M. Licinius M. f. Crassus Frugi.  RE -59-

   

Zoon van M.Pupius M.f.Piso Frugi, praetor 44.
Adoptiefzoon van M.Licinius M.f.Crassus, cos. 30 v.Chr.
 
 

Functies:

Consul ordinarius in 14 v.Chr.
1 Augur. 2


(Op grond van onderstaand patroonsverdrag tussen Crassus en de Bocchoritani,
een gemeente in het Noordwesten van het eiland Mallorca,
neemt men met zekerheid aan dat hij tevens was):


Legatus Augusti pro praetore Hispania Citerioris 13-10 v.Chr.
Proconsul van Africa in 9/8 v.Chr.
3


A.D’ors, in Epigrafia juridica de la España Romana 367 f.nn 16
= Hisp.Ant.Epigr.4-5, 1953/54 nn.545.


[Iullo Ant]onio Fabio Africano a.d.XVII K.Apriles civitas Bocchoritana
ex insula Baliarum maiorum patronum cooptavit M.Crassum leiberos (sic)
posterosque eius M.Crassus Frugi eos in suam suorumque clientelam receipt

Egerunt C.Coelius C.f. et C.Caecilius T.f.legati. (Op 17 Maart 10 v.Chr.)

 

Vader van
(1).M.Licinius Crassus Men.Frugi.
24 PIR2 276 ILS 954

     Geb. ca. 6 v.Chr.
     Overl. in 46/47 na Chr.

     Functies:
     Curator locorum publicorum iudicandorum.
4
     Praetor urbanus in 24,
5 pontifex, 6 consul in 27.
     Legatus Claudii in M[auretania].
7

     Hij vergezelde Claudius naar Britannia
     en ontving hiervoor voor de tweede maal de ornamenta triumphalia.
8

     Huwde in ca. 20 met Scribonia,
9 dochter van L.Scribonius Libo, cos. 16.
     Crassus Frugi en Scribonia werden in 46 of 47 ter dood gebracht.

     Hieruit
     1a. Cn.Pompeius Crassi f.Men. Magnus. 
ILS 955
           Geb. ca. 23.
           Overl. in 46 of 47.
10

           Functies :
           Vigintivir c.a. 41,
11 praefectus urbi feriarum Latinarum c.a. 42. 12
           Pontifex, quaestor Ti.Claudius Caesar Aug.Germanicus in 43?
13
           Frater Arvalis c.a. 44-46.
14

           Huwde met Claudia Antonia, dochter van Ti.Claudius Aug.Germ.,
           en van Aelia Paetina, dochter van Sex.Aelius Catus, consul in 4

   2a. M.Licinius Crassus Frugi, consul in 64.
25

           Huwde met Sulpicia Praetextata,

           dochter van Q.Sulpicius Camerinus, cossuff. 46. 15

           Hieruit:

           1.(Licinia) Praetextata, v(irgo) v(estalis) maxima.
           2.(?L.Scribonius) Libo ( ?Rupilius) Frugi, consularis in 101.
16
           3.(Licinius) Scribonianus Camerinus.
17
           4.C.Calpurnius Piso Crassus Frugi Licinianus, consul 87 (?)
18

   3a. Licinius Crassus Scribonianus.
        Overl. vóór Juli 70.
        Consul, Augur, Fetialis.
19

   4a. L.Calpurnius Piso Frugi Licinianus.
        Geb. in 37
        Overl.15-1-69 te Rome.
20
        Quindecimvir sacris faciendis.

          Hij werd 4 dagen voor zijn dood door Galba geadopteerd als zoon en

          opvolger, 21 en werd door ondergeschikten van Otho gedood

          bij de tempel van Vesta. 22

        Huwde met Verania Gemina,
        dochter van Q.Veranius , cos.49.
23
        Verania Gemina overleed in ca. 99.

  5a. Licinia Magna, huwde met L.Calpurnius Piso, consul in 57. 
ILS 956

   6a. Licinia?  “Crassi [Frugi pontifi]c(is) f(ilia)”

(Voor consul 27: Suet.Claud.17; Tac.hist.I.14-15; Plut.Galba 23 (errore);
Dio 68.3,16; Vict.epit.12, vita Hadrian.5; Seneca Apoth.11, 2)
(Voor M.Licinius Crassus Frugi en zijn vrouw Scribonia,

zie R.Syme, JRS 50, 1960, 13 ff.)
(Voor Cn.Pompeius Magnus: Suet.Claud.27, 29; Suet.Caius 35;
Tac.hist.I.48; Dio 60.5,7 ff.,21,5, 31,7; Seneca Lud.11, 2 ff.)
(Voor Frugi Liciniamus: Tac.hist.I.14-19, 34-44; Plut.Galba 23,27; Suet.Galba 17,
(Voor Verania: Tac.hist.I.47; Plut.Galba 28)

 
   
   
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

Consuls.
Jaarlijks werden 2 consuls gekozen door de Comitia Centuriata.
Tezamen vormden zij de twee hoogste ambtenaren in de

Romeinse republiek.
Zij hadden tot taak het bijeenroepen van de senaat en de

volksvergadering, waarvan zij de besluiten uitvoerden.
In oorlog waren zij belast met het opperbevel.
Als proconsul waren zij belast met het bestuur van een

(consulaire) provincie.


Grote veranderingen vonden plaats in de eerste eeuw v.Chr.,

toen de staat in de macht kwam van militaire leiders en daarna van de keizers.
De oude ambten werden toen prestigieuze maar betekenisloze sinecures.
Julius Caesar liet naar willekeur personen verkiezen tot consul.
Onder Augustus was het consulschap nog slechts een schaduw van wat het ooit was.
Vanaf de tijd van Tiberius lagen de consulverkiezingen in handen van

de senaat die alleen hen kozen die door de keizer waren aanbevolen.  Terug naar tekst

 
   
2. Augures.
Sedert Sulla een college van 15 priesters, onder Julius Caesar
verhoogd tot 16 priesters. Functie o.a. het lezen der voortekenen.
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia

Terug naar tekst
 
   
3.

IRT 319 = AE 1951,205.
Geattesteerd op 27 Juni 9 v.Chr. – 26 Juni 8 v.Chr.
  Terug naar tekst

 

ILS 954 = CIL VI.31721.
M.Licinius M.f.Men.Crassus Frugi pontif., pr.urb., cos.,
leg.Ti.Claudi Caesaris Aug.Germanici in M[auretani]a ---- 
Terug naar tekst

 
   
4. Curator stond in voor publieke gebouwen en gronden.  Terug naar tekst  
   
5.

(Suffectus in plaats van M.Plautius Silvanus.)


Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hieronder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v. een consul met een militair commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor
het bestuur uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 geleidelijk verhoogd naar 16 in 44 v.Chr.

Augustus verlaagde hun aantal tot 12.

Onder zijn opvolgers werden het er 18.  Terug naar tekst

 
   
6. Pontifices.
Sedert Sulla een college van 15 priesters onder voorzitterschap
van de Pontifex maximus; in totaal dus 16 priesters.
Zij hielden o.a. toezicht op de godsdiensten.
(Vanaf 12 v.Chr. waren alle opeenvolgende princeps pont.max.)
Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
 van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priesterorden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia
Terug naar tekst
 
   
7. Misschien echter leg. Macedonia.  Terug naar tekst  
   
8.

Ornamenta triumphalia.
Tijdens het principaat kwamen alleen leden van de keizerlijke familie
in aanmerking voor een volle triomf (curulis triumphus).
Dit was een plechtige optocht, waarbij de zegevierende generaal

Rome binnentrok gezeten in een zegewagen (currus) getrokken door vier paarden.
Hij werd vooraf gegaan door belangrijke krijgsgevangenen en oorlogsbuit,
en gevolgd door zijn troepen.
Na in statie over de Via Sacra (heilige weg) te zijn gegaan,
besteeg hij de Capitolijnse heuvel om in de tempel van Jupiter te offeren.
(W. Ramsay, Smith’s Dict.)
De niet tot de keizerlijke familie behorende generaals,
indien de door hen behaalde overwinning had voldaan aan een aantal

gestelde eisen, kwamen in aanmerking voor de ornamenta triumphalia,

de versierselen van een triomf;
zoals o.a. het recht tot het dragen van de mantel van een imperator,
de titels, en het recht van zijn nageslacht op triomfale standbeelden.

(Zie A.Gell.5, 6) Terug naar tekst

 
   
9.

Achterkleindochter van Cn.Pompeius Magnus.    Terug naar tekst


ILS 955
Cn.Pomp[eius] Crassi f.Men.Magnus pontif.,
quaest.Ti.Claudi Caesaris Aug.Germanici soceri sui. 
Terug naar tekst

 
   
10.

Magnus werd in zijn bed dood gestoken, gelijktijdig met de moord

op zijn ouders.  Zie noot 24 onderaan.  Terug naar tekst

 
   
11.

20 mannen vormden een college van ondergeschikte ambtenaren te Rome

bestaande uit:

1.Tresviri monetales,

2.Quattuorviri viarum curandarum,
3.Decemviri stlitibus iudicandis en

4.Tresviri capitales.

Deze ambtenaren verschilden in waardering daar zij niet alleen

sociale rang aanduidden maar tevens toekomst verwachting.
Aan de top stonden de tresviri monetales,
onder het principaat vrijwel uitsluitend voor de jonge patriciërs,

nobiles en gunstelingen.
De quattuorviri viarum curandarum en

de decemviri stlitibus iudicandis waren vrijwel gelijk.

De tresviri capitales stonden onderaan, deze bereikten zelden iets.  Terug naar tekst

 
   
12.

Praefectus urbi feriarum Latinarum.
De feriae Latinae (Latijnse Festival) werden gehouden op

de Albaanse berg op een door de consuls te bepalen dag in April.
De consuls dienden aanwezig te zijn bij de festiviteiten
en benoemden als hun plaatsvervanger in Rome een praefectus urbi.
Tijdens het principaat werd hij praefectus urbi feriarum Latinarum

genoemd. (Suet.Aug.37).

Deze – tijdens het principaat – betekenisloze functie werd vrijwel altijd

vervuld door jongelingen uit de patricische families.  Terug naar tekst

 
   
13.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies met de proconsuls
van de senaats provincies: 2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren

verhoogd tot 40.

Volgens Mommsen in ‘Römisches staatsrecht’:
20 quaestores, waarvan: 2 quaestores Augusti; 2 quaestores urbani;
4 quaestores consulum; en 12 quaestores provinciae.
(Let op! Het feit dat Mommsen.spreekt van q. Aug. houdt in
dat hij doelt op de tijd van het principaat,
terwijl het bovengenoemde in feite duidt op de tijd van de republiek.
Terug naar tekst

 
   
14.

Fratres Arvales.
Een uit 12 mannen bestaande broederschap die in 29 v.Chr.
door Augustus nieuw leven werd ingeblazen.
De leden bestonden in de tijd van de Julische-Claudische dynastie
uit mannen van redelijk sociaal aanzien: nobiles en ex-consuls.
Daarna behoorden zij met de sodales Titii en de Fetiales

tot de minst belangrijke orde. Terug naar tekst

 
   
15. De laatste consul van de gens der Sulpicii.  Terug naar tekst  
   
16. Plin.ep.3.9, 33.  Terug naar tekst  
   
17. Plin.ep.1.5, 3; Dio 63.18,12.  Terug naar tekst  
   
18.

Prof.R.Syme vraagt zich af:

is één van deze vier kinderen soms C.Calpurnius Piso Crassus Licinianus?

de cos. 87(?) die onder Nerva werd verdacht van samenzwering en

vervolgens verbannen; onder Traianus door de senaat naar een

eiland gezonden en tijdens Hadrianus’ troonsbestijging mysterieus gedood.
(Of van één van de andere zonen van Scribonia;

dus van één van de broers van de cos. 64?)
Een van zijn twee broers is misschien de Libo Frugi die consul was in 101,
mogelijk de overgrootvader, van moeders kant,
van Marcus Aurelius. (Tac.hist.I.47; IV.39, 42; Plin.ep.1.53) 
Terug naar tekst

 
   
19.

Fetiales. (Tac.hist.I.47 ; IV.39)
Een uit 20 priesters bestaand college dat in 32 v.Chr.
door de latere Augustus nieuw leven werd ingeblazen.
Oorspronkelijk sloten zij van staatswege vrede, wapenstilstand,

of verklaarde de oorlog. Terug naar tekst

 
   
20. Tac.hist.I.14-19, 44. ILS 240.  Terug naar tekst  
   
21. Plin.ep.2.20, 2; Tac.Hist.I, 14.  Terug naar tekst  
   
22. Suet.Otho 6.  Terug naar tekst  
   
23.

Plin.ep.11, 20.    Terug naar tekst


ILS 956
Dis manibus Liciniae, Crassi Frugi pontificis f., magnae,

L.Pisonis pontificis uxor.

   ■ maritus videtur L.Calpurnius Piso, cos. 57 (Mommsen)
          L.Calpurnius L.f.Gn.n.Piso 
Terug naar tekst

 
   
24.

Pagan and Christian Rome, door Rodolfo Lanciani (Samenvatting)

De tombe van de Licinii Calpurnii werd in 1884 ontdekt
in de fundering van een huis op no.29 in de Via di Porta Salaria in Rome.


Marcus Licinius Crassus Frugi, ex-praetor, ex-consul (27 na Chr.)
de echtgenoot van Scribonia, bij wie hij drie zonen had.
De familie had niet veel geluk.
Licinius Crassus, die volgens Seneca

"stom genoeg was om keizer te worden,"
beging onder andere de fout om zijn oudste zoon

Pompeius Magnus te noemen, naar zijn grootvader aan moederskant:

een zinloos vertoon van trots, daar de jongen al meer dan genoeg

titels had om hem aan de top van de Romeinse aristocratie te plaatsen.
Caligula, jaloers op de klinkende naam, was de eerste die zijn leven

bedreigde, maar spaarde hem ten koste van de naam.
Claudius gaf hem de titel terug, als huwelijkscadeau,
op zijn huwelijksdag met Antonia, dochter van de keizer en Aelia Paetina.
Zijn schitterende carrière, zijn adeldom, zijn gracieuze manieren,
en zijn alliantie met de keizerlijke familie, wekte de haat van Messalina,
een veel gevaarlijker vijand dan Caligula.
Zij dwong een doodvonnis af van haar zwakke echtgenoot tegen Pompeius
en zijn vader en moeder.
De uitvoering vond plaats in de lente van 47.
De tweede zoon, Licinius Crassus werd vermoord door Nero in 67.
De derde zoon, Lucius Calpurnius Piso Frugi Licinianus,
die pas elf jaar was ten tijde van de executies van 47,

bracht vele jaren door in ballingschap,

terwijl de uitroeing van zijn familie gestaag vorderde.
Alleen achtergelaten op de wereld betoonde Galba hem eindelijk

barmhartigheid en adopteerde hem als zoon en erfgenaam van

de bezittingen der Sulpici, en benoemde hem in Januari 69 tot troonopvolger…
Slechts vier dagen later werd hij, tezamen met Galba,vermoord,
door de opstandige praetorianen; en zijn afgehakte hoofd werd

aan zijn jonge weduwe, Verania Gemina, gegeven.
De geschiedenis vermeldt een vijfde onfortuinlijk lid van de familie,
die, zelfs onder het milde en rechtvaardige bestuur van Hadrianus,
een gewelddadige dood stierf.
Zijn naam was Calpurnius Licinianus, ex-consul van 87 na Chr.
Na samengezworen te hebben tegen Nerva,
werden hij en zijn vrouw, Agedia Quintina, verbannen naar Tarentum.
Een tweede samenzwering tegen Traianus leidde tot verbanning naar een eenzaam eiland,

en een poging om hiervan te ontsnappen was de oorzaak van zijn dood.
Zulks was het lot van de zeven bewoners van deze grafkelder….

De tegenspoed schijnt de Calpurnii zelfs te hebben achtervolgt

tot in hun graf, en er zijn redenen om aan te nemen dat

hun laatste rustplaats werd verstoord door vervolgers

die hen volgden naar hun graven.
Hun cippi (vierhoekige spitse grafzuilen) lagen in stukken,
hun namen half gewist, en hun as verspreid in alle richtingen…
De inscriptie op de urn van Pompeius Magnus luidt._
 

CN • POMP[eius]
CRASSI F • MEN
MAGNVS
PONTIF • QUAESTI •
Ti. CLAVDI • CAESARIS • AVG
GERMANICI
SOCERI • SVI

 


"[Hier ligt] Cnaeus Pomp[eius]
zoon van Crassus. [van de Men[enia] tribus]
Magnus
pontifex.quaestor
van Ti[berius] Claudius. Caesar. Aug[ustus]
Germanicus
zijn schoonvader."

 


In een tweede veel grotere ruimte werden tien marmeren sarcophagi ontdekt ….. 

Terug naar tekst

 
   
25.

b. De consul van 64 werd onder Nero aangeklaagd
door M.Aquilius Regulus voor maiestas en ter dood gebracht.
M.Aquilius Regulus haalde alles uit de kansen die de laatste jaren van Nero hem boden.
Hij had een vete met de Licinii Crassi,
omdat één van hen mogelijk zijn vader had geruineerd. (11.20,2)
Hij verzekerde zich van de dood van M.Licinius Crassus Frugi, consul 64,
en, zo beweerde men, mishandelde het lijk van zijn broer,

L.Calpurnius Piso Licinianus, de erfgenaam en collega van Galba. (Tac.hist.1, 48; 4,42)
Een tweede en derde slachtoffer vormde Piso’s schoonvader,
de op jaren zijnde ex-consul Q.Sulpicius Camerinus en diens zoon.
(Dio 62(63). 18,2; PIR S.713)  

Terug naar tekst