Catullus' Lesbia cyclus

Caius Valerius Catullus:

 

Afkomstig uit Verona vertrok Catullus op jeugdige leeftijd naar Rome.

Van zijn carmina (gedichten) zijn er 116 (min de nrs 18,19, en 20 die

vroeg in de 19e eeuw zijn vervallen als zijnde niet-Catulliaans),

bewaard gebleven van uiteenlopende aard en lengte.

Traditioneel wordt zijn oeuvre ingedeeld in drie groepen: de carmina            

1-60, korte gedichten in jambische of lyrische metra, die hij aan de

Griekse literatuur ontleende; de lange gedichten 61-68; de carmina

 69-116, korte en vaak agressieve epigrammen in elegische disticha.

Catullus publiceerde vertalingen of bewerkingen van Griekse modellen

(o.a. Callimachus en Sappho), maar werd vooral onsterfelijk door zijn

persoonlijke gedichten (die hier noch elders in chronologische volgorder staan).

Catullus was één van de vele minnaars van een zekere Clodia Metelli de

vrouw van Quintus Metellus Celer, haar neef. Een bekende “dame” in de

geschiedenis die door hem gewoonlijk Lesbia werd genoemd vanwege

zijn bewondering voor de grote Griekse dichteres.

Clodia/Lesbia was een van de drie zusters van P.Clodius Pulcher,

volkstribuun in 58 v. Chr. de gezworen vijand van Cicero die in zijn

brieven aan Atticus (2.22, 5) naar haar in het Grieks refereert als Boôpis,

‘de koeoogige’ naar de godin Hera in Homerus’ Illias.

Over zijn liefdesverhouding met Lesbia handelen ca.25/26 gedichten.

Daarin vertolkt hij op een hartstochtelijke manier de gevoelens en

stemmingen die zijn hart beroerden ten overstaan van zijn geliefde.                

De andere carmina gaan over zijn persoonlijke belevenissen, zijn

emotionele vriendschappen en vijandschappen. Hij gaat geen enkel

onderwerp uit de weg en spaart niemand: zijn agressie richt zich o.a.

tegen slechte dichters, rivalen in de liefde, politici en de traditionele

moraal. Na een kort, weinig succesvol verblijf in Bythinië, vertrok hij in

56 naar zijn landgoed in Sirmio aan het Garda meer.

Catullus was geen lang leven beschoren; geboren in ca.84 v. Chr.

overleed hij op ca.30 jarige leeftijd in 54 v. Chr.

 

                        

 

Carmen 2. Tranen om Lesbia’s musje.*

 

Musje, lieveling van mijn meisje,

met wie zij gewend is te spelen,

die zij aan haar boezem koestert,

aan wie zij haar vingertopje reikt

en tot scherpe beetjes verleidt

wanneer het stralende voorwerp van mijn verlangen

met haar een spelletje speelt, mij vreemd,

om, naar ik vermoed, troost te vinden voor haar hartenleed

en verzachting van haar hevige minnegloed.

Kon ik maar met haar spelen zoals zij

en het verdriet verlichten van mijn bezwaard gemoed.

 

                         

 

Carmen 3. De dood* van Lesbia’s musje.

 

Rouwt, oh Venussen en Cupido’s*

en alle mensen die fijngevoelig zijn.

Het musje, de lieveling van mijn meisje is dood!

die zij meer lief had dan haar eigen ogen.

Want het was allerliefst en kende zijn vrouwtje

net zo goed als het meisje haar moeder;

nimmer week het van haar schoot

en al heen en weer hippend tjilpte het tegen haar alleen,

nu gaat hij over het duistere pad

vanwaar, naar men beweert, niemand wederkeert.

Wees vervloekt Orcus*, duistere macht van de onderwereld,

die alles wat mooi is verslindt

een lieftallig musje heb je mij ontnomen.

O slechte daad! O arm musje!

Door jouw toedoen zijn de oogjes van mijn meisje

nu rood en gezwollen van het huilen!

 

                         

 

Carmen 5. Aan Lesbia.

 

Laten wij leven, mijn Lesbia, en beminnen

terwijl de strenge grijsaards schudden met hun vinger,

geen duit* geven wij om hun afkeurend gepraat.

 

Zonnen kunnen ondergaan en terugkeren:

wanneer voor ons eenmaal het korte licht is ondergegaan                                                          

rest ons slechts de eindeloze slaap.

 

Kus mij dus een duizend keer

en geef mij dan nog honderd meer

kus mij nog een duizend keer

en wederom honderd meer.

 

Blijf mij kussen duizend keer

en voeg daarbij nog eens honderd meer

en terwijl het duizendtal stijgt

raken wij de telling kwijt.

 

Dan als al het kussen is gedaan

wissen wij de som hiervan uit,

opdat geen jaloers mens afgunstig kan zijn

wanneer hij weet dat er zoveel kussen zijn.

 

                        

 

Carmen 7.  Aan Lesbia.

 

Je vraagt, Lesbia, hoeveel van jouw kussenficaties

voor mij voldoende zijn en meer dan genoeg.

Zoveel als er zandkorrels liggen in de Libische woestijn

rond het gentiaanvoortbrengend Cyrene

tussen het orakel van de hete Jupiter*

en de heilige tombe van de oude Battus,*

zoveel als er sterren zijn die, als de vredige nacht valt,

neerzien op de heimelijke liefdes van de mensen,

zoveel kussen zijn pas voldoende voor deze dwaze Catullus,

zoveel dat nieuwsgierigen ze niet kunnen tellen

en boze tongen ze niet kunnen beheksen.

 

                        

 

Carmen 8.  Advies aan zichzelf.

 

Ongelukkige Catullus, houd op een dwaas te zijn, en, laat jij datgene

waarvan je ziet dat het verloren is gegaan, als verloren beschouwen.                                

Eens schitterden voor jou stralend witte zonnen, 

toen jij voortdurend ging waarheen het meisje jou leidde   

zij, die als geen andere vrouw door mij werd bemind. 

Toen daar die vele leuke dingen gebeurden, die jij wilde

en ‘t meisje niet onaardig vond, 

schitterden echt stralend witte zonnen voor jou.

Nu wil zij niet meer: ook jij, jezelf niet beheersend, moet niet willen 

en loop haar die jou ontvlucht niet achterna en leef niet ongelukkig,

maar verdraag vastberaden, volhard!    

 

Vaarwel, meisje! Nu volhardt Catullus al, 

en hij zal jou niet zoeken en hij zal jou niet vragen wanneer jij niet wilt: 

maar jij zult verdriet hebben, wanneer jij niet gevraagd zult worden.

Rampzalige, arme jij! Welk leven staat jou te wachten?     

Wie zal jou nu nog bezoeken? In wiens ogen zul jij mooi schijnen?        

Wie zul jij nu beminnen? Van wie zal jij gezegd worden te zijn?              

Wie zul jij kussen? In wiens lippen zul jij bijten?        

Maar jij, Catullus, volhard vastbesloten.                                                                                 

 

                           

 

Carmen 11.  Aan Furius* en  Aurelius:*  woorden tot Lesbia.

 

Furius, Aurelius, Catullus’  gezellen,

of hij naar het verre Indië vertrekt,

waar luid bruisend Eos'* golven

op het strand weerklinken,

 

naar Hyrcanië, of de verwijfde Arabieren,

de Sakiërs, of de pijldragende Parthen,*

of naar de zee* die door de zevenmondige Nijl wordt gekleurd,

 

of over de hoge Alpen trekt,

om de monumenten te zien van de grote Caesar,

naar de Gallische Rijn, de ruige wateren,             

de vreselijk verre Britten,

 

ongeacht de wil der goden, jullie zijn steeds bereid om samen met mij te

delen, meldt dan ook aan mijn meisje dit kort berichtje

deze slechte tijding:

 

het ga haar goed en veel succes met haar vrijers

die ze in haar armen sluit, wel driehonderd tegelijk,

maar niet één uit liefde, al bezorgt ze een liesbreuk aan allen;

 

laat ze niet, zoals weleer, mijn liefde zoeken:

die brak door haar schuld gelijk een bloem

aan de rand van de weide, die door een langsscherend               

ploegmes is gebroken.

 

                        

 

Carmen 13. Een aardige uitnodiging.

 

Je zult, mijn beste Fabullus, bij mij         

een heerlijk avondmaal genieten, binnen weinig dagen,               

als de goden je welgezind zijn,                                  

 als je tenminste zelf een goed en rijk maal meebrengt,                 

en, niet te vergeten, een mooi meisje,                              

wijn, geestigheid en allerhande grappen.                        

 Als je dat meebrengt, mijn beste, zal je, zoals ik zei, een uitstekend diner

beleven, want de beurs van jouw Catullus zit vol spinnenwebben.                           

Als tegengift zal je zuivere liefde ontvangen,                 

tenzij iets behaaglijker of aangenamer is.                 

Want ik zal reukwerk geven, dat Venussen en Cupido’s aan mijn meisje

geschonken hebben, en als je dat ruikt, Fabullus,                                    

zul je de goden smeken je één en al neus te maken.

 

                        

 

Carmen 36. Volgekakt papier.

 

Kroniek van Volusius, volgekakt papier,

vervul de gelofte van mijn meisje.

Aan de heilige Venus* en Cupido*

beloofde zij dat, als ik ophield

met felle verzen te verspreiden,

en ik weer werd gegeven aan haar,

zij de mooiste gedichten van de slechtste

aller dichters aan de kreupele god zou geven

om te worden verbrand op hout van onheilsbomen.

De sluwe meid dacht met een charmant lachje,

zo de goden te kunnen ontroeren.

Nu dan, U, godin geboren in de blauwe zee,

met u heiligdommen in Idalium*, het toegankelijk Urion,

Ancona, het rietrijke Chidus*, Amathus*, Golgi* en Dyrrhachium, *

pleisterplaats aan de Adriatische zee.

Beschouw de gelofte als ontvangen en naar behoren betaald,

zeker waar het niet onelegant is noch ontbreekt aan smaak.

Intussen: jullie hier, daal af in het vuur, verzameling

vol plattelandse grofheid.                                               

Kroniek van Volusius, volgekakt papier!

 

                         

 

Carmen 37. Aan de vaste klanten en Egnatius.

 

Geile kroeg en jullie vaste kroeglopers,                                                              

aan de negende zuil te rekenen vanaf de tempel van de broeders,*             

denken jullie dat jullie alleen een pik hebben,                                                  

denken jullie dat het alleen aan jullie toegestaan is                                      

al wie een meisje is te naaien                                    

en de andere te beschouwen als stinkende bokken? *                   

Denken jullie dat ik niet zal durven rammen                                               

op 200 toogzitters tezamen, of omdat jullie als tweehonderd dwazen

naast elkaar zitten jullie niet durf te pakken?                                              

Nou, geloof maar van wel: want ik zal de hele voorgevel van de kroeg

met obscene krabbels tegen jullie bekladden.                                       

Want mijn meisje, zozeer door mij bemind als geen ander ooit bemind

zal worden, die is gevlucht voor mijn omhelzing, voor wie ik grote

oorlogen heb gestreden, zit daar. Jullie allen beminnen haar,             

bevoorrechte en welgestelde heren, en wat onwaardig is, alle miezerige

kleine mannetjes en overspeligen uit de achterbuurten; en jij bovenal,            

zoon van het Keltiberisch* konijnenland, Egnatius, die de kroesbaard een

sociale status geeft en zijn tanden poetst met Spaanse urine.

 

                        

 

Carmen 43. Aan Ameana: onvergelijkelijk.

 

Gegroet meisje, met niet zo'n klein neusje,

niet zulke kleine voetjes, niet zulke kleine zwarte oogjes,

niet zulke slanke vingers, niet zulke drogen lipjes,

en werkelijk niet zo’n beschaafde taal

liefje van die bankroetier* van Formiae.*

En jou vinden ze in de provincie mooi?

Vergelijkt men jou met mijn Lesbia?

O tijd van wansmaak, tijd van onverstand!

 

                         

 

Carmen 51. Aan Lesbia: in navolging van Sappho.

 

Hij lijkt mij gelijk een god te zijn,                                                                          

en, als men dat mag zeggen, de goden te overtreffen,  

hij die zittend tegenover jou,  

naar jou kijkt en naar jou luistert,

 

jij die zacht lacht, wat mij ongelukkige                       

van al mijn zinnen berooft;

want zodra ik je maar even zie,                                                                         

Lesbia, rest mij niets meer van mijn stem,

 

nee, mijn tong ligt verlamd in mijn mond,                                                                      

een tintelend vuur stroomt diep in mijn ledematen,                                                                          

de oren suizen door hun geluid,                                                                           

mijn twee ogen worden bedekt door het dubbele duister.  

 

Nietsdoen valt je zwaar, Catullus:                                                                                    

je bent overmoedig door nietsdoen en je bent al te zeer uitgelaten:

nietsdoen heeft eerder koningen en gelukkige steden ten gronde gericht.

 

                        

 

Carmen 58. Aan Marcus Caelius Rufus*: jammeren om Lesbia.

 

Caelius, onze Lesbia, die Lesbia,                                                                        

die Lesbia, die Catullus als enige 

meer dan zichzelf en al zijn naasten heeft liefgehad,  

trekt nu op viersprongen en in steegjes 

de kleinzonen van de edele Remus* af.

 

                        

 

Carmen 70. Vrouwelijke trouw.

 

Mijn vrouw zegt dat zij met niemand liever wil trouwen dan met mij, 

zelfs als Jupiter haar ten huwelijk zou vragen.

Dat zegt ze: maar wat een vrouw haar gretige minnaar zegt,

moet men schrijven op de wind of in snel stromend water.

 

                           

 

Carmen 72. Aan Lesbia: vertrouwelijkheid.

 

Jij zei eens dat je alleen Catullus kende,  

Lesbia, en dat jij Jupiter niet liever wilde bezitten dan mij.                                                          

 Ik heb jou toen niet slechts liefgehad, zoals een gewone man zijn liefje,    

maar zoals een vader zijn kinderen en schoonzonen liefheeft. 

Nu ken ik jou: en daarom, hoewel ik feller van liefde brand, 

ben jij voor mij toch van veel minder waarde en onbeduidender.  

Hoe is het mogelijk?’ zeg je. Omdat zo’n onrecht iemand die verliefd is

dwingt tot meer liefde, maar minder tot genegenheid.

 

                           

 

Carmen 75. Geketend.

 

Zover is mijn geest gebracht door jouw schuld, Lesbia,  en zo heeft mijn

geest zichzelf vernield, door haar eigen trouw.                                     

In die mate dat mijn geest niet meer in staat is het goed met je te menen,

zelfs als je heel goed wordt, noch te stoppen met je te

beminnen, ook al doe je alles.

 

                        

 

Carmen 76. Aan de goden.

 

Als een man die terugdenkt aan zijn vroegere weldaden enig genot heeft,

wanneer hij denkt dat hij rechtschapen is,                                    

dat hij zijn onder ede gegeven woord niet geschonden heeft en dat hij

de goddelijke macht niet misbruikt heeft om mensen te bedriegen bij

geen enkele overeenkomst, dan wacht jou, Catullus, een leven vervuld

van vreugde, als gevolg van deze onbeantwoorde liefde.                           

Want al wat de mens maar voor een medemens aan goeds kan

 zeggen of doen, dat heb jij én gezegd én gedaan.

Al je inzet voor dit zelfzuchtig wezen bleek voor niets:

 

Waarom verman je je niet en waarom trek je jezelf van daar niet terug

en waarom stop je niet met tegen de wil van de goden ongelukkig te zijn?

Het is moeilijk om zomaar een lange liefde op te geven.

Het is moeilijk, maar dat moet je hoe dan ook doen. Dit is de enige kans op redding,

dit moet je tot stand brengen; dit moet je doen, of je daar toe in staat bent of niet.

O goden, als u medelijden kent, of als u een van deze mensen

op het laatste moment ooit bracht een laatste redmiddel in de dood zelve –

zie dan mij, arme, aan en zo ik oprecht heb geleefd, bevrijdt mij dan van

deze plaag, deze langzame dood: de ziekte, die de vreugde uit mijn

borst heeft gedreven toen ze binnendrong als een verlamming in mijn diepste wezen.

Ik vraag niet meer dat zij mij van haar kant lief heeft,

of dat ze kuis zou willen zijn, wat onmogelijk is;

ik wens zelf gezond te zijn en mij van deze vreselijke ziekte te ontdoen.

O goden, gun me deze genade in ruil voor mijn rechtschapenheid.

 

                           

 

Carmen 77. Aan Rufus*: verrader.

 

Rufus, door mij vergeefs en voor niets als vriend beschouwd 

(Vergeefs? Integendeel, voor een hele hoge prijs en tot mijn ongeluk),              

ben jij zo bij mij binnengeslopen, en heb jij mijn ingewanden geheel                 

 verbrandend, aan mij, ach ongelukkige, ons hele bezit weggerukt?                                     

Jij hebt het weggerukt, ach wreed venijn van ons leven,                                

ach pest van onze vriendschap!

 

                         

 

Carmen 79. Aan Lesbia.

 

Lesbius* is mooi. Waarom niet? Lesbia wil hem liever

dan jou en jouw hele geslacht, Catullus.

Toch laat deze mooie jongen Catullus en zijn hele familie veilen,

als hij drie zoenen van bekenden kon krijgen.

 

                         

 

Carmen 83. Aan Lesbia.

 

Lesbia spreekt veel kwaad over mij in aanwezigheid van haar man:*

dit tot grote vreugde van die dwaas.

 

Ezel, merk je niets? Als ze zou zwijgen, nadat ze me vergeten is,

zou ze gezond zijn:

omdat ze nu honderduit praat en onderbreekt, herinnert ze niet alleen mij,

maar dat ze woedend is, een zaak, die veel ernstiger is.

Zo is het: ze wordt verteerd van verlangen en daarom praat* ze maar.

 

                         

 

Carmen 85. Haat / Liefde.

 

Ik haat en ik bemin. Waarom ik dit doe vraag je misschien?

Ik weet het niet. Maar ik voel het gebeuren en het verscheurt me.

 

                         

 

Carmen 86. Aan Lesbia: ware schoonheid.

 

Quintia noemt men wel mooi, maar ik noem haar blank, slank en rijzig:

prijzen wil ik haar graag, mits het om details gaat alleen;

 maar in het algemeen "mooi", dat wil mij niet over de lippen,

want in dat hele stuk vlees sprankelt geen korreltje zout.

 Lesbia, die noem ik mooi, want in haar is al het schone verenigd;

liefelijk is zij daarbij: niemand zo lieflijk als zij.

 

                        

 

Carmen 87. Aan Lesbia: onvergelijkbaar.

 

Geen vrouw kan naar waarheid zeggen dat ze zoveel bemind is,

zoveel als mijn Lesbia door mij.                                                                                         

Geen trouw was in enige verbintenis ooit zo groot,

als die van mij in mijn liefde voor jou.

 

                        

 

Carmen 91. Mijn vergissing: aan Gellius.*

 

Het is niet omdat ik je goed kende of hoopte dat je mij trouw zou zijn,

Gellius, in mijn ellendige en verloren gegane liefde,

of omdat ik dacht dat je je kon beheersen en afzien van een dergelijk

schandelijke daad, maar omdat zij, naar wie een hevig verlangen aan mij

knaagde, noch je moeder noch je zuster was.

En hoewel ik met nauwe (vriendschap) banden met je verbonden was,

had ik nooit gedacht dat dit reden genoeg voor je zou zijn.

Zoveel vreugde verschaft jou alle schuld

aan wat maar iets misdadigs heeft.

 

                        

 

Carmen 92. Teken van liefde.

 

Lesbia spreekt altijd kwaad over mij en zwijgt nooit over mij:

moge ik doodvallen als Lesbia niet van mij houdt. 

Hoe ik dat weet? Omdat mijn gedragingen dezelfde zijn: ik verwens haar voortdurend,

maar ik mag doodvallen als ik niet van haar hou.

 

                        

 

Carmen 104. Monsterlijk.

 

Geloof jij dat ik zou kunnen kwaadspreken over mijn leven,

 haar die mij dierbaarder is dan mijn beide ogen?

 Ik kon niet – kon ik het, ik zou niet zo wanhopig beminnen:

 maar jij doet met Tappo alle monsterlijke dingen.

 

                           

 

Carmen 107. Aan Lesbia.

 

Als er ooit iets ten deel valt aan iemand die het begeert en wenst,

zonder dat hij er nog op hoopt,

dit is dierbaar voor mijn geest in de ware zin van het woord. 

En daarom is dit dierbaar ook voor ons, dierbaarder dan goud, dat jij,

Lesbia, opnieuw mijn geliefde wordt,

naar wie ik verlang, maar er niet meer op hoop, dat jij uit jezelf

terugkeert naar mij. 

Deze dag die met een hagelwit steentje aangeduid moet worden!

Wie leeft gelukkiger dan ik,

 of wat valt er méér te wensen dan dit leven?

Wie zal het durven zeggen.

 

                        

 

Carmen 109. Aan Lesbia: een gebed.

 

Een prettige liefde, mijn leven, beloof jij mij deze van ons, tussen ons en

dat zij eeuwig zal duren.  

Grote goden, maakt, dat zij het naar waarheid kan beloven en dat zij dit

oprecht zegt en uit de grond van haar hart, zodat het ons gegund is ons

hele leven lang voort te zetten dit eeuwige verbond van heilige vriendschap.

 

                        

 

NOTEN

 
I.Vogels werden in de Oudheid vaak als een fallussymbool gebruikt.

Vooral de mus gold als een wellustig dier en nog steeds betekent in het

Italiaans ‘passero’ o.a. ‘penis’. Het woord passer kon echter voor iedere

kleine vogelsoort gebruikt worden.     Terug naar tekst

 
2.  Ervan uitgaande dat de passer inderdaad penis betekent,

staat de dood natuurlijk voor: impotentie     Terug naar tekst

 

3. Machten van Liefde en Verlangen     Terug naar tekst

 

4.Orcas, een andere naam voor Pluto god van de onderwereld en de onderwereld zelf  Terug naar tekst

 
5.Letterlijk: ‘heeft voor ons de waarde van één as..

De as was in oorsprong zowel een eenheid van gewicht als een munteenheid.

Geleidelijk had de as zijn waarde verloren en ten tijde van Catullus was zijn

geringe waarde spreekwoordelij    Terug naar tekst

 

6.De hemel god, zoon van Saturnus en Rhea, de eik is zijn heilige boom.

Zijn machts emblemen zijn een scepter en bliksemschichten.

Juno is zijn vrouw en zuster.   Terug naar tekst

 

7.De tombe van de Spartaanse koning Battus bevond zich op het forum van Cyrene;

hij bouwde de stad in 630 v.Chr.    Terug naar tekst

 

8. Waarschijnlijk Marcus Furius Bibaculus, uit Cremona, een van de nieuwe dichters (poetae novi

ookwel, Neotericoi).    Terug naar tekst

 
9.Aurelius is een onbekende vriend van Catullus.   Terug naar tekst
 

10.De Griekse godin Eos , godin van de rozenvingerige dageraad. Bij de Romeinen Aurora geheten

was de zuster van de zonnegod Helios en de maangodin Selene en de moeder van de vier winden.  Terug naar tekst

 

11.Hyrcanos: Hyrcanië, in het zuidoosten van de Kaspische Zee,

noemden de Perzen Varkana (= Land van de Wolf). De hoofdstad was Zadracarta (het huidige Gurgan).   Terug naar tekst

 

12.Sagas: De Sacae/Sagae waren een Scythische nomadenstam in het noordoosten van Baktriana.  Terug naar tekst

 

13.Het Parthische Rijk, ten zuid-westen van de Kaspische Zee, was de vijand van Rome in het oosten.

Haar bereden boogschutters waren buitengewoon effectief.    Terug naar tekst

 
14.De zee die gekleurd wordt door het meegevoerde slib (aequor = zee).   Terug naar tekst
 

15.Venus. De godin van de liefde. De dochter van Jupiter en Dione.

Zij is Aphrodite, geboren uit de golven van de zee, een incarnatie van Astarte, godin van de Phoeniciërs.

De moeder van Cupido bij MarsTerug naar tekst

 

16.Cupido. De god van de liefde, zoon van Venus en Mars. (Aphrodite). Hij word afgebeeld als een

blind gevleugeld kind gewapend met pijl en boog en draagt een brandende fakkel.   Terug naar tekst

 
17. Idalium. Een district op Cyprus met een groeve gewijd aan Venus   Terug naar tekst
 

18.Ancona. Een stad aan de Adriatische kust, een voormalige Griekse kolonie,

wordt inverband gebracht met Venus.    Terug naar tekst

 
19.Chidus. Een stad in Carië in klein Azië met drie tempels gewijd aan Venus.  Terug naar tekst 
 
20.Amathus. een provincie van, en alternatieve naam voor Cyprus.    Terug naar tekst
 

21.Golgi. Een stad op Cyprus inverband gebracht met de aanbidding van Venus.    Terug naar tekst

 
22. Modern Durres, aan de Adriatische zee, waar Venus werd aanbeden   Terug naar tekst
 

23. pilleatis fratribus: bedoeld wordt de tempel van Castor en Pollux. Hun tempel, gewoonlijk

tempel van Castor genoemd, bevond zich aan de  zuidzijde van het Forum.

In 6 v.Chr. werd hij gerestaureerd en heden bestaan nog drie Corinthische zuilen.

In de kunst werden de broers vaak afgebeeld met eivormige helmen/kappen,

een verwijzing naar hun afstamming uit een ei    Terug naar tekst

 
24. Hircos: als scheldwoord houdt het een verwijzing naar stank in. De overigen, die niet tot het

gezelschap behoren, worden smalend ‘stinkende bokken' genoemd     Terug naar tekst

 

25. cuniculosae Celtiberiae: Keltiberië was in de oudheid een deel van het Iberisch schiereiland in

het brongebied van de Guadiana en de Taag. Op munten in Spanje komt inderdaad

soms een konijn voor. De bron van Catullus is wellicht zijn vriend Verianus.    Terug naar tekst

 

26. Caesar’s hoofd ingenieur (praefectus fabrum) in Gallië,

en een van zijn intimi. Hij kwam van  Formia in Latium vandaar

gerefereerd naar als Formianus.     Terug naar tekst

 

27. Formiae (nu Formia) is een stadje gelegen aan de Via Appia vrijwel halverwege tussen

Fundi en Minturnae. Aan het eind van de republiek en ook nog onder het principaat was het

door zijn prachtige natuur en zijn ligging aan de baai een zeer geliefd oord bij de rijke Romeinen. 

Terug naar tekst

 

28. Marcus Caelius Rufus. Aanvankelijk een vriend van Cicero maar later vervreemde zij van

elkaar en huurde hij een huis van P.Clodius in een ‘society’ wijk op de Palatinus.

Hier werd hij een nabuur van Clodia (Lesbia), zuster van P.Clodius, en sinds 59 weduwe van

Q. Caecilius Metellus Celer. Hij begon al snel een verhouding met haar – hierin de dichter

Valerius Catullus vervangend – die circa 2 jaren duurde; de geliefden kregen echter ruzie en

Clodia, die van hem af wilde, keerde zich tegen Caelius en beschuldigde hem van een

poging tot vergiftiging.

Met hulp van Cicero en Crassus verdedigde hij zich met succes in 52. (Pro Caelio IV)

Van Rufus kreeg zij de bijnaam quadrantaria (i.e.vierstuiver hoer)

want men zou al met deze kleine munt haar liefde kunnen kopen.    Terug naar tekst

 

29. Magnanimi Remi nepotes : spottend bedoeld: voordat Remus nakomelingen kon verwekken,

werd hij al vermoord door zijn broer Romulus. De Romeinen waren zo trots op hun stamboom,

waarin Romulus (en dus diens vader, de god Mars) en Aeneas (en dus diens moeder,

de godin Venus) voorkwamen, dat Catullus het niet kan nalaten om deze trots te knakken.  Terug naar tekst

 

30. Catullus suggereert dat Lesbia een incestueuze relatie heeft met haar broer,

aangezien zij meer om hem geeft dan om haar minnaar Catullus.

(Lesbius = mannelijke vorm van Lesbia. Lesbius’ bijnaam was Pulcher = mooi, knap)   Terug naar tekst

 
31. Q.Caecilius Metellus Celer, consul 60 v.Chr.     Terug naar tekst
 
32. Waar het hart vol van is loopt de mond van over.      Terug naar tekst
 
33. Lucius Gellius Poplicola. Consul in 36 v.Chr.

Hij voerde het bevel over de rechtervleugel van Antonius’ vloot te Actium.

Gellius was de minnaar van Lesbia (Clodia) en als zodanig rivaal van Catullus wiens ‘vriend’ hij was.

De affaire speelde in de zomer van 56 tot de winter van 55/54 v.Chr.     Terug naar tekst