Caius Julius Caesar Germanicus 
                (Caligula)
 

Geb. 31-8-12 te Antium. 1
Overl. 24-1-41 te Rome.
2

Zoon van C.Julius Caesar Germanicus en van Agrippina maior, dochter van M.Vipsanius Agrippa en van Julia Augusti f.
 
 
Huwde 1: in de zomer van 33 met Junia Claudia (ook wel Claudilla),
dochter van M.Junius Silanus, cossuff.15. 3

   
Huwde 2: in 37 of 38 met Livia Orestilla. 4

   

Huwde 3: in de herfst van 38 met Lollia Paulina, dochter van

‘Lollius’ en van Volusia, dochter van L.Volusius Saturninus, cossuff.12 v.Chr. 5

   Scheiding in de lente/zomer van 39.

   

Huwde 4. in 40 met Milonia Caesonia, dochter van Vistilia. 6

Hieruit:
Julia Drusilla, geb. 1 maand na het huwelijk; gedood 24-1-41. 7

 
 
   
Functies:

Pontifex in 31 8, Quaestor in 33, met 5 jaren dispensatie. 9
Cossuff. van 1 Juli 37 t/m 31 Augustus 37. 10
Consul II, van 1 Januari 39 t/m 31 Januari 39. 11
Consul III, van 1 Januari 40 t/m 13 Januari 40 zonder collega.
Consul IV, van 1 Januari 41 t/m 7 Januari 41.
Dies Imperii 18 Maart 37, vanaf toen tevens trib.potestas. 12
Pater patriae in 38.
 
 

Caligula adopteerde Tiberius Gemellus
(kleinzoon van Ti.Augustus bij diens zoon Drusus Caesar) als zoon,
nadat hij het testament van Tiberius, waarin beiden tot gezamenlijk erfgenaam

werden benoemd, door de senaat ongeldig had laten verklaren. (Zie Tiberius)

Caligula haalde persoonlijk van de eilanden Pandateria en Pontia de asresten

van zijn moeder en broer, en liet deze bijzetten in het mausoleum van Augustus.
(CIL.VI.886, 887, cf. 31192, 31193 en 3777. = ILS 180, 183)


Tribunicia potestatis. 13
I. vanaf Maart 37 t/m Maart 38
II. vanaf “ 38 t/m “ 39
III.vanaf “ 39 t/m “ 40
IV.vanaf “ 40 t/m 24 Januari 41


Caligula regeerde 3 jaren, 10 maanden en 8 dagen. (Suet. Cal.)

In Caligula 23,2 verwart Suetonius M.Alfidius,
de grootvader van Livia (Julia Augusta) met M. Aufidius Lurco.
 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

AD 12, August 31.
Fasti Vallenses pr. k. Sept. nat. C.Caesaris Germanici.

Suet.VIII.2 schrijft dat hij in ‘De acta publica’, ofwel, ‘acta diurna’

- een officiële publikatie van belangrijke gebeurtenissen - ingevoerd door

Julius Caesar,  onderbroken door Tiberius, en opnieuw gepubliceerd

onder Caligula, heeft gelezen dat Caligula in Antium was geboren.
(Nu Anzio) in Latium. 
Terug naar tekst

 
   
2. Caligula werd bijgezet in het mausoleum van Augustus.  Terug naar tekst  
   
3. Junia overleed in het kraambed in 36, of begin 37.
Volgens Cassius Dio vond de verloving van Junia Claudilla met Caius plaats in 33,
het huwelijk echter in 35 te Antium, in aanwezigheid van Tiberius.
Haar dood in het kraambed vond waarschijnlijk plaats in de loop van 36. 
Terug naar tekst
 
   
4. Livia Orestilla was verloofd met C.Calpurnius Piso, cos.ann.inc.,
en werd op hun huwelijksdag aan deze ontnomen door Caligula.
Daar zij na de scheiding van Caligula terugkeerde naar Piso,
werden beiden in 40 (?) verbannen.
In 65 werd Piso de leider van de samenzwering tegen Nero.  
Terug naar tekst
 
   
5. Lollia Paulina was eerder gehuwd – tot ca.Sept./Oct.38 –
met P.Memmius Regulus, cossuff.31.
Zij was de kleindochter en erfgename van M.Lollius, consul in 21 v. Chr. 
Terug naar tekst
 
     
 

Plin.Nat.Hist.IX,117/8.                                                                                                  
Ik zag eens Lollia Paulina, de vrouw van keizer Caius – het was niet

ter gelegenheid van een openbaar feest, of voor een plechtige gebeurtenis,

maar slechts voor een gewoon huwelijksdiner - overdekt met smaragden

en paarlen, welke schitterden in afwissellende lagen op haar hoofd,

in heur haar, in haar vlechten, aan haar oren, om haar nek, in haar armbanden,

en aan haar vingers, de waarde er van kwam in totaal op

veertig millioen sesterciën;  ze was zelfs bereid om het direct te bewijzen

door het tonen van de nota’s en kwitanties. 
Het waren ook geen cadeautjes van een kwistige potentaat,
maar schatten welke tot haar waren gekomen van haar grootvader,
en verkregen als buit van de provincies. 
Zulks zijn de vruchten van plundering en afpersing! 
                                                                                                   
Het afpersen van giften van de koningen was de reden
waarom M.Lollius zo berucht was in het gehele oosten;
het resultaat hiervan was, dat Caius Caesar, zoon van Augustus,
hem zijn vriendschap ontzegde, en hij vergif in nam;
en ik zeg u, dit alles is gedaan opdat zijn kleindochter bij lamplicht  gezien

zou worden, getooid met juwelen ter waarde van veertig millioen sesterciën!

Terug naar tekst

 
   
6. Milonia was een halfzuster van Cn.Domitius Corbulo, en had reeds 3 dochters!
Het huwelijk met Milonia zou eventueel kunnen hebben plaatsgevonden
in de zomer van 39, zo ook de geboorte van Julia Drusilla. 
Terug naar tekst
 
   
7. Josephus, Antiquitates Judaicae, 19.
Caligula werd gedood door o.a. Cassius Chaerea, tribunus praetoria.
Milonia en Julia Drusilla werden in het paleis gedood door praetorianen
onder leiding van de tribunus praetorio Julius Lupus. 
Terug naar tekst
 
   
8. ILS 189
C.Caesari Germanici f.,Ti.Aug.n., divi Augusti pronepoti Germanico pontifici, q.
(Zie Suet. Cal.12; Dio 58,8) 
Terug naar tekst
 
   
9.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium (schatkist)
en het archief, onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciërs – als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies
met de proconsuls van de senaats provincies: 2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren verhoogd tot 40.
Volgens Mommsen in ‘Römisches staatsrecht’:
20 quaestores, waarvan:
2 quaestores Augusti; 2 quaestores urbani; 4 quaestores consulum;
en 12 quaestores provinciae.
(Let op! Het feit dat Mommsen.spreekt van q. Aug. houdt in
 dat hij doelt op de tijd van het principaat, terwijl het bovengenoemde in feite
duidt op de tijd van de republiek.
Terug naar tekst

 
   
10.

De consul suffectus (plaatsvervangend consul)
kwam vooral in zwang tijdens het principaat.
Ondanks het feit dat het ambt onder de keizers vrijwel geheel was ontdaan
van enige echte macht of zeggenschap in het bestuur van de staat
werd het toch nog gezien als het hoogst bereikbare binnen de cursus honorum.
Mede doordat de keizers zelf vaak jaren achtereen beslag legde
op het ambt en er toch elk jaar nieuwe kandidaten kwamen werden de

naamgevende consuls – de consul ordinarius

(de consuls die aan het begin van het jaar aantraden
en met wiens namen het betreffende jaar werd aangeduid) -
na enige tijd vervangen door suffecti zodat er meer mensen beloond

konden worden voor hun verdiensten jegens de keizer.   Terug naar tekst

 
   
11.

Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Tezamen vormden zij de twee hoogste ambtenaren in de Romeinse republiek.
Zij hadden tot taak het bijeenroepen van de senaat en de volksvergadering,
waarvan zij de besluiten uitvoerden.
In oorlog waren zij belast met het opperbevel.
Als proconsul waren zij belast met het bestuur van een (consulaire) provincie.
Grote veranderingen vonden plaats in de eerste eeuw v.Chr.,
toen de staat in de macht kwam van militaire leiders en daarna van de keizers.
De oude ambten werden toen prestigieuze maar betekenisloze sinecures.
Julius Caesar liet naar willekeur personen verkiezen tot consul.
Onder Augustus was het consulschap nog slechts een schaduw van wat het ooit was.
Vanaf de tijd van Tiberius lagen de consulverkiezingen in handen van

de senaat die alleen hen kozen die door de keizer waren aanbevolen.  Terug naar tekst

 
   
12.

ILS 193
C.Caesar Germanicus, Germanici Caesaris f., Ti.Aug.n., divi Aug. pron., divi Iuli abn.,
Aug.pat.patr.1, cos.II2, imp., trib.potestate II3, pontif.max.,
a Baete et Iano Augusto ad Oceanum …….
 ■ Cordubae prov.Baeticae. 1.pat.part. postmodo additum esse testatur Huebner.
      Testibus nummis patris patriae cognomen, primo quidem dilatum (Dio 59,12),
      tamen ante finitum imperii annum primum recepit Caligula. 2.a.39 3.imperator
      a senatu appellatus est C.Caesar a.37 d.18 Mart. (acta Arv. a.38)

      ut tribunicia potestate iterum fuerit a.d.18 Mart.38 usque ad 17 Mart.39

ILS 180
ossa Agrippinae M.Agrippae f.divi Aug. neptis,uxoris Germanici Caesaris,
matris C.Caesaris Aug.Germanici principis.

ILS 183
ossa Neronis Caesaris Germanici Caesaris f., divi Aug.pron., flamin.Augustalis, quaestoris.
 ■ 180 en 183 Romae urnamagna marmorea. (Suet.Cal.15)
       Avi Tiberii nomen sine dubio omissum est quod ille Neronem necaverat. (Mo.) 

Terug naar tekst

 
   
13.

Een van de middelen om te heersen was bijzonder en ontwijkend,

de Tribunicia potestas.
Tacitus noemt het ‘Summi fastigii vocabulum’
(Aanduiding van de hoogste macht) (Ann.3, 56, 1).
De Princeps – te beginnen met Augustus - hadden behoefte aan

een gezagsbasis binnen de stad voor hun transacties met de Senaat en het Volk.
Tribunicia potestas is macht gescheiden van functie.
R.Syme in JRS vol.36 (1946) 
Terug naar tekst