CURATORES AQUARUM
De watervoorziening van Rome
 

Het cura aquarum  was het consulair voorzitterschap van een driemans

commissie ingesteld door Augustus in 11 voor Chr.

Marcus Agrippa na zijn aedileschap (33 v.Chr.) – hetwelk hij hield na zijn consulschap –

was de eerste permanente curator belast met het toezicht op de watervoorziening van Rome;
werken door hem zelf ingesteld. 

(Frontinus Aq. 98) (Dio 48.32,3-4 dateert het in 40 v.Chr.tijdens Agrippa’s praetorschap)

 
 

Na Agrippa’s dood in 12 v.Chr. erfde de princeps
de persoonlijke verantwoordelijkheid voor het geheel.

Voor het onderhoud en de uitvoering van het gehele systeem
benoemde hij als curator Messala Corvinus (cos.31 v.Chr.) met als assistenten

Postumius Sulpicius, praetorius, en Lucius Cominius, pedarius.

Het dragen van regalia als waren zij magistraten werd hen toegestaan;

wat hun plichten betrof werd door de senaat een resolutie aangenomen.

(Frontinus Aq. 99)

 
 

Belangrijke ontwikkelingen vonden plaats onder Claudius.
Twee nieuwe aquaducten deden de hoeveelheid beschikbaar water aanzienlijk toenemen.

Aan tenminste één was begonnen door Caius (Caligula), en voltooid in 47: Aqua Claudia.

De verjaardag van de keizer in 52 is de datum welke Frontinus noemt
voor Claudius’ grootse inwijding van beiden aquaducten (Claudia en Anio Novus).

Onderhoud van de nieuwe aquaducten vereiste een tweede herstelploeg.

 
 

Frontinus Aq.116:

Er zijn twee van zulke ploegen, een behoort aan de  Staat, de andere aan Caesar.

Degene van de Staat is de oudste, welke door Agrippa was nagelaten aan

Augustus, en door deze was overgedragen aan de Staat.

Het telde ongeveer 240 man.
Het aantal van  Caesar’s ploeg is 460;

het was door Claudius georganiseerd in de tijd dat hij zijn aquaducten invoerde in de stad.

 
 

118:
De lonen van de Staatsploeg worden uit de schatkist van de Staat betaald (aerarium).

De ploeg van Caesar ontvangt hun loon uit des Keizers toelage.

(Caesaris familia ex fisc

 
 

105,1-4:
Al wie water wenst te onttrekken voor privé gebruik
moet om toestemming vragen en een schrijven van de princeps brengen aan de curator;

de curator dient dan onmiddellijk Caesar’s toestemming te bespoedigen,

en één van Caesar’s vrijgelatenen benoemen als zijn waarnemer voor deze taak.

Ti. Claudius schijnt de eerste man te zijn geweest die zo’n waarnemer heeft aangesteld
nadat hij de Claudia en de Anio Novum had geïntroduceerd.

 
 

Claudius benoemde een procurator, één van zijn vrijgelatenen;

n de loop van de tijd overschaduwde de verantwoordelijkheden van deze functionaris
in hoge mate die van de senatoriale curator.

De nieuwe ontwikkelingen zullen niet noodzakelijkerwijze invloed hebben gehad
op een plichtsgetrouw curator, die de traditie van dienstverlening tot aan de dood kon voortzetten.

Nero’s politiek van het eren van recent voormalige consuls met een ceremoniëel cura
hoeft niet eerder te zijn begonnen dan in 59 door de vacature ontstaan door de dood van Afer.

 
 

In de water voorziening van Rome werd voorzien door het:

 

Aquaduct Appia, 312 v.Chr. door App. Claudius Caecus.

Aquaduct Anio Vetus, 273 v.Chr. door M’.Curius Dentatus.

Aquaduct Marcia,146 (144?) v.Chr. door Marcius, praetor urbanus.

Aquaduct Tepula, 127 v.Chr. door Servilius Caepio en collega.

Aquaduct Julia, 35 v.Chr. door M.Agrippa, aedile.

Aquaduct Virgo, 23 (19?) v.Chr. door M.Agrippa.

Aquaduct Alsietina (Augusta), door Augustus. (slecht aquaduct)

Aquaduct Claudia, bouw begonnen onder Caius (Caligula) in 38 na Chr.

Aquaduct Anio Novum, bouw begonnen onder Caius in 38 na Chr,

                                  beiden werden ingewijd op 1 Augustus 50 (52?) na Chr.

 

Sex.Iulius Frontinus, schrijver van  ‘De Aquis’,
hetwelk hij schreef tijdens zijn ambtsperiode als curator aquarum werd:

 

Geboren in ca. 35 en overleed in 103/104 na Chr.

Hij was praetor urbanus in 70, consulsuff. ?73, legatus Augusti

pro praetore Britannia 73/74-77.

In 78 bevond hij zich in Rome waarna we 20 jaren niets meer van hem horen.

Augur (Plin.ep.4.8,3; 10,13), Curator Aquarum in 97 mogelijk tot zijn dood.

Voor de tweede maal consulsuffectus in 98, i.p.v. van  de vermoorde keizer

Domitianus, consul ordinarius in 100 met als collega keizer Traianus.

Tevens schrijver van o.a. de eerste drie boeken van ‘Strategemata’, mogelijk

geschreven tussen 84-96, de tijd waarin hij vrijwel zeker ook augur werd.

(voor zijn legaatschap pr.pr. Britannia; zie Agricola 17)

 
 

Curatoren van de water voorziening van de stad Rome:
van 11 v.Chr. tot 8 of 13 na Chr.

 

1. M.Valerius Messalla Corvinus, consul 31 v.Chr.

  adiutores (assistenten):

    Postumius Sulpicius, praetorius 

    Lucius Cominius, pedarius 

Volgens Frontinus Aq.102, zou Messalla mogelijk zijn overleden in 13 na Chr.

Messalae successit Planco et Silio cos. Ateius Capito’’.

De getuigenis in Ovidius wijst echter nadrukkelijk op een vroegere datum,

vermoedelijk in 8 na Chr. (Zie Syme, History in Ovid. 1978, 123f)

Misschien is Ateius Capito dus niet de directe opvolger van Messalla,
maar is er een naam en datum weggevallen.

 
2. C.Ateius Capito, cossuff.5 na Chr.
    (homo novus; kleinzoon van een centurio in Sulla’s leger)

XV.vir sacris faciendus, jurist (Tac.Ann.III,75), cur.aq. van 13 tot aan zijn dood in 22.

 

Tiberius benoemde kennelijk in 24

3. L.Tarius Rufus, cossuff. 16 v.Chr. (homo novus)

    
Admiraal te Actium, bezat grote landgoederen in Picenum (Plin.nat. hist.18,37). 

Zijn zoon werd verbannen wegens poging tot moord op zijn vader

(Seneca, De Clem.1,15; Dio 54.20,3.) 

 

Syme in Hist. in Ovid. ’78, oppert dat de volgorde in Frontinus’ tekst mogelijk incorrect is;
de oudere Tarius zou mogelijk het cura hebben gehouden van 8-13 na Chr.

Dessau (PIR.T 14) speculeert dat de curator misschien de zoon was van de admiraal.

De curator Tarius Rufus overleed in 24.
Hij werd opgevolgd van 24 tot aan zijn
zelfmoord in 33 door de jurist en vriend van Tiberius.

 
4. M.Cocceius Nerva, cossuff. 21 of 22 (Tac.Ann.IV.58,1; VI,26,1; Dio 58.21,4)  

Trok zich in 26 met Tiberius terug op Capri,
raakte gedesillussioneerd door diens tyrannieke bewind en pleegde in 33 zelfmoord.

Hij werd tot aan zijn mogelijke dood in 37 opgevolgd
door de schoonvader van zijn zoon

 

5. C.Octavius Laenas.

Deze werd in 38 voor de duur van één maand opgevolgd door:

 

6. M.Porcius Cato, cossuff. in 36  (delator, Tac.Ann. IV. 68f.)

Mogelijk in 38 slachtover van Caius, waarom Cato genomineerd was,

kennelijk door dezelfde Caius, wordt nergens vermeldt.

 
Frontinus in Aq. 102,11 vervolgd met:

Huic successit post mensem Ser.Asinio Celere  A.Nonio Quintiliano consulibus A.Didius Gallus’.

(’hij werd na een maand opgevolgd, onder het consulaat van Ser. Asinius Celer

en A.Nonius Quintilianus (suffecti 38), [door] A.Didius Gallus’)

 

R.H.Rodgers in Harvard studies in classical Philology, vol. 86 (1982)

argumenteerd: ' Cato nam zijn ambt op onder de ordinarii,

zijn opvolger in de latere helft van het jaar…’

’Wanneer diende Didius als curator? Zeker niet vanaf 38, want het ambt

was gereserveerd voor consulaires’. (Didius was suffectus in 39)…

Een lacuna in de repetitieve tekst van Frontinus heeft ons de datum van zijn

benoeming onthouden. Didius werd curator in de midden-40’s, misschien in 46,

een opvolger loste hem af in 49…. dat hij geen  curator aquarum bleef tot zijn

dood is opgemerkt, maar genegeerd.

 
Een anecdote in Quintilianus 6.3,68 zou een aanwijzing kunnen geven. 

Afer, collega in het consulaat en opvolger in het cura aquarum, zei ironisch,

 

"cum Didio Gallo, qui provinciam ambitiosissime petierat, deinde impetrata

ea tamquam coactus querebatur:’’age’’ inquit ‘’aliquid et rei publicae causa’’.

 

(...met Didius Gallus, die naarstig deze positie had nagestreefd en toen hij

die vervolgens wist te bemachtigen klagelijk, alsof hij er toe gedwongen was,

sprak: 'Ach, dit is tenslotte ook een publieke taak'.)

 

H.Dessau ILS 5745.

hac rivi aquar. trium 1eunt, cippi positi iussu A.Didi Galli 2, T.Rubri Nepotis,

M.Corneli Firmi 3, curatorum aquar '

(“aan deze kant van de drie waterlopen (waterleidingen) zijn de grensstenen

[van het aquaduct] geplaatst op bevel van Aulus Didius Gallus, Titus Rubrius

Nepos [en] Cornelius Firmus, curatoren van de Aquaducten”)

 

1. de aquaducten Julia,Tepula, en Marcia.

2. curator aquarum mogelijk tussen 39 en 49 (Frontin.C 102)

3. waarschijnlijk adiutores (assistenten) onder Didius Gallus.

     Rodgers: ‘De tussenliggende curator (38-ca.46) blijft onbekend.’

 

7. A.Didius Gallus, cossuff. 39. cur.aq. 39-43 of ca. 46-49.

 

8. Cn.Domitius Afer, praetor kort vóór 26 (Tac.Ann. IV. 52,2), cossuff.39

     (Dio 59.20,1). cur.aq. 49 tot aan zijn dood in 59. (Tac.Ann.XIV.19)

    (Quintilianus: ’de beste orator die ik ooit heb gehoord’, en dito:

    ‘valde senem’, (gevorderde leeftijd). (12.11,3)

 

9. L.Calpurnius Piso, cos.ord. 57, cur.aq. 60-63.

 

10. P.Petronius Turpilianus, cossuff. 61. cur.aq. 63.

 

11. P.Marius, cos.ord. 62, cur.aq. 64-66.

 

12. C.Fonteius Agrippa, suff. 58, cur.aq. 66-68, procos. Asia 68/69.

 

13. L.Iunius Vibius Crispus, cossuff. ca. 61-62, cur.aq. 68-71,

     procos. Africa 72/73?.

 

14. M.Pompeius Silvanus, cossuff. 45. cur.aq. 71-73, procos. Africa 53/54

     (Tac.hist.2,86; 3,50; 4,47).

 

15. L.Tampius Flavianus, cossuff. 40 of 41, cur.aq. 73, procos. Africa 70/71.

    (Tac.hist.2,86; 3.4,10; 5,26; Plin.nat.hist.9.26. ILS 985)

 

16. M’.Acilius Aviola, cos.ord. 54, cur.aq. 74- ? , procos.Asia 65/66.

 
Volgens de tekst in Frontinus’ ‘Aquaducten van Rome’, zou Acilius Aviola
meer dan twintig jaar curator zijn gebleven, waarschijnlijk tot zijn dood.
Zijn opvolger, door Nerva benoemd in 97, was Sex.Iulius Frontinus.
 

Curatores Aq. volgens de overgeleverde tekst van Sex.Iulius Frontinus.

102:
Daar ik de zaken heb gevolgd tot de introductie van de curatoren,

is het niet onterecht om nu de namen toe te voegen van hen die  Messala

opvolgden in dit ambt tot mijn ambtsaanvaarding: -

 

Na Messala volgden, onder het  consulaat van Silius en Plancus (13), Ateius Capito;
na Capito, onder het consulaat van Caius Asinius Pollio en Caius Antistius Vetus (23), Tarius Rufus;
na Tarius, onder het consulaat van Servius Cornelius Cethegus en Lucius Visellius Varro (24),
Marcus Cocceius Nerva, de grootvader van de vergoddellijkte Nerva,
die tevens vermaard was om zijn wetskennis.Na hem volgde onder het consulaat van

Fabius Persicus en Lucius Vitellius (34), Caius Octavius Laenas; na Laenas,

onder het consulaat van Aquila Julianus en Nonius Asprenas (38), Marcus Porcius Cato.

Na hem volgde, na een maand,
onder het consulaat van Servius Asinius Celer en Aulus Nonius Quintilianus (38), Aulus Didius Gallus;

na Gallus, onder het consulaat van Quintus Veranius en Pompeius Longus (49), Cnaeus Domitius Afer;
na Afer, onder het vierde consulaat van Nero Claudius Caesar, en dat van Cossus,
de zoon van Cossus (60), Lucius Piso;
na Piso, onder het consulaat van Verginius Rufus en Memmius Regulus (63), Petronius Turpilianus;

na Turpilianus, onder het consulaat van Crassus Frugi en Lecanius Bassus (64), Publius Marius;
na Marius, onder het consulaat van Lucius Telesinus en Suetonius Paulinus (66), Fonteius Agrippa;
na Agrippa, onder het consulaat van Silius en Galerius Trachalus (68), Albius Crispus;
na Crispus, onder het derde consulaat van Vespasianus,
en dat van Cocceius Nerva (71), Pompeius Silvanus;
na Silvanus, onder het tweede consulaat van Domitianus
en dat van Valerius Messalinus (73),Tampius Flavianus;

na Flavianus, onder het vijfde consulaat van Vespasianus, en het derde van Titus (74), Acilius Aviola.
Na Aviola, onder het derde consulaat van keizer Nerva, en het derde van Verginius Rufus (97),

werd het cura overgedragen aan mij.

 

Nog niet precies te plaatsen personen genoemd door Rodgers
in zijn artikel “curatores aquarum” in Harvard Studies in Classical Philology,

vol.86 (1982):

 

L.Funisulanus Vettonianus (PIR2 F 570) cossuff. 78, legaat in Dalmatia, Pannonia, en Moesia sup.
(Zie mil.dipl.3 Sept.84-5 Sept.85)

procos. Africa ca. 91/92, Cur.Aquarum (CIL.XI.571=AE 1946, p.205).

Doch mogelijk ook slechts een adiutor onder Acilius vóór zijn consulschap in 78.

 

L.Neratius Marcellus, cossuff. 95 (fasti Ostiensis), cos.ord. II, 129.

(ILS 1032 waarvan deel weg; (leg.) divi Traiani Aug. prov. Britannia,

ca. 101 (mil. dipl. van 19 Ian.103 in CIL.XVI.48). curat.aquar. urbis,

pr., etc. (Plin.ep. 3.8,1)

 
 

C.Laecanius Bassus Caecina Paetus (PIR2 C 104), cossuff. ?71.

ILS 6049: cur.riparum et alvei Tiberis (in 74)

ILS 5929: procos. Asia (ca. 80/81)

ILS 8682 zegt met Domitianus als ‘Germanicus’:   

"sub cura Caecinae Paeti et Articulei Paeti et Nini Hastae".  

Deze zijn misschien identiek aan Q.Articuleius Paetus, cos.ord.101,

en Q.Ninnius Hasta, cos.ord.114.

 
 

M.Arrecinus Clemens (PIR.2 A.1072), cossuff. 73, leg. Hisp.cit. ca. 81/82,

cossuff. II, in ?85.

Een tekst op een pijpleiding luidt: "sub cura M.Arrecini Clementis".

Misschien na zijn 2e consulaat in het midden der 80er jaren.

(Zie  Suet.Titus 4.2 en Domit. 11,1)

 

In CIL.XV.7302 waar Traianus wordt genoemd ‘Germ.Dac.’,

"sub cura Sili Deciani et Memmi Rufi". Twee namen, niet drie, reden onbekend.

Misschien is Silius identiek aan de cossuff. van 94 ?

Misschien was Caecina Paetus (Zie boven) na zijn proconsulschap

cur.aq. in ca. 83/84.