Imp. Caesar Vespasianus Augustus

      -T.Flavius Quir.Vespasianus-

 


Geb. 17-11-9 te Falacrinae, nabij Reate. 1
Overl. 23-6-79 te Aquae Cutilae, nabij Reate. 19

Zoon van T.Flavius Sabinus en van Vespasia Polla,

dochter van Vespasius Pollio.

 
 

Huwde: met Flavia Domitilla, dochter van Flavius Liberalis. 2

Hieruit:
1. Titus, geb. 30-12-39.
2. Flavia Domitilla minor. 3, zij huwde met Q.Petillius Cerealis, cossuff.70,

cossuff.II, in 74.
3. Domitianus, geb. 24-10-51.

 
   

Functies:

Tribunus militum in Thracia in 26 of ca.30? 4
Quaestor te Cretae-Cyrenaicae in ca.35/36. 5
Aedilis - bij 2e poging- in 38. 6
Praetor in 39. 7
Legatus legionis II Augusta Germania superioris in 41. 8
Legatus legionis in Britannia van 43- 47? 9
Consulsuffectus in November – December 51.
10
Proconsul van Africa in 61-62 of 62-63. 11
Legatus Augusti pro praetore te Judaea in 67-69. 12
Werd tot princeps uitgeroepen te Alexandria op 1-7-69,

gevolgd door Judaea op 3-7-69. 13
Dies imperii 1-7-69.
Door de Senaat bevestigt op 20-12-69. 20
Tribunicia potestas, pater patriae, pontifex maximus. 14
Consul II, in 70 – consul III, in 71 – consul IV, in 72. 15
Censor in 73/74, tezamen met zijn zoon Titus Caesar. 16
Consul V, in 74, consul VI, in 75, consul VII, in 76,
consul VIII, in 77, consul IX, in 79.

Werd na zijn dood vergoddelijkt 17
en bijgezet in het mausoleum van Augustus op het campus Martius.
Onder zijn jongste zoon Domitianus werden zijn restanten overgebracht
naar de templum gentis Flaviae. 18
 

 
Tribunicia potestates Imp. Caesar Vespasianus
 
I vanaf 1 Juli 69 tot 1 Juli 70  
II vanaf 1 Juli 70 “ 1 Juli 71  
III vanaf 1 Juli 71 “ 1 Juli 72  
IV vanaf 1 Juli 72 “ 1 Juli 73  
V vanaf 1 Juli 73 “ 1 Juli 74 ante finem 70
VI vanaf 1 Juli 74 “ 1 Juli 75 ante 5 April 71
VII vanaf 1 Juli 75 “ 1 Juli 76  
VIII vanaf 1 Juli 76 “ 1 Juli 77  
IX vanaf 1 Juli 77 “ 1 Juli 78  
X vanaf 1 Juli 78 t/m 23 Juni 79  
       
Imperator in totaal 17 maal (18x?)
       
 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1. Vespasianus werd geboren op de XV Kal. Dec. (17 Nov.)
te Falacrinae nabij Reate in Latium, nu Rieti in Lazio,
in centraal Italië ten zuid-oosten van Terni. 
Terug naar tekst
 
   
2. Flavia Domitilla maior overleed tussen 54-69  Terug naar tekst  
   
3. Flavia Domitilla minor overleed voor 69; zij werd vergoddelijkt
ILS 257
Flaviae Domitillae imp.Vespasiani Caesaris Aug.------
 ■ Herculanei. Titulus positus ante consecrationem Domitillae,
      quae evenit fortasse demum sub Tito. 
Terug naar tekst
 
   
4.

Tribunus militum: (Krijgstribuun) stafofficier bij de infanterie.
Onder het principaat waren dit jongemannen
die een senatoriale of een equestrische carrière ambieerden,
en zij werden overeenkomstig verdeeld in tribuni laticlavi
(met een brede streep op het tuniek) en tribuni augusticlavi (met een smalle streep).
Elke klasse van tribuni diende gedurende een jaar in een legioen, maar,
daar waar de laticlavi na vervulling van hun jaar militaire dienst
onmiddellijk konden doorgaan naar de politieke senatoriale

cursus honorum, dienden de aspiranten voor een equestrische cursus

- tenminste sinds Claudius -
twee aanvullende functies als officier bij de hulptroepen te vervullen.
De normale volgorde van deze krijgsdienst was praefectus cohortis
(i.e. commandant van een hulp cohort van een infanterie eenheid),
tribunus militum (augusticlavius), en praefectus alae
(i.e. commandant van een hulp ala of van een cavallerie eenheid).
(The Roman legions, by H.M.D.Parker, 1985 (1ste ed. 1928) 
Terug naar tekst

 
   
5.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief, onder toezicht van senaat, consuls, en censoren.

(e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciërs – als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies
met de proconsuls van de senaatsprovincies: 2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren verhoogd tot 40.

Volgens Mommsen in ‘Römisches staatsrecht’:
20 quaestores, waarvan:
2 quaestores Augusti; 2 quaestores urbani; 4 quaestores consulum;
en 12 quaestores provinciae.
(Let op! Het feit dat Mommsen.spreekt van q. Aug. houdt in dat hij doelt

op de tijd van het principaat, terwijl het bovengenoemde in feite duidt
op de tijd van de republiek.
Terug naar tekst

 
   
6.

Dio 59,12.
Aediles
Jaarlijks werden 2 aediles curulis en 2 aediles plebis gekozen door de Comitia tributa.
Zij waren belast met handhaving van de orde in de stad, toezicht op handel en verkeer, organisatie en bekostiging van de openbare feestelijkheden, brandweer en bouwinspectie.
Het aedielschap gaf toegang tot de senaat.
Men werd e.v.t.aedilis 6 jaar na het quaestorschap.
Hun aantal werd onder Julius Caesar,
i.v.m.diens schepping van de aediles Ceriales, verhoogd tot 6 aediles. 
Terug naar tekst

 
   
7.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen

waarbij een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v.een consul
met een militair commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij
als pro praetor het bestuur uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 verhoogd naar 16. 
Terug naar tekst

 
   
8. Suet. IV. Gelegerd te Argentoratum (Straatsburg, Elzas)  Terug naar tekst  
   
9.

Tac.hist.3, 44: Kreeg, kennelijk voor 51, twee priesterschappen

en de ornamenta triumphalia voor zijn werk in Britannia
[sacerdos, sodalis] comes Neronis.
Zie ‘The Roman conquest of Britain’ door G.Webster (1965) 55ff. 98. 
Terug naar tekst

 
   
10.

De consul suffectus (plaatsvervangend consul) kwam vooral in zwang

tijdens het principaat. Ondanks het feit dat het ambt onder de keizers

vrijwel geheel was ontdaan van enige echte macht of zeggenschap

in het bestuur van de staat werd het toch nog gezien als het hoogst

bereikbare binnen de cursus honorum.
Mede doordat de keizers zelf vaak jaren achtereen beslag legde

op het ambt en er toch elk jaar nieuwe kandidaten kwamen werden

de naamgevende consuls – de consul ordinarius

(de consuls die aan het begin van het jaar aantraden
en met wiens namen het betreffende jaar werd aangeduid) -
na enige tijd vervangen door suffecti zo dat er meer mensen beloond

konden worden voor hun verdiensten jegens de keizer.  Terug naar tekst

 
   
11. Vlg.U.Vogel-Weidemann,’82 in 63/64?; vlg. R.Syme is dit 61/62 of 62/63.  Terug naar tekst  
   
12. Zie het verslag door Flavius Josephus in zijn ‘De Joodse oorlog.’
April/Mei 66, begin van de Joodse revolutie.
Juli/Augustus 70, vernietiging van de tempel in Jeruzalem.
April 74, val van Massada. 
Terug naar tekst
 
   
13. Tac.hist.2, 79  Terug naar tekst  
   
14.

ILS 245
Imp.Caesari Vespasiano Aug. pont.max., tr.pot.III 1, imp.IIX 2, p.p.,

cos.III des.IIII, s.c., quod vias urbis neglegentia superior.

temper. corruptas inpensa sua restituit.
 ■ Romae. 1.trib.pot.computavit Vesp. a. kal.Iuliis a 69 (Tac.hist.2.79.;

      Suet.Vesp.6, ut  trib.pot.III fuerit secundo a 71 et priore anni 72

      semestri. 2. imp.V ante finem anni 70, imp.VI ante d. 5 April.71  Terug naar tekst

 
   
15.

Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Tezamen vormden zij de twee hoogste ambtenaren in de Romeinse republiek.
Zij hadden tot taak het bijeenroepen van de senaat en

de volksvergadering, waarvan zij de besluiten uitvoerden.

In oorlog waren zij belast met het opperbevel.
Als proconsul waren zij belast met het bestuur van een (consulaire) provincie. 
Terug naar tekst

 
   
16.

ILS 248
[imp.Caesar Vespasianus Aug.pont.m]ax., trib.pot.VI 1, im[p.XIII 2],

p.p., censor, cos.VI3 desig.VII et T.Caesar Aug.f. Vespasianus imp.VI,

pont., trib.pot. IV, censor, cos.IV design.V, auctis p.R. unibus pomerium

ampliaverunt terminaveruntq. XLVII p. CCCXX---VII.
 ■ Romae. 1.kal.Iul.74/75 2. numerus incertus.

      3. cos.sextum Vesp. fuit a 75, septimum a 76.  Terug naar tekst

 
   
17.

ILS 256
Divo Caesari Aug.Vespasiano, censori, municipium Muniguenae d.d.,
L.Aelius Fronto dedicavit.
 ■ in Baeticae loco dicto Mulva, ubi fuit municipium Muniguense. 
Terug naar tekst

 
   
18.

De Templum Gentis Flaviae, oorspronkelijk het privè huis van Vespasianus,
werd veranderd in een tempel door Domitianus (Suet. Dom. i.1)
en werd gebruikt als begraafplaats voor de Flavische keizers.
Het stond op de Quirinaal heuvel (collis Quirinalis) dicht bij het moderne Quattro Fontane.
(De vier fonteinen stellen de watergoden
Tiber en Arno en de godinnen Juno en Diana voor)
Terug naar tekst

 
   
19.

Dio LXVI, 17
Vespasianus werd ziek, niet van zijn bekende jicht,
maar van een koorts en overleed te Aquae Cutiliae in het land der Sabijnen …
Hij heeft negenenzestig jaar en acht maanden geleefd,
en heeft op zes dagen na tien jaar geregeerd.
Hieruit volgt dat vanaf de dood van Nero tot het begin van

Vespasianus’ regering een jaar en tweeëntwintig dagen zijn verstreken.
Ik verklaar dit om enig misverstand te voorkomen wat betreft
de

geschatte tijdsduur met betrekking tot de mannen die de soevereiniteit uitoefenden.
Want zij volgden elkaar niet legitiem op de een na de ander,

maar ieder van hen, terwijl hun rivaal nog leefde en regeerde,

dacht zichzelf keizer vanaf het moment dat hij zelfs maar een glimp van de troon zag.
Vandaar dat men niet de dagen van hun individuele regeringen bij elkaar

op moet tellen alsof die perioden elkaar ordelijk hadden gevolgd,
maar moet rekenen met de precieze werkelijk verstreken tijd, zo als ik heb uiteengezet.

Suet.Vesp.24.
Tijdens zijn negende consulaat bezocht Vespasianus Campania,
en kreeg een lichte koorts.
Hij haastte zich terug naar Rome, ging toen door naar Cutilae
en zijn zomerverblijf te Reate, waar hij de dingen verergerde door in

koud water te baden en een maagverkoeling opliep.
Toch vervulde hij zoals gewoonlijk zijn keizerlijke plichten,
en ontving zelfs afgevaardigden aan zijn bed, totdat hij bijna flauw viel
na een hevige aanval van diarree, probeerde op te staan
- mompelend dat een keizer staand behoorde te sterven -
en viel in de armen van zijn te hulp geschoten bedienden.
Dit was op 23 juni 79 na Chr.,
en hij heeft negenenzestig jaren, zeven maanden, en zeven dagen geleefd.
(Zijn laatste grap was: ‘Oh, hemel! Ik geloof dat ik een god word’
("Vae," inquit, "puto deus fio."))

Terug naar tekst

 
   
20.

Wet op Vespasianus’ imperium. (CIL VI.930)  Latijnse tekst

 ■ deze verordening van 70 na Chr. is waarschijnlijk een plebeïsche wet ,
      welk een decreet van de senaat omvat.
      Het citeert eerdere aan Augustus, Tiberius, en Claudius
      toegekende volmachten als precedenten.
      Het was waarschijnlijk door zo’n wet van imperium dat de aan

      Augustus in 23 v.Chr. verleende volmachten door het volk werden

      geratificeerd.

…dat hij het recht zal hebben, net als de vergoddelijkte Augustus
en Tiberius Iulius Caesar Augustus
en Tiberius Claudius Caesar Augustus Germanicus hadden,
om verdragen af te sluiten met een ieder zo als hij wenst;
En dat hij het recht zal hebben, net als de vergoddelijkte Augustus
en Tiberius Iulius Caesar Augustus
en Tiberius Claudius Caesar Augustus Germanicus hadden,
om de senaat bijeen te roepen, voorstellen aan de senaat voor te leggen
en in handen te stellen, en om decreten van de senaat bij voorstel
en stemming te verordonneren;
En dat als de senaat bijeen is [in een buitengewone zitting]

overeenkomstig zijn wens, gezag, opdracht, of bevel, of in zijn aanwezigheid,
alle verrichte zaken zullen worden beschouwd en in acht genomen
net zo volledig bindend alsof de senaatszitting op reguliere wijze
bijeen was geroepen en gehouden;
En dat bij verkiezingen speciale aandacht zal worden gegeven
aan die kandidaten voor een magistratuur, gezag, imperium,
of welk ander ambt dat hij aanbeveelt aan de Romeinse senaat en volk
of aan wie hij zijn stem heeft gegeven of beloofd;
En dat hij het recht zal hebben, net als de vergoddelijkte Augustus
en Tiberius Iulius Caesar Augustus
en Tiberius Claudius Caesar Augustus Germanicus hadden,
om de grenzen van het pomerium te vergroten en vooruit te brengen
wanneer hij dat in het belang van de staat acht;
En dat hij het recht en gezag zal hebben,
net als de vergoddelijkte Augustus en Tiberius Iulius Caesar Augustus
en Tiberius Claudius Caesar Augustus Germanicus hadden,
om te handelen en te doen al het gewijde, menselijke, openbare,
en private wat hij van het grootste belang acht ten voordele en

belang van de staat;
En dat de Imperator Caesar Vespasianus niet gebonden zal zijn

aan die wetten en plebiscita welke niet bindend waren verklaard
voor de vergoddelijkte Augustus en Tiberius Iulius Caesar Augustus
en Tiberius Claudius Caesar Augustus Germanicus,
en de Imperator Caesar Vespasian Augustus zal het recht hebben

om dat te doen wat passend was voor de vergoddelijkte Augustus en

Tiberius Iulius Caesar Augustus
en Tiberius Claudius Caesar Augustus Germanicus om te doen
krachtens een wet of verordening;
En dat wat er ook is gedaan, uitgevoerd, verordend, of bevolen,
vòòr de verordening van deze wet door de

Imperator Caesar Vespasianus Augustus, of door wie dan ook op

zijn gezag of bevel, zal net zo bindend en geldig zijn
alsof zij waren gedaan op gezag van het volk of het plebs. 
Terug naar tekst

 
   
21.

Fragmentum legis quae dicitur de imperio Vespasiano. ILS 244
Foedusive cum quibus volet facere liceat, ita uti licuit divo Aug.,

Ti.Iulio Caesari Aug.,Tiberioque Claudio Caesari Aug.Germanico.
Utique ei senatum habere, relationem facere, remittere, senatus consulto per relationem discessionemque facere liceat, ita uti licuit divo Aug.,
Ti.Iulio Caesari Aug.,Ti.Claudio Caesari Augusto Germanico.
Utique, cum ex voluntate auctori tateve iussu mandatuve eius praesenteve ea senatus habetitur, omnium rerum ius perinde habeatur servetur, ac si e lege senatus edictus esset habereturque.
Utique, quos magistratum potestatem imperium curationemve cuius rei petentes senatui populoque Romano commendaverit, quibusque suffragationem suam dederit promiserit, eorum comitis quibusque extra ordinem ratio habeatur.
Utique,ei fines pomerii proferre promovere, cum ex republica censebit esse,liceat, ita uti licuit,Ti.Claudio Caesari Aug. Germanico.
Utique, quaecunque ex usu rei publicae maiestate divinarum humanarum publicarum privataque rerum esse censebit, ei agere facere ius potestasque sit, ita uti divo Aug.,Tiberioque Iulio Caesari Aug., Tiberioque Claudio Caesari Aug.Germanico fuit.
Utique, quibus legibus plebeive scitis scriptum fuit, ne divus Aug.Tiberiusve Iulius Caesar Aug.,Tiberiusque Claudius Caesar Aug. Germanicus tenerentur, iis legibus plebisque scitis imp. Caesar Vespasianus solutus sit, quaeque ex quaque lege rogatione divum Aug.,Tiberiumve Iulium Caesarem Aug., Tiberiumve Claudium Caesarem Aug. Germanicum facere oportuit, ea omnia imp. Caesari Vespasiano Aug. facere liceat.
Utique, quae ante hanc legem rogatam acta gesta decreta imperata ab imperatore Caesare Vespasiano Aug., iussu mandatuve eius a quoque sunt, ea perinde iusta rataque sint ac si populi plebisve iussi acta essent.
Sanctio. Si quis huiusce legis ergo adversus leges rogationes plebisve scita senatusve consulta fecit fecerit, sive, quod eum ex lege rogatione plebisve scito senatusve consulto facere oportebit, non fecerithuius legis ergo, id ei ne fraudi esto, neve quit ob eam rem populo dare debeto,
neve cui de ea re actio neve iudicatio esto, neve quis de ea re apud se agi sinito. 

Terug naar tekst