M. Valerius M. f. M. n. Messalla Corvinus. RE –261- 

   


Geb. tussen 64-59 v.Chr.
Overl. tussen 8-13 na Chr.
1

Zoon van M.Valerius Messalla Niger, consul 61 v.Chr., en van Valeria,
2
dochter van Valerius en Hortensia;

en zuster van Valerius Rufus, cos. 53.

 
 
Functies:

Legatus 43-42 onder Cassius en Brutus.
3
Augur supra numerum cooptatus 36.
4
Consul suffectus 1 Jan.-1 Mei 31 v.Chr.
5
Proconsul Syria ca. 30-29.
6
Proconsul Gallia ca. 28-27, vierde een triomf over de Aquitanii.
7
Praefectus urbi 26, gedurende 6 dagen.
8
Arvalis 21 v.Chr.
9
Curator Aquarum 11 v.Chr. tot zijn dood.
10
 

Huwde 1. met Calpurnia [M.f.?] 11

Hieruit:

(1). M.Valerius Messalla Messallinus.
      Geb.36 v.Chr.
      Quindecemvir sacris faciundis vòòr 19 v.Chr.

      Consul 3 v.Chr.
      Legatus Illyricum in 6, vocht tezamen met Tiberius tegen Maraboduus,

      koning der Sueven, waarvoor de ornamenta triumphalia.

(2). Valeria,
12
      die door haar huwelijk met T.Statilius Taurus, cos.11,
      de grootmoeder werd van Statilia Messallina, de echtgenote van keizer Nero.

Huwde 2. met Aurelia.
13

Hieruit:

      M.Aurelius Cotta Maximus Messallinus.
      Geb. ca. 14 v.Chr.
      Consul 20 na Chr., proconsul Asia ca. 35-36
.

 
   

Kort overzicht van Corvinus’ belevenissen.

Messalla Corvinus, cos. 31 v.Chr., kwam op de proscriptielijst van de triumviri ,
vluchtte, en voegde zich in Juli 43 bij M.Junius Brutus.
In gezag en aanzien kwam hij na Brutus en Cassius Longinus en hij voerde het bevel
over de rechtervleugel

van Cassius’ leger tijdens de eerste slag bij Philippi. (23 Oct. 42 v.Chr.)
Nadat Brutus en Cassius waren omgekomen te Philippi in Thracië, werd Corvinus,

tezamen met zijn strijdmakker en studiegenoot in 45 in Athene L.Bibulus,

door de triumviri op de proscriptielijst geplaatst.
Wegens zijn hogere afkomst werd Corvinus, z.g. wegens het feit dat hij niet in Rome

was ten tijde van de moord op Caesar, van de lijst geschrapt.

Appianus bell.civ.IV.38:
Messala, een jongeman van aanzien, vluchtte naar Brutus.

De triumvirs, zijn bezieling vrezend, publiseerde het volgende edict:


” Daar de verwanten van Messala het ons duidelijk hebben gemaakt dat hij niet in de stad

was toen C.Caesar werd vermoord, laat zijn naam worden verwijderd van de proscriptielijst”

De twee vrienden Corvinus en Bibulus hadden zich intussen naar de
republikeinse basis 

op het eiland Thasos begeven en stemde al snel daarop in met een capitulatie aan Marcus Antonius.
Vijf jaar later (36) bevonden beiden zich onder de admiraals die Marcus Antonius

zond aan Octavianus om deze te helpen in diens strijd tegen Sex.Pompeius.
Wanneer Corvinus precies overliep naar Octavianus is niet vastgesteld, echter,
een datum (mogelijk kort) na 36 is aannemelijk.

Zoals Appianus (B.C.4.38) het uitdrukte:
“Hij werd vertrouwelijk met Antonius en bleef hem trouw tot de laatstgenoemde

de slaaf werd van Cleopatra.”

Een meer waarschijnlijker reden voor zijn desertie is dat hij

– zoals bijv. Bibulus en Atratinus – de zijde van de sterkste partij verkoos.
Zijn beloning volgde al snel; in 31 nam Corvinus als consulsuff.
de plaats in van de consul designatus voor 31, Marcus Antonius.
Bij Actium (2 Sept.31) had hij een maritiem commando

– waarschijnlijk onder L.Arruntius – in het centrum van Octavianus’ vloot.
In het jaar na Actium vertrok hij met Octavianus naar het oosten.
Vervolgens zond Octavianus hem als generaal tegen de opstandige Kelten
(Aquitanii)

en verleende hem een triomf voor zijn overwinning over hen.
Kort hierna herstelde Corvinus de Via Latina tussen Tusculum en Alba in de Albaanse heuvels.
Na de dood van Agrippa in 12 v.Chr. volgde Corvinus hem in het consulaat van
Aelius Tubero

en Paullus Fabius Maximus (11 v.Chr.) op als curator van de aquaducten van Rome;

een ambt dat hij uitoefende tot zijn dood.
Op voorstel van Corvinus kreeg Augustus op 5 Febr. 2 v.Chr. de titel van
Pater patriae.

Corvinus had, zoals vele vooraanstaande romeinen in zijn tijd, grote belangstelling voor literatuur

en ondersteunde dichters als Ovidius, Tibullus, Horatius en Sulpicia 14, met raad en daad.
Zelf schreef Corvinus over de burgeroorlogen en over Romeinse geslachten.

Corvinus was waarschijnlijk adoptiefzoon van
M.Valerius Messalla Barbatus Appianus, consul 12 v.Chr.

Zijn zuster Valeria (1), huwde met Ser.Sulpicius Rufus minor.
Zijn zuster Valeria (2), huwde met Q.Pedius, quaestor urb. 41.
(Bronnen verschillen hierin van mening, men noemt ook Q.Pedius, de consul van 43 als echtgenoot.
Ik volg hier de door prof.R.Syme in zijn artikel ‘Messalla Corvinus’
gecorrigeerde stemma in R.E.VIII A,143-6)

(Corvinus: o.a.Tac.ann.III.34; IV.34; VI.11; XI.6, 7; XIII.34;

Cic.ad Att.12, 32; 15,17,2; Dio 53,27; Appian.Illyr.18; bell.civ.4, 136;

Seneca Suas.1, 7; 6,27; contr.3; praef.14; apoc.10, 2;

Plin.hist.nat.1, 9.35; 7,90; 10,52; 33,50; 35,8-21)
(consul 3 v.Chr.: o.a.Tac.ann.I.8; III.18, 34; Vell.II.112; 125,5; Suet.Galba 4;
Tibullus 1,3,7,17; 2,5,20; Dio 55,29,30)

 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1. Frontinus, De Aq.102. (zie noot 10)  Terug naar tekst  
   
2. Niger’s echtgenote Valeria werd de tweede vrouw van L.Gellius Poplicola,
en de moeder van L.Gellius Poplicola, consul in 36 v.Chr.
Deze was dus de halfbroer van Messalla Corvinus. 
Terug naar tekst
 
   
3.

Legaten.
We moeten ons goed bewust zijn van de dubbelzinnige betekenis
dat het woord legatus had in de traditie van de kroniekschrijving en,
bijgevolg, ook bij Livius.
Oorspronkelijk waren er twee soorten officieren in het Romeinse leger,
de Tribuni militum en de Praefecti socium.
De senatoriale Legati permanent verbonden aan de bevelhebber van

een leger verschijnt pas relatief laat, pas na de tweede Phoenische oorlog.
Varro omschrijft hen als;
“ qui lecti publice, quorum opere consilioque uteretur peregre magistratus.”
Tegelijkertijd waren zij niet alleen consiliarii maar tevens militaire

officieren ondergeschikt aan de opperbevelhebber.
Echter, zij ontleenden hun militaire autoriteit niet aan hun status

van legaten, maar eerder aan de aanstelling die hun bevelhebber
aan ieder van hen individueel had verleend.
Als legati waren zij slechts potentiële officieren.
Normaal gesproken zou een bevelhebber senatoriale legati met het bevel

belasten over specifieke militaire operaties, maar dat hoefde hij niet.
Hij kon eenieder benoemen die hij geschikt achtte voor de taak.
Zulke personen hadden geen officiële titel, maar de kroniekschrijvers
(door de strekking van de betekenis van de term legatus) noemden hen legaten.
Vandaar de verwarring in onze bronnen, en in onze prosopografiën.
(Magistrates of the Roman Republic, by T.R.S.Broughton (1951).

Terug naar tekst

 
   
4. Augures.
Sedert Sulla een college van 15 priesters, onder Iulius Caesar
verhoogd tot 16 priesters. Functie o.a. het lezen der voortekenen.
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia

Terug naar tekst
 
   
5.

De consul suffectus (plaatsvervangend consul) kwam vooral in zwang

tijdens het principaat.
Ondanks het feit dat het ambt onder de keizers vrijwel geheel

was ontdaan van enige echte macht of zeggenschap in het bestuur van

de staat werd het toch nog gezien als het hoogst bereikbare binnen de cursus honorum.
Mede doordat de keizers zelf vaak jaren achtereen beslag legde op
het ambt en er toch elk jaar nieuwe kandidaten kwamen werden de

naamgevende consuls – de consul ordinarius

(de consuls die aan het begin van het jaar aantraden
en met wiens namen het betreffende jaar werd aangeduid) -
na enige tijd vervangen door suffecti zo dat er meer mensen beloond

konden worden voor hun verdiensten jegens de keizer.

Terug naar tekst

 
   
6. E.v.t. 29/28, eerste datum heeft echter de voorkeur.  Terug naar tekst  
   
7.

Sept. 27 v.Chr.Tr.Cap.: M.Valerius M.f.M.n.Messalla Corvinus

procos. ex Gallia VII k. Oct.   Terug naar tekst

 
   
8.

Praefectus urbi
Oorspronkelijk genaamd Custos Urbis (Lydus, De Magistr. I.34, 38).
Hij werd – waarschijnlijk voor het leven - aangesteld door de koning
en vertegenwoordigde deze tijdens diens afwezigheid.
In de stad bezat hij het Imperium. (Tac. Ann. VI.11; Liv. I.59, III.24).

Ten tijde van de republiek na 487 v.Chr. werd de Custos Urbis
naar alle waarschijnlijkheid gekozen door de curiae.
Alleen personen van consulaire rang kwamen in aanmerking voor dit ambt.

Bij de invoering van het ambt van praefectus urbanus
werd het oude gouverneurschap van de stad hierin opgenomen.
(Lydus, De Mens. 19, De Magistr. II.6).
Het ambt van praefectus urbi verloor geleidelijkaan
zijn oude macht en aanzien en werd hoofdzakelijk verleend
als erebantje aan jongelieden van adellijke afkomst.
De praefectus werd nu jaarlijks aangesteld door de consuls
met het doel hen te vervangen tijdens hun afwezigheid uit de stad
gedurende de Feriae Latinae. (Latijnse spelen)
Onder Augustus herkreeg het ambt veel van zijn oude glorie.
Augustus verleende de praefectus urbi alle benodigde macht om zijn

functie van gouverneur van Rome te kunnen uitoefenen.

Hij was o.a. belast met het handhaven van de openbare orde

en veiligheid; had jurisdictie in zaken tussen meester en slaaf,
cq. ex-slaaf en in bepaalde kwesties tussen vader en zoon.
Door middel van milites stationarii (politie) hield hij toezicht op vele zaken
variërend van het bankwezen tot slagerijen en theaters.
Geleidelijkaan breidde zijn macht zich uit zodat na verloop van tijd er
- behalve bij de princeps zelf -

geen beroep mogelijk was tegen zijn besluiten.
In de derde eeuw na Chr. reikte zijn jurisdictie tot 100 mijlen buiten Rome.

Terug naar tekst

 
   
9.

Fratres Arvales.
Een uit 12 mannen bestaande broederschap die in 29 v.Chr.
door Augustus nieuw leven werd ingeblazen.
De leden bestonden in de tijd van de Julische-Claudische dynastie
uit mannen van redelijk sociaal aanzien: nobiles en ex-consuls.
Daarna behoorde zij met de sodales Titii en de Fetiales tot de minst belangrijke orde. 

Terug naar tekst

 
   
10.

Volgens Frontinus Aq.102,

zou Messalla mogelijk zijn overleden in 13 na Chr.

“Messalae successit Planco et Silio cos. Ateius Capito’’.
De getuigenis in Ovidius wijst echter nadrukkelijk op een vroegere datum,
vermoedelijk in 8 na Chr. (Zie Syme, History in Ovid. 1978, 123f)
Misschien is Ateius Capito dus niet de directe opvolger van Messalla,
maar is er een naam en datum weggevallen. 

Terug naar tekst

 
   
11.

Volgens Syme is Corvinus’ eerste vrouw Calpurnia
misschien een dochter van M.Calpurnius Bibulus, consul 59 v.Chr.,
en van een Ignota, (Dus niet van Porcia),

en zuster van zijn oude vriend L.Bibulus, overleden in 32 v.Chr. in Syria.
Echter, mogelijk ook een dochter van M.Calpurnius Piso, praetor 44 v.Chr.,
de zoon van M.Pupius Piso, consul 61 v.Chr. 

Terug naar tekst

 
   
12. PIR1 V 160.  Terug naar tekst  
   
13.

Mogelijk, doch niet zeker, dochter van M.Aurelius Cotta, pr. ?54.  Terug naar tekst

 
   
14.

Voor een nederlandse vertaling van alle overgeleverde gedichten

van Sulpicia zie op deze site:

Sulpicius Rufus minor, de vader van Sulpicia.  Terug naar tekst