aulus Gellius’, Noctes Atticae, bk. IV.p.317, noot 5

                    Edictum Aedilium Curulium

De aediles, en enige andere magistraten, vaardigden een edict, of afkondiging uit,

aan het begin van hun ambtsperiode, verbandhoudend met de kwesties die onder

hun jurisdictie vielen. Wanneer successievelijke opvolgers dezelfde regels adopteerden

en afkondigden (edictum tralaticium), dan verkreeg het edict een min of meer permanent karakter

en werd praktisch een wetsartikel.

(Cic. ad Att. 3.23, 5.21, ad fam. 3.8; in Verr. i.45)  Terug naar tekst 

 
 
5

Quaestoren.

Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;

zij traden in functie op 5 december.

Zij waren belast met financiële en administratieve zaken en werden toegevoegd aan

provinciale bestuurders.

 2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium (schatkist)

en het archief, onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies met de proconsuls van de

senaatsprovincies: 2 consulaire en 8 praetoriaanse.  Terug naar tekst