M. Vipsanius L. f. Agrippa. RE -2-

Geb. 64/63 v.Chr.
Overl. ca. 17 Maart 12 v.Chr. te Baiae
.

 
 
 

Functies:

Tribunus plebis 1 in 43 of 42, praetor urbanus 40. 2
Proconsul Gallia Transalpina 40-38.

Consul in 37 v.Chr. 3
Proconsul van de vloot in 36 tegen Sex.Pompeius Magni f.
Corona navalis voor overwinning in de zeeslag bij Naulochus.
Proconsul Illyricum 35-34.

Aedilis curulis 33. 4
Dux classis (proconsul v/d vloot) 32-31. 5
Quindecemvir sacris faciundis 6, waarschijnlijk vóór 31.
Censor 29/28 7.

Consul II, in 28 v.Chr., consul III, in 27 v.Chr.  ILS 129
Sinds 23 Imperium proconsulare over alle provincies,

uitgezonderd de senaatsprovincies, voor de duur van vijf jaren.
Legatus Augusti Gallia en Hispania 20-19.
Sinds 18 Imperium proconsulare over alle provincies inclusief de senaatsprovincies.
Tribunicia potestas gedurende vijf jaren 18-13.
In het Oosten van 16-13,
ILS 130

Tribunicia potestas in 13 hernieuwd, wederom voor de duur van 5 jaar.
Adlectus inter patricios na 29 v.Chr. 8

 

Huwde 1 : in ca. 37 v.Chr. met Caecilia Attica,

                dochter van T.Pomponius Atticus en van Pilia.

    Hieruit:
    Vipsania Agrippa.
ILS 165
    Geb. tussen ca. 36 en 29 v.Chr.
    Overl. in 20 na Chr. te Rome.


    Huwde 1: in 23 v.Chr. met Ti.Claudius Nero. (Zie Tiberius)


    Huwde 2: met C.Asinius Gallus, zoon van C.Asinius Pollio, consul 40 v.Chr.

      Scheiding ca. 29-28 v.Chr.

Huwde 2: in 28 v.Chr. met Marcella maior, dochter van

               C.Claudius C.f. Marcellus, consul 50 v.Chr., en van Octavia minor.

    Hieruit:
    Vipsania Marcella. (Zie Quinctilius Varus)

      Scheiding in 21 v.Chr.

Huwde 3: in 21 v.Chr. met Julia, dochter van

               Augustus en van Scribonia, dochter van L.Scribonius Libo.

 
Hieruit:

C.Julius Caesar geb. in 20 v.Chr. Zie aldaar
Julia minor geb. in 19 a 18 v.Chr. Zie aldaar
L.Julius Caesar geb. in 17 v.Chr. Zie aldaar
Agrippina maior geb. in 14 v.Chr. Zie aldaar
Agrippa Posthumus geb. in 12 v.Chr. Zie aldaar

 
   


Kort overzicht van Agrippa’s belevenissen.

Marcus Agrippa was: schoolvriend, vertrouweling, generaal, schoonzoon,

mede-regent en aangewezen opvolger van Augustus.
Zijn eerste intrede in de geschiedenis deed Agrippa rond zijn twintigste toen hij met zijn vriend C.Octavius

(de latere Augustus) studeerde te Apollonia in Illyricum en hen in 44 v.Chr. het bericht bereikte

van de moord op Julius Caesar.
In 43 of 42 werd hij trib.plebis en verkreeg hiermee toegang tot de senaat.
Vrijwel zeker was hij present te Philippi waar Brutus en Cassius
ten onder gingen en met hen de republiek.
Tijdens de Perusiaanse oorlog van 41- 40 tussen Octavianus en L.Antonius

- de jongere broer van Marcus Antonius – voerde hij met succes

het bevel over een deel van het leger van zijn vriend.
Van 40 tot 38 was hij proconsul te Gallië Transalpina waar hij strijd voerde
tegen een aantal stammen en een opstand in Aquitanië bedwong.
Hij liet in 38 v.Chr. – zo niet al eerder - zijn gentilicium (Vipsanius) vallen

en noemde zich sindsdien uitsluitend, Marcus Agrippa. (Seneca, Controv.2,4,13)
In 37 keerde hij terug naar Rome om het bevel op zich te nemen in
de op uitbreken staande oorlog tegen Sextus Pompeius.
In 36 werd deze door Agrippa verslagen bij Mylae en vervolgens in
een zeeslag bij Naulochus (3 September) voor de kust van Sicilië.
Hiervoor werd hem de corona navalis verleend.
Van 35 tot 34 was hij proconsul in Illyricum waar hij, samenwerkend met o.a. Valerius Messalla, cos.31,

en Statilius Taurus, cossuff.37, in Pannonia diversen stammen bevocht en daarbij de vesting Siscia veroverde en vervolgens de Dalmatische kuststreek ‘pacificeerde’.
Als aedilis curulis in 33 zorgde hij voor het herstel en onderhoud van de bestaande aquaducten
en leidingen van Rome en de aanleg van een nieuwe, de Aqua Iulia.
Tijdens de oplopende spanning in de propaganda oorlog tussen
Octavianus en Marcus Antonius in 32

werd Agrippa aangesteld als bevelhebber over de vloot waarmee hij op 2 september 31 te Actium een

vrij makkelijke overwinning behaalde op Antonius en Cleopatra en Octavianus
aan de alleenheerschappij hielp.
In 30 werd hem hiervoor uitgereikt de vexillum caeruleum of "zeegroene vlag"
alsook een corona rostrata of "scheepsboegkroon". 9 (Dio 51.21,3)
In 23 v.Chr. zond Augustus hem met uitgebreide volmachten naar Syrië.
Agrippa ging echter niet naar Syrië maar verbleef van 23 tot 21 v.Chr. te Mytilene op het eiland Lesbos.
In Syrië liet hij zich vertegenwoordigen door legati pro praetore
terwijl hij vanuit Lesbos ook de Balkan in de gaten hield.
In 21 verliet hij Lesbos en keerde terug naar Rome.
Gedurende de eerstvolgende vier jaren hield hij zich bezig met kwesties in het westen.
Van 20 tot 19 was hij in Gallië en Spanje, waar hij in het laatste jaar door
planning,

geduld en meedogenloos optreden een einde maakte aan de twee eeuwen durende verovering van Spanje.
Vanaf 18 omvatte Agrippa’s imperium tevens de senaatsprovincies
en werd hij deelgenoot in de tribunicia potestas.(Dio, 54, 12, 4f.)
Van 16 tot 13 was hij opnieuw in het oosten.
Op zijn terugtocht voerde hij in de winter van 13/12 een campagne in Illyricum
die zijn gezondheid teisterde en hem te vroeg ten grave voerde.
Agrippa stierf in Maart 12 v.Chr.
Na zijn overlijden werd hij bijgezet in het mausoleum van Augustus.

Bij zijn begrafenis sprak Augustus de lijkrede waarvan een deel bewaard
is gebleven in de vorm van een Griekse kopie op een papyrus fragment in Egypte.
(Kölner Pap.1 (1976) no.10.)

----- want tribunicia potestas werd u verleend voor de duur van vijf jaren

door de senaat, toen de Lentuli 1 consuls waren.
Het zelfde werd u wederom verleend voor een andere Olympiade,
toen Tiberius Nero en Quinctilius Varus, Uw schoonzonen 2, consuls waren.
En het is wettig bepaald dat, naar welke provincie de Romeinse staat
u ook moge roepen, niemend daar een grotere macht 3 zal hebben dan de uwe ------
weefsel en onze ---- met hun eigen en ----- van allen ----

 ■ 1. in 18 v.Chr. P.Cornelius Lentulus Marcellinus, en Cn.Cornelius Lentulus.
 ■ 2. in 13 v.Chr.Ti.Claudius Nero, de toekomstige keizer, en P.Quinctilius Varus,
          bekent van de ramp van 9, waren toen consuls.
 ■ 3. Imperium maius, waarschijnlijk, of imperium aequum is ook mogelijk.

M.Reinhold in ‘M.Agrippa’, 1933, denkt aan:
Imperium proconsulare over de Niet-Senatoriale provincies met Syria
als zijn speciale provincie vanaf 23 v.Chr.
Imperium maius over de senaatsprovincies ten oosten van de Ionische zee vanaf 18 v.Chr.
Uitgebreid tot ook de westelijke provincies in 13 v. Chr.

E.W.Gray in Zeitschrift für Papyrologie und Epigrafik VI. (1970)
Stelt dat Agrippa misschien in 23 imperium aequum in het Oosten
ontving met Syria als zijn speciale provincie, in 18 imperium aequum in het hele rijk,
en vervolgens in 13 imperium maius met Augustus.

R.Syme in Review Siber’, ‘Das Führerambt des Augustus’, 1940 over Agrippa:
An imperium aequum (to that of provincial governor) now seems to be attested

for 23 BC. (See E.W.Gray,Z.f.P.E. VI.1970, p.227 ff.)

Gray argues (following Dio)
that it was left aequum when renewed in 18 BC. and made maius in 13 BC.

 
   
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat.
De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus), kon elk besluit,
ook van consuls en senaat, ongeldig verklaren door zijn veto (intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr. werd o.a. dit veto recht aan de tribuun ontnomen.

Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had
tot de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carriére,
wat precies de bedoeling was van Sulla.
In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,
met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen de kandidatuur
voor andere magistraatsfuncties toe te staan,
zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio)
en door de volksvergadering laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeen roepen en besluiten voor leggen (ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebejers te beschermen.

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;
en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.”

Terug naar tekst

 
   
2.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus  voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v.een consul met een militair commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij
als pro praetor het bestuur uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 verhoogd naar 16. 
Terug naar tekst

 
   
3.

Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Met zijn mede-consul vormde zij de twee hoogste ambtenaren in de Romeinse republiek.
Zij hadden tot taak het bijeen roepen van de senaat en de

volksvergadering, waarvan zij de besluiten uitvoerden.
In oorlog waren zij belast met het opperbevel.
Als pro consul waren zij belast met het bestuur van een (consulaire) provincie. 
Terug naar tekst

 
   
4.

Aediles
Jaarlijks werden 2 aediles curulis en 2 aediles plebis gekozen door de Comitia tributa.
Zij waren belast met handhaving van de orde in de stad, toezicht op handel en verkeer, organisatie en bekostiging van de openbare feestelijkheden, brandweer en bouw inspectie.
Het aedielschap gaf toegang tot de senaat.
Men werd e.v.t. aedilis 6 jaar na het quaestorschap.
Hun aantal werd onder Julius Caesar,
i.v.m. diens schepping van de aediles Ceriales, verhoogd tot 6 aediles. 
Terug naar tekst

 
   
5. ‘Dux’ duidt op een zelfstandig opererend bevelhebbersschap;
in dit geval, over de Romeinse vloot te Actium. 
Terug naar tekst
 
   
6.

Quindecemviri sacris faciundis.
De 15 mannen hielden toezicht op de Sibillijnse boeken, toezicht
op buitenlandse godsdiensten in Rome,
en het brengen van zoenoffers ter afwering van ongunstige voortekenen. (prodigia)
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia)

Terug naar tekst

 
   
7.

Censors.
Het ambt werd vrijwel uitsluitend door oud-consuls bekleed.
Officieel om de 5 jaar doch in de praktijk met onregelmatige
tussenpozen werden 2 censoren gekozen die hun functie
maximaal 18 maanden uitoefenden.

Zij onderwierpen de bevolking aan een vermogensschatting (census)
op grond waarvan belasting en o.a.klasse-indeling werd bepaald.
Zij hielden toezicht op de staatsbegroting en waakten over de zeden.
De censors konden, indien nodig, onwaardig bevonden leden uit

de senatorenstand en ridderklasse verwijderen en nieuwe benoemen.

Terug naar tekst



ILS 129
M.Agrippa L.f. cos. tertium fecit 1
Imp. Caes. L.Septimius Severus Pius Pertinax Aug. Arabicus Adiabenicus

Parthicus maximus pontiff.max. trib. potest. X 2

imp. XI cos. III p.p. procos.

et imp. Caes. M.Aurelius Antoninus Pius Felix Aug.

Trib.potestat. V cos. procos.
Pantheum vetustate corruptum cum omni cultu restituerunt.
 ■ Romae in Panthei epistylio. 1. cos. tertium a.727(27 v.Chr.),
      Pantheum fecit 729 (Dio 53,27 cf. Plin.34, 13; 36,38) - 2. 202 na Chr. 
Terug naar tekst

ILS 130
M.Agrippa L.f. cos. III, trib.pot.III 1
 ■ 1.a.738/9 a.u.c. (16/15 v.Chr.) 
Terug naar tekst

 
   
8. Opgenomen onder de patriciërs: Romeinse adel.  Terug naar tekst  
   
9.

Dio 51.21, 3.  Terug naar tekst


ILS 165
Agrippinae M.Agrippae f., Drusi Caesar matri //// //// //// 1 d.d.
 ■ Laude Pompeia. Agrippinae nupsit primum Ti.Neroni,
      ex quo mater extitit Drusi Caesaris (Suet.Tib.7),
      deinde C.Asinio Gallo, Asinii Pollionis filio, consuli a.746 (Tac.ann.I.12)
      1.Erasum nomen Asinii Galli 
Terug naar tekst