| 1.
|
Vespasianus
werd geboren op de XV Kal. Dec. (17 Nov.)
te Falacrinae nabij Reate in Latium, nu Rieti in Lazio,
in centraal Italië ten zuid-oosten van Terni.
Terug naar tekst |
|
|
|
|
| 2.
|
Flavia
Domitilla maior overleed tussen 54-69
Terug naar tekst |
|
|
|
|
| 3. |
Flavia
Domitilla minor overleed voor 69; zij werd vergoddelijkt
ILS 257
Flaviae Domitillae imp.Vespasiani Caesaris Aug.------
■ Herculanei. Titulus positus ante consecrationem Domitillae,
quae evenit fortasse demum sub Tito.
Terug naar tekst |
|
|
|
|
| 4. |
Tribunus
militum: (Krijgstribuun) stafofficier bij de infanterie.
Onder het principaat waren dit jongemannen
die een senatoriale of een equestrische carrière ambieerden,
en zij werden overeenkomstig verdeeld in tribuni laticlavi
(met een brede streep op het tuniek) en tribuni augusticlavi (met
een smalle streep).
Elke klasse van tribuni diende gedurende een jaar in een legioen,
maar,
daar waar de laticlavi na vervulling van hun jaar militaire dienst
onmiddellijk konden doorgaan naar de politieke senatoriale
cursus
honorum, dienden de aspiranten voor een equestrische cursus
- tenminste sinds
Claudius -
twee aanvullende functies als officier bij de hulptroepen te
vervullen.
De normale volgorde van deze krijgsdienst was praefectus cohortis
(i.e. commandant van een hulp cohort van een infanterie eenheid),
tribunus militum (augusticlavius), en praefectus alae
(i.e. commandant van een hulp ala of van een cavallerie eenheid).
(The Roman legions, by H.M.D.Parker, 1985 (1ste ed. 1928)
Terug naar tekst |
|
|
|
|
| 5. |
Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.
2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium
(schatkist) en het archief, onder toezicht van senaat, consuls, en
censoren.
(e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande
– vrijwel altijd
patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.
10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies
met de proconsuls van de senaatsprovincies: 2 consulaire en 8
praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren verhoogd
tot 40.
Volgens Mommsen in ‘Römisches staatsrecht’:
20 quaestores, waarvan:
2 quaestores Augusti; 2 quaestores urbani; 4 quaestores consulum;
en 12 quaestores provinciae.
(Let op! Het feit dat Mommsen.spreekt van q. Aug. houdt in dat hij doelt
op de tijd van het principaat, terwijl het
bovengenoemde in feite duidt
op de tijd van de republiek.)
Terug naar tekst |
|
|
|
|
| 6. |
Dio 59,12.
Aediles
Jaarlijks werden 2 aediles curulis en 2 aediles plebis gekozen door
de Comitia tributa.
Zij waren belast met handhaving van de orde in de stad, toezicht op
handel en verkeer, organisatie en bekostiging van de openbare
feestelijkheden, brandweer en bouwinspectie.
Het aedielschap gaf toegang tot de senaat.
Men werd e.v.t.aedilis 6 jaar na het quaestorschap.
Hun aantal werd onder Julius Caesar,
i.v.m.diens schepping van de aediles Ceriales, verhoogd tot 6 aediles.
Terug naar tekst
|
|
|
|
|
| 7. |
Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen
Romeinse
burgers, en de praetor peregrinus voor de processen
waarbij een vreemdeling
was betrokken.
Praetoren konden eventueel i.p.v.een consul met een militair
commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het bestuur
uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 verhoogd naar 16.
Terug naar tekst
|
|
|
|
|
| 8. |
Suet. IV.
Gelegerd te Argentoratum (Straatsburg, Elzas)
Terug naar tekst |
|
|
|
|
| 9. |
Tac.hist.3, 44:
Kreeg, kennelijk voor 51, twee priesterschappen
en de ornamenta triumphalia voor zijn werk in
Britannia
[sacerdos, sodalis] comes Neronis.
Zie ‘The Roman conquest of Britain’ door G.Webster (1965) 55ff. 98. Terug naar tekst
|
|
|
|
|
| 10. |
De consul
suffectus (plaatsvervangend consul) kwam vooral in zwang
tijdens het principaat. Ondanks het feit dat het ambt onder de keizers
vrijwel geheel was
ontdaan van enige echte macht of zeggenschap
in het bestuur van de staat werd het toch nog gezien als het hoogst
bereikbare binnen de cursus
honorum.
Mede doordat de keizers zelf vaak jaren achtereen beslag legde
op
het ambt en er toch elk jaar nieuwe kandidaten kwamen werden
de naamgevende
consuls – de consul ordinarius
(de consuls die aan het begin van het jaar
aantraden
en met wiens namen het betreffende jaar werd aangeduid) -
na enige tijd vervangen door suffecti zo dat er meer mensen beloond
konden worden voor hun verdiensten jegens de keizer.
Terug naar tekst |
|
|
|
|
| 11. |
Vlg.U.Vogel-Weidemann,’82 in 63/64?; vlg. R.Syme is dit 61/62 of
62/63.
Terug naar tekst |
|
|
|
|
| 12. |
Zie het verslag
door Flavius Josephus in zijn ‘De Joodse oorlog.’
April/Mei 66, begin van de Joodse revolutie.
Juli/Augustus 70, vernietiging van de tempel in Jeruzalem.
April 74, val van Massada.
Terug naar tekst |
|
|
|
|
| 13. |
Tac.hist.2, 79
Terug naar tekst |
|
|
|
|
| 14. |
ILS 245
Imp.Caesari Vespasiano Aug. pont.max., tr.pot.III 1, imp.IIX 2, p.p.,
cos.III des.IIII, s.c., quod vias urbis neglegentia superior.
temper. corruptas inpensa sua
restituit.
■ Romae. 1.trib.pot.computavit Vesp. a. kal.Iuliis a 69
(Tac.hist.2.79.;
Suet.Vesp.6, ut trib.pot.III fuerit secundo a 71 et
priore anni 72
semestri. 2. imp.V ante finem anni 70, imp.VI ante d. 5 April.71
Terug naar tekst
|
|
|
|
|
| 15. |
Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Tezamen vormden zij de twee hoogste ambtenaren in de Romeinse
republiek.
Zij hadden tot taak het bijeenroepen van de senaat en
de
volksvergadering, waarvan zij de besluiten uitvoerden.
In oorlog waren zij belast met
het opperbevel.
Als proconsul waren zij belast met het bestuur van een (consulaire)
provincie. Terug naar tekst
|
|
|
|
|
| 16. |
ILS 248
[imp.Caesar Vespasianus Aug.pont.m]ax., trib.pot.VI 1, im[p.XIII 2],
p.p., censor, cos.VI3 desig.VII et T.Caesar Aug.f. Vespasianus imp.VI,
pont.,
trib.pot. IV, censor, cos.IV design.V, auctis p.R. unibus pomerium
ampliaverunt
terminaveruntq. XLVII p. CCCXX---VII.
■ Romae. 1.kal.Iul.74/75 2. numerus incertus.
3. cos.sextum Vesp.
fuit a 75, septimum a 76.
Terug naar tekst |
|
|
|
|
| 17. |
ILS 256
Divo Caesari Aug.Vespasiano, censori, municipium Muniguenae d.d.,
L.Aelius Fronto dedicavit.
■ in Baeticae loco dicto Mulva, ubi fuit municipium Muniguense.
Terug naar tekst
|
|
|
|
|
| 18. |
De Templum
Gentis Flaviae, oorspronkelijk het privè huis van Vespasianus,
werd veranderd in een tempel door Domitianus (Suet. Dom. i.1)
en werd gebruikt als begraafplaats voor de Flavische keizers.
Het stond op de Quirinaal heuvel (collis Quirinalis) dicht bij het
moderne Quattro Fontane.
(De vier fonteinen stellen de watergoden Tiber en Arno en de
godinnen Juno en Diana voor) Terug naar tekst
|
|
|
|
|
| 19. |
Dio LXVI, 17
Vespasianus werd ziek, niet van zijn bekende jicht,
maar van een koorts en overleed te Aquae Cutiliae in het land der
Sabijnen …
Hij heeft negenenzestig jaar en acht maanden geleefd,
en heeft op zes dagen na tien jaar geregeerd.
Hieruit volgt dat vanaf de dood van Nero tot het begin van
Vespasianus’ regering een jaar en tweeëntwintig dagen zijn verstreken.
Ik verklaar dit om enig misverstand te voorkomen wat betreft de
geschatte tijdsduur met betrekking tot de mannen die de soevereiniteit uitoefenden.
Want zij volgden elkaar niet legitiem op de een na de ander,
maar
ieder van hen, terwijl hun rivaal nog leefde en regeerde,
dacht zichzelf keizer
vanaf het moment dat hij zelfs maar een glimp van de troon zag.
Vandaar dat men niet de dagen van hun individuele regeringen bij
elkaar
op moet tellen alsof die perioden elkaar ordelijk hadden gevolgd,
maar moet rekenen met de precieze werkelijk verstreken tijd, zo als
ik heb uiteengezet.
Suet.Vesp.24.
Tijdens zijn negende consulaat bezocht Vespasianus Campania,
en kreeg een lichte koorts.
Hij haastte zich terug naar Rome, ging toen door naar Cutilae
en zijn zomerverblijf te Reate, waar hij de dingen verergerde door
in
koud water te baden en een maagverkoeling opliep.
Toch vervulde hij zoals gewoonlijk zijn keizerlijke plichten,
en ontving zelfs afgevaardigden aan zijn bed, totdat hij bijna flauw
viel
na een hevige aanval van diarree, probeerde op te staan
- mompelend dat een keizer staand behoorde te sterven -
en viel in de armen van zijn te hulp geschoten bedienden.
Dit was op 23 juni 79 na Chr.,
en hij heeft negenenzestig jaren, zeven maanden, en zeven dagen
geleefd.
(Zijn laatste grap was: ‘Oh, hemel! Ik geloof dat ik een god word’
("Vae," inquit, "puto deus fio."))
Terug naar tekst
|
|
|
|
|
| 20. |
Wet op
Vespasianus’ imperium. (CIL VI.930)
Latijnse tekst
■ deze verordening van 70 na Chr. is waarschijnlijk een
plebeïsche wet ,
welk een decreet van de senaat omvat.
Het citeert eerdere aan Augustus, Tiberius, en Claudius
toegekende volmachten als precedenten.
Het was waarschijnlijk door zo’n wet van imperium dat de aan
Augustus in 23 v.Chr. verleende volmachten door het volk
werden
geratificeerd.
…dat hij het recht zal hebben, net als de vergoddelijkte Augustus
en Tiberius Iulius Caesar Augustus
en Tiberius Claudius Caesar Augustus Germanicus hadden,
om verdragen af te sluiten met een ieder zo als hij wenst;
En dat hij het recht zal hebben, net als de vergoddelijkte Augustus
en Tiberius Iulius Caesar Augustus
en Tiberius Claudius Caesar Augustus Germanicus hadden,
om de senaat bijeen te roepen, voorstellen aan de senaat voor te
leggen
en in handen te stellen, en om decreten van de senaat bij voorstel
en stemming te verordonneren;
En dat als de senaat bijeen is [in een buitengewone zitting]
overeenkomstig zijn wens, gezag, opdracht, of bevel, of in zijn aanwezigheid,
alle verrichte zaken zullen worden beschouwd en in acht genomen
net zo volledig bindend alsof de senaatszitting op reguliere wijze
bijeen was geroepen en gehouden;
En dat bij verkiezingen speciale aandacht zal worden gegeven
aan die kandidaten voor een magistratuur, gezag, imperium,
of welk ander ambt dat hij aanbeveelt aan de Romeinse senaat en volk
of aan wie hij zijn stem heeft gegeven of beloofd;
En dat hij het recht zal hebben, net als de vergoddelijkte Augustus
en Tiberius Iulius Caesar Augustus
en Tiberius Claudius Caesar Augustus Germanicus hadden,
om de grenzen van het pomerium te vergroten en vooruit te brengen
wanneer hij dat in het belang van de staat acht;
En dat hij het recht en gezag zal hebben,
net als de vergoddelijkte Augustus en Tiberius Iulius Caesar
Augustus
en Tiberius Claudius Caesar Augustus Germanicus hadden,
om te handelen en te doen al het gewijde, menselijke, openbare,
en private wat hij van het grootste belang acht ten voordele en
belang van de staat;
En dat de Imperator Caesar Vespasianus niet gebonden zal zijn
aan
die wetten en plebiscita welke niet bindend waren verklaard
voor de vergoddelijkte Augustus en Tiberius Iulius Caesar Augustus
en Tiberius Claudius Caesar Augustus Germanicus,
en de Imperator Caesar Vespasian Augustus zal het recht hebben
om
dat te doen wat passend was voor de vergoddelijkte Augustus en
Tiberius Iulius
Caesar Augustus
en Tiberius Claudius Caesar Augustus Germanicus om te doen
krachtens een wet of verordening;
En dat wat er ook is gedaan, uitgevoerd, verordend, of bevolen,
vòòr de verordening van deze wet door de
Imperator Caesar
Vespasianus Augustus, of door wie dan ook op
zijn gezag of bevel, zal net zo bindend en
geldig zijn
alsof zij waren gedaan op gezag van het volk of het plebs.
Terug naar tekst |
|
|
|
|
| 21. |
Fragmentum
legis quae dicitur de imperio Vespasiano. ILS 244
Foedusive cum quibus volet facere liceat, ita uti licuit divo Aug.,
Ti.Iulio Caesari Aug.,Tiberioque Claudio Caesari Aug.Germanico.
Utique ei senatum habere, relationem facere, remittere, senatus
consulto per relationem discessionemque facere liceat, ita uti
licuit divo Aug.,
Ti.Iulio Caesari Aug.,Ti.Claudio Caesari Augusto Germanico.
Utique, cum ex voluntate auctori tateve iussu mandatuve eius
praesenteve ea senatus habetitur, omnium rerum ius perinde habeatur
servetur, ac si e lege senatus edictus esset habereturque.
Utique, quos magistratum potestatem imperium curationemve cuius rei
petentes senatui populoque Romano commendaverit, quibusque
suffragationem suam dederit promiserit, eorum comitis quibusque
extra ordinem ratio habeatur.
Utique,ei fines pomerii proferre promovere, cum ex republica
censebit esse,liceat, ita uti licuit,Ti.Claudio Caesari Aug.
Germanico.
Utique, quaecunque ex usu rei publicae maiestate divinarum humanarum
publicarum privataque rerum esse censebit, ei agere facere ius
potestasque sit, ita uti divo Aug.,Tiberioque Iulio Caesari Aug.,
Tiberioque Claudio Caesari Aug.Germanico fuit.
Utique, quibus legibus plebeive scitis scriptum fuit, ne divus
Aug.Tiberiusve Iulius Caesar Aug.,Tiberiusque Claudius Caesar Aug.
Germanicus tenerentur, iis legibus plebisque scitis imp. Caesar
Vespasianus solutus sit, quaeque ex quaque lege rogatione divum Aug.,Tiberiumve
Iulium Caesarem Aug., Tiberiumve Claudium Caesarem Aug. Germanicum
facere oportuit, ea omnia imp. Caesari Vespasiano Aug. facere liceat.
Utique, quae ante hanc legem rogatam acta gesta decreta imperata ab
imperatore Caesare Vespasiano Aug., iussu mandatuve eius a quoque
sunt, ea perinde iusta rataque sint ac si populi plebisve iussi acta
essent.
Sanctio. Si quis huiusce legis ergo adversus leges rogationes
plebisve scita senatusve consulta fecit fecerit, sive, quod eum ex
lege rogatione plebisve scito senatusve consulto facere oportebit,
non fecerithuius legis ergo, id ei ne fraudi esto, neve quit ob eam
rem populo dare debeto,
neve cui de ea re actio neve iudicatio esto,
neve quis de ea re apud se agi sinito.
Terug naar tekst |
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|
| |
|
|