Cn. Domitius Sex. f. Volt. Afer Titius Marcellus Curvius Lucanus.
 

Geb. ca. 39/40.
Overl. in 93 of 94 in Africa.

Zoon van Sex.Curvius Sex.f.Volt.Tullus.
Adoptiefzoon - per testament van 41-
1 van Cn.Domitius Afer (retor)
uit Nemausus in Narbonensis, cossuff. 39, overl. in 59.

 
 
 
Functies:  ILS 990

Quattuorvir viarum curandarum.
2
Tribunus militum van het legioen V Alaudae.
3
Quaestor pro praetore Africa.
4
Tribunus plebis
5, praetor. 6
Adlectus inter patricios door Vespasianus en Titus als censors in 73 of 74.
Praefectus auxiliorum in Germania.
7
Hiervoor door Vespasianus en zijn zoon Titus Caesar beloond
met de militaire onderscheidingstekens:
coronis muralis, coronis vallaris aurea hastis puris III vexillis III.
8
Praetoriaans legaat onder imp. Caes.Aug.Domitianus in Africa.
Consul suffectus ?79
9.
Proconsul van Africa ca.91/92.
Legatus van zijn broer Tullus, de proconsul van Africa.
10
Septemvir epulonum
11.
 

Huwde met Curtilia, dochter van T.Curtilius Mancia, consulsuff. 55.

Hieruit:
Domitia Lucilla (maior).
Geb. niet later dan 70.

Overl. mogelijk in 123. 12

Deze huwde met P.Calvisius Tullus Ruso, consul 109,
zoon van P.Calvisius Ruso Julius Frontinus, cossuff.? 84.

Hieruit:
Domitia Lucilla (minor), geb. ca.104; overl. tussen 155-161.
Lucilla minor huwde met M.Annius Verus, praetor,
zoon van M.Annius Verus, consul III, in 126, en van Rupilia Faustina.

(Zie: Marcus Aurelius)
(Plin.ep.8, 18; Martialis 1,36; 3,20,17; 8,75,15; 9,51)
 

 
   

Cn.Domitius Sex.f.Volt.Afer Titius Marcellus Curvius Tullus.

Geb. ca. 40. Overl. ca.107/ 108.

Jongere zoon van Sex.Curvius Sex.f.Volt.Tullus.

Net als zijn broer Lucanus adoptiefzoon van Cn.Domitius Afer

uit Nemausus in Narbonensis, praetor in 25, en cossuff. 39.

 
   

Functies: ILS 991

Xvir stlitib. Iudicandis 13, trib. militum legio V Alaudae.

Quaestor Caesar Augusti, trib.plebis, adlecto inter patricios.

Leg. pro pr. ad exercitum (legio III Aug.) in Africa onder Vespasianus 14.

Praetor designatus, praefectus auxiliorum in Germania, Fetialis.

Consulsuff. ca.77, VII vir. epulonus. 15

Proconsul Africa ca. 90/92 ? 16, consulsuff. II, 98 (?)
 

 
Noten (Er is geen volledigheid betracht in deze noten)  
 
1.

“Clues to testamentary adoption”, by prof. Sir R.Syme in Roman papers IV. pag.159:
“There was no such thing, the Roman jurist ignore it.
It is merely the ‘conditio nominis ferendi’

imposed when an inheritance is taken up.
No citizen by his last will and testament can change the legal status

of his heir. ….”
(“Zo iets bestond niet, de Romeinse jurist negeert het.
Het is slechts de ‘conditio nominis ferendi’
(de voorwaarde [zijn] naam te dragen)

opgelegd wanneer een erfenis wordt aanvaard.
Geen burger kan per testament de wettelijke status van zijn erfgenaam veranderen.” )

Rechtsgeleerden (bij voorbeeld H.Siber,’Das Führer ambt des Augustus’)
hebben de mogelijkheid van een erflater ontkend om iets te doen
waarvan Ulpianus zegt dat een man niet kon doen

‘absens nec per alium’  (in afwezigheid van de ander) (Dig.1.7, 25)
en welke door geen enkele wettekst als een bekend zijnde procedure wordt beschreven.”



ILS 990
Cn.Domitio Sex.f.Volt.Afro Titio Marcello Curvio Lucano cos.,

procos.provinciae Africae, legato eiusdem provinciae Tulli fratris sui,

septemviro epulonum,i[tem ?]praetorio legato provinciae Africae

imp.Caesar.Aug., praef.auxiliorum omnium adversus Germanos,
donato ab imp.Vespasiano Aug. et T.Caesar Aug.f.

coronis murali vallari aureis hastis puris III vexillis III,

adlecto inter patricios, praetori, tr.pl., quaest. pro praetore

provinciae Africae, tr.mil.leg.V Alaud.,IIII vir.viarum curandar.,

patrono optimo d.d.  

Terug naar tekst

 
   
2. Quattuorviri viarum curandarum:
viermans college belast met het onderhoud van de straten van Rome.  
Terug naar tekst
 
   
3.

Tribunus militum: (Krijgstribuun) stafofficier bij de infanterie.
Onder het principaat waren dit jongemannen
die een senatoriale of een equestrische carrière ambieerden,
en zij werden overeenkomstig verdeeld in tribuni laticlavi
(met een brede streep op het tuniek) en tribuni augusticlavi

(met een smalle streep).
Elke klasse van tribuni diende gedurende een jaar in een legioen,
maar, daar waar de laticlavi na vervulling van hun jaar militaire dienst
onmiddellijk konden doorgaan naar de politieke senatoriale

cursus honorum, dienden de aspiranten voor een equestrische cursus

- tenminste sinds Claudius -
twee aanvullende functies als officier bij de hulptroepen te vervullen.
De normale volgorde van deze krijgsdienst was praefectus cohortis
(i.e. commandant van een hulp cohort van een infanterie eenheid),

tribunus militum (augusticlavius), en praefectus alae
(i.e. commandant van een hulp ala of van een cavallerie eenheid).
(The Roman legions, by H.M.D.Parker, 1985 (1ste ed. 1928) 
Terug naar tekst

 
   
4.

Quaestoren.
Jaarlijks werden 20 quaestoren gekozen door de Comitia tributa;
zij traden in functie op 5 December.
Zij waren belast met financiële en administratieve zaken
en werden toegevoegd aan provinciale bestuurders.

2 quaestores urbani fungeerden als beheerders van het Aerarium

(schatkist) en het archief,

onder toezicht van senaat, consuls, en censoren. (e.e.a. tot 28 v.Chr.)
Onder Augustus werden de twee meest vooraanstaande

– vrijwel altijd patriciërs –
als quaestor Augusti toegevoegd aan de Princeps.

10 van de 20 quaestores gingen mee naar de provincies

met de proconsuls van de senaats provincies:

2 consulaire en 8 praetoriaanse.
Onder Julius Caesar werd in 45 v.Chr.het aantal quaestoren

verhoogd tot 40.
Bij het voortijdig terugroepen of het plotselinge overlijden van

de proconsul of legatus pro praetore van de betreffende provincie,

nam diens quaestor het bestuur van de provincie op zich

met de tijdelijke macht (imperium) van een praetor.

Terug naar tekst

 
   
5.

Tribunus plebis.
Er werden 10 tribuni plebis per jaar gekozen.
Zij traden in functie op 10 December voorafgaand aan hun ambtsjaar.
Deze functie viel buiten de cursus Honorum,
doch kon e.v.t. 3 jaar na het quaestorschap worden uitgeoefend.
Het ambt gaf toegang tot de senaat.
De tribuun was onschendbaar (sacro sanctus), kon elk besluit,
ook van consuls en senaat, ongeldig verklaren door zijn veto (intercessio).

(Door Sulla’s hervormingen van 81 v.Chr.
werd o.a. dit vetorecht

aan de tribuun ontnomen.

Sulla had tevens bepaald dat een volkstribuun géén toegang had tot

de senaat hetgeen het einde betekende van diens politieke carrière,
wat precies de bedoeling was van Sulla.

In 75 v.Chr. kwam C.Aurelius Cotta, de consul van dat jaar,

met het wetsvoorstel om voormalige volkstribunen
de kandidatuur voor andere magistraatsfuncties toe te staan,
zodat het ambt niet meer het politieke einde van hun loopbaan markeerde.)

Hij kon een ieder laten arresteren (prensio)

en door de volksvergadering laten veroordelen.
Hij kon de volksvergadering bijeenroepen en besluiten voor leggen

(ius agendi).
Kon slechts door interventie van een collega in zijn macht worden beperkt.
Auxilium: het recht om plebejers te beschermen

Plutarchus (Cato Min. XX, 3):
“De kracht van dit ambt is eerder negatief dan positief;

en indien alle tribunen op één na voor een maatregel zouden stemmen,
ligt de macht bij die ene die niet instemt of toestemming geeft.” 
Terug naar tekst

 
   
6.

Praetoren.
Jaarlijks werden 8 praetoren gekozen door de comitia centuriata.
Hier onder de praetor urbanus, voor de rechtspraak tussen

Romeinse burgers, en de praetor peregrinus voor de processen waarbij

een vreemdeling was betrokken.

Praetoren konden eventueel i.p.v.een consul met een militair

commando worden belast.
Na afloop van hun ambtsjaar konden zij als pro praetor het bestuur

uitoefenen over een provincie.
Onder Julius Caesar werd hun aantal van 8 geleidelijk verhoogd naar

16 in 44 v.Chr. 

Augustus verlaagde hun aantal tot 12.

Onder zijn opvolgers werden het er 18.  Terug naar tekst

 
   
7.

Praefectus auxiliorum.
Na zijn opneming in de orde der patriciërs bekleedde hij twee

praetoriaanse ambten waarvan die van praefect der hulptroepen

in Germania (Germania inferioris = linkeroever van de Rijn,
en Germania superioris = rechteroever van de Rijn) de eerste was.
Deze hulptroepen bestonden uit leden van de onderworpen volkeren.  
Terug naar tekst

 
   
8.

De corona vallaris en de corona muralis werden gegeven aan

de eerste man die over de vallum van de vijand of over de muur

van een belegerde stad was.
De corona aurea is ingesteld door Claudius voor betoonde moed op het

slagveld en werd meestal verworven door centurions behorend tot de primi ordines.
De hastae (bloedloos) purae of zilveren speerkop en de

vexillum of smalle zilver-gemonteerde standaard werden verleend

aan de allerhoogste officieren.   Terug naar tekst

 
   
9.

De consul suffectus (plaatsvervangend consul) kwam vooral in zwang

tijdens het principaat.
Ondanks het feit dat het ambt onder de keizers vrijwel geheel

was ontdaan van enige echte macht of zeggenschap in het bestuur

van de staat werd het toch nog gezien als het hoogst bereikbare binnen

de cursus honorum.
Mede doordat de keizers zelf vaak jaren achtereen beslag legden

op het ambt en er toch elk jaar nieuwe kandidaten kwamen werden de

naamgevende consuls – de consul ordinarius

(de consuls die aan het begin van het jaar aantraden
en met wiens namen het betreffende jaar werd aangeduid) -
na enige tijd vervangen door suffecti zo dat er meer mensen beloond

konden worden voor hun verdiensten jegens de keizer.  Terug naar tekst

 
   
10. Lucanus was legatus van zijn broer in Africa
alhoewel hijzelf al proconsul van deze provincie was geweest. 
Terug naar tekst
 
   
11. Septemviri epulonum.
De 7 mannen – oorspronkelijk ‘tresviri’, 3 mannen –
zorgden bij openbare spelen voor de gastmalen der goden.
Onder Julius Caesar verhoogd tot 10 epulones.

Alle priesterschappen golden normaal voor het leven.
Twee leden van dezelfde gens konden niet gelijktijdig lid zijn
van één en dezelfde priesterorde.
Alle priesterschappen verhoogden de sociale status,
het aanzien en de politieke invloed van de houder.
Dit gold in het bijzonder voor de vier grote priester orden:
pontifices, augures, quindecemviri sacris faciundis, septemviri epulonum.
(quattuor amplissima sacerdotia.

Terug naar tekst
 
   
12.

Zie: PIR2 ; ILS 157. Domitia Cn.f.Lucilla maior.,
was eerder gehuwd met een ignotus en had hiervan kinderen en kleinkinderen.
Zij werd, na de dood van haar vader,

geadopteerd als dochter en erfgename door haar oom

Cn.Domitius Tullus, jongere broer van haar vader.
Voor het verhaal over hebzucht, list en bedrog, zie Plin.boek 8, ep.18. 
Terug naar tekst

 
   
13.

Decemviri stlitibus iudicandis.
(Tienmannen, jurisdictie inzake betreffende de vrijheid van burgers) 
Terug naar tekst

 
   
14. W.Eck.  Terug naar tekst  
   
15. IRT 528.  Terug naar tekst  
   
16. vlg.W.Eck ca.89/90.  Terug naar tekst  
   
17.

ILS 991
[Cn.Domitio Sex.f.---- Curvio Tullo cos., procos. provinciae Africae] fetiali, praef.au[xilior.omnium] adversus Germanos – qui cum esset candidatus

Caesar. pr.desig., missus est ab imp.Vespasiano Aug.

legatus pro praetore ad exercitum qui est in Africa et apsens inter

praetorios relatus --, donato ab imp.Vespasiano Aug.

et Tito Caesare Aug.f.

coronis murali vallari aureis hastis puris III vexillis III,

adlecto inter patricios, tr.pl., quaest. Caesar.Aug., tr.mil.leg.V Alaud.,

Xvir stlitib. iudicandispatrono optimo. (PIR2 D 107)
    Fulginiis in Umbria.

Terug naar tekst