BRIEVEN AAN LUCILIUS
 

Lucius Annaeus Seneca.

Biografie.

 
 
Zijn jeugd en opvoeding.

- Hij was de zoon van een vermogend lid van de Ridderstand [na de Senatoren de belangrijkste Romeinse stand]. Hij werd geboren omstreeks het begin van onze jaartelling in Corduba (het Spaanse Cordova), ontving zijn opvoeding te Rome waar zijn [gelijknamige] vader bekendheid genoot als schrijver over retoriek. Op ongeveer 30-jarige leeftijd vestigde hij zich als advocaat en verwierf zich zo een aanzienlijk vermogen. Daarnaast wijdde hij zich aan de letterkunde, en de studie van de filosofie en de natuurwetenschappen [toen nog geen duidelijk gescheiden onderzoeksgebieden].

Verbanning en eerherstel.

- Op aandringen van Messalina, de vrouw van keizer Claudius, werd hij in 41 door de keizer naar Corsica verbannen. Acht jaar later werd hij op verzoek van Claudius' tweede vrouw Agrippina [de dochter van Germanicus] teruggeroepenen aangesteld tot leraar van haar zoon Nero, de latere keizer.

Seneca en Nero.

- Seneca had aanvankelijk een grote invloed op Nero, ook nog tijdens de eerste jaren van diens keizerschap. De leerling toonde zijn dankbaarheid door zijn leermeester grote kapitalen te schenken die hem tot de rijkste man van zijn tijd maakte, op Nero zelf na. Maar geleidelijk nam Seneca's gezag af, vooral toen Poppaea Sabina, de vrouw van Nero's vriend Otho, keizerin werd. In 62 trok hij zich terug uit het publieke leven. In 65 werd hij gedwongen zelfmoord te plegen omdat hij verdacht werd van medeplichtigheid aan een samenzwering tegen Nero.

 
01. Omgaan met Tijd.
02. Reizen en Lezen.
03. De Ware Filosoof.
04. Mijd de massa.
05. Het Nut van de Filosofie.
06. Ascese.
07. Je neemt jezelf overal mee.
08. Het hoogste goed.
09. De verhouding tussen god en het menselijk individu.
10. Slaven zijn ook mensen.
11. Bij het overlijden van een vriend.
12. Vrijheid van sterven.
13. De filosoof en de overheid.
 
 

Brieven aan Lucilius.

1

Boek 1, Brief 1

Omgaan met tijd.

1.1.1. SENECA GROET ZIJN BESTE LUCILIUS

Ga als volgt te werk, beste Lucilius: maak je vrij voor jezelf en reserveer en bewaar de tijd, die je tot nu toe of ontstolen, of ontfutseld werd of die je verbeuzelde. Overtuig jezelf ervan dat het zo is als ik je schrijf: sommige uren worden ons ontstolen, sommige ontfutseld, sommige glippen ons door de vingers. Het meest verwerpelijke is echter het verlies dat plaats vindt door slordigheid. En als je er eens op wilt letten: een groot deel van ons leven verglijdt terwijl we slecht bezig zijn, het grootste deel terwijl we niets doen, het leven in zijn geheel terwijl we iets anders doen dan we zouden moeten.

 

1.1.2. Wie zul je me kunnen noemen die aan tijd enige waarde hecht, die een dag op waarde schat, die begrijpt dat hij dagelijks sterft? Hierin vergissen wij ons namelijk dat we de dood vóór ons zien: een groot deel ervan is al voorbij; alwat we aan leeftijd achter ons hebben is in handen van de dood. Doe dus, beste Lucilius, wat je schrijft dat je doet: koester alle uren; zo zal het resultaat zijn dat je minder hangt aan de dag van morgen als je de dag van vandaag in de hand houdt.

 

1.1.3. Terwijl we uitstellen, vliegt ons leven voorbij. Alles, Lucilius, hebben we slechts in bruikleen, alleen de tijd is ons eigendom; de natuur heeft ons in het bezit gesteld van dit ene vluchtige en glibberige eigendom waarvan de eerste de beste ons wil beroven. En zo groot is de dwaasheid van de stervelingen dat datgene wat het meest onaanzienlijke en minst belangrijke is, en in ieder geval makkelijk terug te krijgen bij verlies, dat zij zich laten welgevallen dat dat hen aangerekend wordt wanneer zij het gedaan gekregen hebben maar dat niemand van oordeel is dat hij iets schuldig is als hij tijd toebedeeld heeft gekregen terwijl intussen alleen dit iets is wat zelfs een dankbaar iemand niet kan teruggeven.

 

1.1.4. Je zult me misschien vragen wat ik dan doe, dat ik je dit adviseer. Ik zal het eerlijk zeggen: wat gebeurt bij een man die houdt van weelde, maar die alert blijft: de rekening van mijn uitgaven staat te boek. Ik kan niet zeggen dat ik niets verlies; maar ik kan zeggen wat ik verlies en waarom en hoe: ik kan rekenschap afleggen van mijn armoede. Maar mij overkomt wat de meesten overkomt die buiten hun schuld tot armoede vervallen zijn: iedereen vergeeft het hen maar niemand komt hen te hulp.

 

1.1.5. Hoe zit dat dan? Ik beschouw niet hem als arm die genoeg heeft aan hoe weinig hij ook nog maar heeft; maar jij, ik wil liever dat jij het jouwe behoudt: je zult ervan gaan profiteren als de omstandigheden zich aandienen. Want zoals al door onze voorouders is ingezien: 'Spaarzaamheid met de bodem in zicht komt te laat'; niet, immers, blijft het minste op de bodem achter maar ook het slechtste. Het ga je goed.

 

 

Boek 1, Brief 2

2

Reizen en lezen.

 

1.2.1. SENECA GROET ZIJN BESTE LUCILIUS

Uit wat je me schrijft en uit wat ik hoor heb ik goede verwachtingen over je: je rent niet van hot naar haar en maakt je niet druk om zwerftochten. Dat soort ongedurigheid is iets van een warrig karakter: ik ben van mening dat het voornaamste kenmerk van een evenwichtige geest bestaat in de kunst om op één plaats en bij je zelf te blijven.

 

1.2.2. Maar pas hier wel voor op, dat die lectuur van vele schrijvers en van werken van allerlei soort ook iets zwervends en ongedurigs heeft. Je moet kiezen voor vaste auteurs, daarbij blijven en je daarmee voeden als je er iets aan wilt ontlenen wat zich blijvend een plaats in je geest vindt. Nergens is diegene die overal is. Wanneer men zijn leven met zwerven doorbrengt draait het hierop uit dat men veel onderkomens overhoudt maar weinig vriendschappen; hetzelfde moet noodzakelijkerwijs overkomen aan diegenen die zich met niemands geest vertrouwd maken maar alles vluchtig en gehaast verslinden.

 

1.2.3. Voedsel dat meteen na het eten weer wordt uitgekotst heeft niets te bieden en voegt niets aan je lichaam toe; niets hindert de gezondheid zozeer als een herhaaldelijke verandering van geneesmiddelen; een wond waarop steeds weer andere geneesmiddelen worden uitgeprobeerd, wordt geen litteken; een plant die vaak verplaatst wordt gedijt niet; niets is zo nuttig dat het terloops tot voordeel strekt. Een overvloed aan boeken leidt slechts tot verstrooiing; daarom, omdat je ze toch niet allemaal kunt lezen die je hebt, is het voldoende om er zoveel te hebben als je kunt lezen .

 

1.2.4. 'Maar', hoor ik je zeggen, 'ik wil nu eens dit boek opslaan, dan weer dat'. Het is typisch voor een bedorven maag om aan alles te proeven; en wanneer dat uiteenlopend en verschillend is, verpest het maar voedt het niet. Lees daarom altijd beproefde schrijvers, en als je soms wel eens een uitstapje naar anderen wilt maken, keer dan toch weer naar de eersten terug. Zoek dagelijks wat hulp tegen de armoede, tegen de dood, evenzo tegen andere vormen van ellende; en wanneer je er veel ontmoet hebt, pluk er dan één uit om die dag klaar te maken.

 

1.2.5. Dit doe ik zelf ook; uit het vele dat ik gelezen heb maak ik me iets eigen. Die van vandaag is deze die ik bij Epicurus heb aangetroffen - het is namelijk mijn gewoonte om ook naar het legerkamp van de ander over te wippen, niet als overloper, maar als verkenner -:'een eerzaam bezit is de vreugdevolle armoede'.

 

1.2.6. Dat is waarachtig geen armoede, waar vreugde heerst; niet wie te weinig heeft is arm, maar wie naar meer verlangt. Wat doet het er namelijk toe hoeveel er in zijn kluis, hoeveel er in zijn voorraadschuren ligt, hoeveel vee hij heeft of hoeveel debiteuren, als hij een bedreiging vormt voor andermans bezit, als hij geen verworven bezittingen natelt maar bezittingen die hij nog moet verwerven ? 'Wat is de juiste grens van rijkdom', vraag je ? De eerste is : hebben wat noodzakelijk is; de volgende: wat genoeg is. Het ga je goed.

 
 

Boek 1, Brief 5

3

De Ware Filosoof.

 

1.5.1. SENECA GROET ZIJN BESTE LUCILIUS

Dat je je onafgebroken en zonder je te verliezen in van alles op dit ene toelegt, dat je jezelf dagelijks verbetert, dat prijs ik in je en daarover ben ik blij en niet alleen spoor ik je ertoe aan maar ik vraag het je. Hiertoe roep ik je echter op, om niet te handelen volgens de gewoonte van diegenen die er niet op uit zijn vooruitgang te boeken maar die slechts in het oog willen vallen: sloof je dus niet uit met opvallende trekjes in je uiterlijk of levenswijze

 

1.5.2. Vermijd een onverzorgd uiterlijk, ongeknipt hoofdhaar, een al te slordige baard, een oorlogverklaring aan het zilver, een rustbed op de grond en wat al niet anders beoogt om slinks jezelf op de voorgrond te dringen. De aanduiding 'filosofie' is op zich voldoende berucht, zelfs als ze omzichtig gehanteerd wordt: waar moet het heen als we ons zullen beginnen af te zetten tegen de omgangsvormen van de gewone mensen ? Laat ons innerlijk in alle opzichten verschillen maar onze presentatie zich richten naar de doorsnee man.

 

1.5.3. Laat je toga niet schitteren maar evenmin een dweil zijn; laten we geen zilver beheren waarin ciseleerwerk van massief goud gedreven is, maar laten we ook niet vinden dat het missen van goud en zilver een teken van soberheid is. Laten we hierop uit zijn om een beter leven te leiden dan het gewone volk, niet een tegengesteld: anders vervreemden we degenen die we willen verbeteren van ons en drijven ze van ons weg; dit ook bereiken we, dat zij niets van ons willen navolgen zolang zij vrezen dat ze zich in alles navolgers dienen te betonen.

 

1.5.4. Dit belooft de filosofie op de eerste plaats: gemeenschapszin, voorkomendheid en sociabiliteit; van de effectuering hiervan zal elke buitenissigheid ons uitsluiten. Laten we er op toezien dat niet datgene waardoor wij ons bewondering willen verschaffen belachelijk en stuitend is. Zeker, ons voornemen is om volgens de natuur te leven: maar dit is tegen de natuur gericht: zijn lichaam te kwellen en een afkeer te hebben van een eenvoudige hygiëne en te zwelgen in vuil en voedselsoorten te gebruiken die niet alleen grof zijn maar walgelijk en afstotend.

 

1.5.5. Evenals het missen van verfijnde zaken eigen is aan decadentie, zo is het mijden van gebruikelijke en makkelijk te verwerven zaken eigen aan dwaasheid. Soberheid is wat de filosofie eist, geen afstraffing; maar soberheid kan wat opmaak velen. Voor de volgende modus kies ik: het leven te leiden met goede gewoonten en algemeen aanvaarde; laten allen naar onze leefwijze opzien maar het ook waarderen.

 

1.5.6. 'Wat nu ? Zullen we dan hetzelfde doen als de anderen ? Zal er geen enkel verschil meer bestaan tussen ons en hen ?' Zeer veel: laat degene die ons van dichterbij bekijkt er achter komen dat wij verschillen van de massa; laat diegene die ons huis binnenkomt liever bewondering opvatten voor onszelf dan voor onze huisraad. Groot is hij die aardewerk zo hanteert alsof het zilver is, en niet minder is hij die met zilver omspringt als met aardewerk; het is eigen aan een labiel karakter om geen rijkdom te kunnen verdragen.

 

1.5.7. Maar om ook het douceurtje van vandaag met jou te delen: bij onze Hecato trof ik de uitspraak aan dat het einde van verlangens ook strekt tot genezing van vrees. 'Je houdt op', zo zegt hij, 'met vrezen als je ophoudt met verlangen'. Je zult zeggen: 'Hoe kun je die zo verschillende aandoeningen over één kam scheren ?'. Dat zit zo, mijn beste Lucilius: hoewel ze de indruk maken ver uiteen te liggen, zijn ze in feite met elkaar verbonden. Net zoals dezelfde keten zowel de gevangene als zijn bewaker verbindt, zo gaan die zo verschillende grootheden gelijk op: hoop wordt door vrees gevolgd.

 

1.5.8. En ik ben er niet verbaasd over dat dat zo gaat: elk van beide is eigen aan een zweverig karakter, elk van beide aan iemand die bezorgd is door zijn verwachting omtrent de toekomst. De belangrijkste oorzaak van beide is dat wij ons niet focussen op het heden maar onze gedachten ver vooruit sturen; en zo verkeert het vooruitzien, het grootste goed van onze status als mens, in kwaad.

 

1.5.9. Dieren die in het wild leven slaan op de vlucht voor gevaren die ze zien; eenmaal ontsnapt, weten zij zich veilig: wij echter kwellen onszelf ook nog met de toekomst en het verleden. Veel van ons goeds brengt ons schade toe; de herinnering brengt ons immers de kwelling van de vrees weer terug, ons vooruitzien neemt er een voorschot op; niemand is ongelukkig op grond van alleen het heden.

 
 

Boek 1, Brief 7

4

Mijd de massa.

 

1.7.1. SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.

Wat je vindt dat je het meest moet mijden, vraag je ? De massa ! Daaraan kun je je nog niet veilig toevertrouwen. Ik voor mij zal zeker mijn zwakheid toegeven: nooit neem ik de gewoonten waarmee ik ben uitgegaan ook weer mee terug; iets van wat ik op orde had wordt weer overhoop gehaald, iets van datgene waaraan ik ontsnapt was komt weer terug. Wat zieken overkomt die een langdurige ziekte zozeer heeft aangetast dat ze zich nergens kunnen vertonen zonder schade op te lopen, dat overkomt ons van wie de karakters van een langdurige ziekte herstellende zijn.

 

1.7.2. Funest is de omgang met de massa: iedereen beveelt ons wel een fout aan of dringt die aan ons op of smeert hem ons aan zonder dat we het merken. In ieder geval is dit gevaar groter naarmate de menigte waaronder wij ons mengen groter is. Niets is echter zo verderfelijk voor goede gewoonten als aanwezig zijn bij een schouwspel; dan immers bekruipen ons de fouten maar al te gemakkelijk onder de dekmantel van genot.

 

1.7.3. Wat ik bedoel ? Nou, wat denk je ? Hebberiger kom ik terug, eerzuchtiger, verwender, ja zelfs wreder en minder menselijk, omdat ik onder de mensen ben geweest. Toevallig kwam ik bij een middagspektakel terecht in de verwachting van vermaak en grappen en wat ontspanning om de ogen van de mensen tot rust te laten komen van al dat mensenbloed. Het pakt averechts uit: wat er tevoren aan gevechten geleverd is was nog maar medelijden; nu vinden er, zonder omhaal, regelrechte slachtpartijen plaats. Men heeft niets om zich mee te beschermen; met heel het lichaam blootgesteld aan slagen raakt men nooit ongedeerd slaags.

 

1.7.4. Dit verkiezen de meesten boven de paren beroepsgladiatoren en de keizerlijke keurbende. Waarom zouden ze er ook niet de voorkeur aan geven ? Nu wordt het zwaard niet door helm of schild tegengehouden. Waartoe die beschermingen ? Waartoe die technieken ? Dat zijn toch alleen maar vertragingen voor de dood. 's Morgens worden mensen voor de leeuwen en de beren gegooid, 's middags voor hun toeschouwers. Die bevelen dat de moordenaars voor hun toekomstige moordenaars gegooid worden en de overwinnaar bewaren ze weer voor een volgende afslachting; de afloop voor de vechters is altijd de dood. Met ijzer en vuur worden ze opgedreven.

 

1.7.5. Dit gebeurt dan terwijl de arena niet eens druk bezocht wordt. 'Ja, maar die vent heeft een diefstal gepleegd, hij heeft iemand gedood.' Wat nu ? Omdat hij gedood heeft, heeft hij verdiend dit te moeten ondergaan: jij, wat heb jij verdiend om dit te bekijken ? 'Hak er op in, de zweep erover, de brand erin ! Waarom loopt hij zo schuchter op het zwaard in ? Waarom sterft hij zo weinig opgewekt ? Laat men hen met slagen tot verwondingen aanzetten, laten ze de wederzijdse slagen met tegenover elkaar ontblote borsten opvangen.' Het schouwspel is onderbroken: 'Laten intussen mensen gewurgd worden opdat er niet niets gebeurt'. Kom toch, begrijpen jullie zelfs dit niet dat slechte voorbeelden hun terugslag hebben openen

 

1.7.6. Een karakter dat nog in zijn groei is en nog te weinig vat heeft op wat juist is moet buiten de invloed van de massa gevoerd worden: de overstap naar de massa is maar al te simpel. Zelfs een Socrates, een Cato en een Laelius zou een massa met haar afwijkende aard hun gedragswijze nog hebben kunnen ontroven: laat staan dat iemand van ons die juist nu proberen onze aard op orde te krijgen, in staat is de aanval van ondeugden die in zo grote eendracht op ons afkomen, op te vangen.

 

1.7.7. Eén voorbeeld van overdaad of gierigheid doet veel kwaad: een verwekelijkte huisgenoot verwekelijkt en verslapt je sluipenderwijs, een rijke buur prikkelt je begeerte, een slechte metgezel wrijft zelfs een eerzaam en oprecht iemand zijn roest aan: wat geloof je dat aan jouw karakter kan overkomen waarop openlijk een aanval plaats vindt ?

 

1.7.8. Je ontkomt er niet aan ofwel dezelfde weg op te gaan ofwel afstand te nemen. Elk van beide moet je vermijden: word niet gelijk aan slechten omdat ze nu eenmaal met veel zijn, maar word ook geen vijand voor de massa omdat zij zo verschillen. Keer zoveel mogelijk tot jezelf in; ga met diegenen om die je een beter mens zullen maken, laat diegenen tot je toe die jij betere mensen kunt maken. Die processen spelen zich wederzijds af en men wordt, al onderrichtend, ook zelf wijzer.

 

1.7.9. Er is geen reden om jezelf voor het voetlicht te brengen om je vernuft aan de grote klok te hangen, om voor die lieden voordrachten of discussies te houden; iets wat ik zou willen dat je deed als je voor dat publiek geschikte koopwaar zou hebben: nu is er niemand die je kan begrijpen. Iemand misschien, een zeldzame vogel zal misschien opduiken en zelfs die zal nog door jou gevormd moeten worden en onderwezen om jou te kunnen begrijpen. 'Waarvoor heb heb ik dan mijn kennis opgedaan ?' Er is geen reden om bang te zijn dat je moeite verspild hebt als je het voor jezelf hebt aangeleerd.

 
1.7.10. Maar om er voor te zorgen dat ik vandaag niet alleen voor mezelf heb geleerd zal ik je schrijven welke drie uitstekende uitspraken van ongeveer dezelfde strekking ik onder ogen heb gehad, waarvan er één deze brief haar schuld zal voldoen, twee krijg je er dus op voorhand.[vgl.Ep.1.2.5.] Democritus zegt, 'één iemand zal voor mij de functie van de massa bekleden, en de massa telt voor mij als eenling
 
1.7.11. Goed gesproken heeft ook hij, wie het dan ook was - want over de zegsman verkeert men in onzekerheid -, toen aan hem gevraagd werd wat zijn wens was met zo grote toewijding aan een kunst die toch slechts zeer weinigen zou bereiken, 'voldoende zijn voor mij weinigen, voldoende is al één, voldoende is zelfs geen'. Uitstekend heeft ook deze derde Epicurus verwoord toen hij aan één van zijn studiegenoten schreef: 'dit is bestemd niet voor de massa, maar voor jou; wij zijn immers een voldoende groot publiek voor elkaar'
 

1.7.12. Die gedachten, mijn beste Lucilius, moet je in je geest opbergen zodat je het genot relativeert dat voortkomt uit de instemming van de massa. Velen prijzen je: heb je dan wel iets waarom je jezelf in de smaak valt, als je er een bent die velen begrijpen ? Laten zij het goeds binnen in je zien. Het ga je goed.

 

 

Boek 2, Brief 16

5

Het Nut van de Filosofie

 

2.16.1. SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.

Dat dit voor jou, m'n beste Lucilius, wel duidelijk is, weet ik maar al te goed: dat niemand gelukkig kan leven, zelfs niet dragelijk, zonder zich toe te leggen op de wijsheid en dat een gelukkig leven gerealiseerd wordt door het bereiken van die wijsheid maar een dragelijk al door een begin ervan. Maar wat duidelijk is moet toch versterkt worden en door een dagelijkse overdenking dieper ingeprent worden: er zit meer werk hierin dat je het voorgenomene vasthoudt dan dat je je fraaie voornemens maakt. Volhouden is het devies en door onverdroten toewijding kracht toevoegen totdat de geest zo goed is als het voornemen.

 

2.16.2. Derhalve heb je tegenover mij niet al te veel woorden nodig of een zo omslachtige verzekering: ik snap wel dat je grote vooruitgang hebt geboekt. Ik weet wel waarvan het komt wat je schrijft; het is niet opgeblazen en gekleurd. Ik zal je zeggen wat ik vind: ik acht je wel veelbelovend, maar nog niet gegarandeerd. Ik wil dat jij zo voortgaat: er is geen reden om overhaast en losjesweg in jezelf te geloven. Pluis jezelf uit en onderzoek jezelf op verschillende manieren en houd jezelf in de gaten; kijk vooral hiernaar, of je vorderingen gemaakt hebt in de filosofie of in het leven zelf.

 

2.16.3. Filosofie is geen bezigheid voor de grote massa en ze is niet bestemd voor dikdoenerij. En ze wordt ook niet aangewend om de dag door te brengen met wat amusement, om de verveling uit onze vrije tijd te verdrijven: zij vormt en kneedt de ziel, ordent het leven, stuurt het handelen, geeft aan wat gedaan en nagelaten moet worden, zetelt aan het roer en stuurt de vaart door hachelijke stromingen. Zonder haar kan niemand zonder angst, zorgeloos leven; elk uur vinden er ontelbare gebeurtenissen plaats die het advies vereisen dat wij aan haar moeten vragen.

 

2.16.4. Nu zal iemand opmerken: 'Wat heb ik aan filosofie als er een noodlot bestaat? Wat heb ik eraan, als een god alles bestuurt ? Wat heb ik eraan als het toeval de lakens uitdeelt ? Want wat al vastligt kan niet gewijzigd worden en je kunt je helemaal niet pantseren tegen het ongewisse maar ofwel de godheid heeft beslag gelegd op mijn toekomstplanning en al beslist wat ik zal gaan doen, ofwel het noodlot laat geen ruimte aan mijn planning.

 

2.16.5. Wat hier ook van zij, beste Lucilius, of als het allemaal zo is, gefilosofeerd moet er worden. Hetzij het noodlot ons dwingt met een onverbiddellijke wet, hetzij een god als regelaar van het heelal alles verordent heeft, hetzij het toeval het menselijk reilen en zeilen als een speelbal voortrolt, de filosofie moet onze schuilplaats zijn. Die zal ons aansporen om de godheid graag te gehoorzamen, het noodlot met tegenzin; zij zal ons leren god te volgen, het toeval te dragen.

 

2.16.6. Maar het is nu niet de gelegenheid om deze discussie aan te gaan wat nog tot onze competentie behoort als er een voorzienigheid aan de leiding staat, of als een aaneenschakeling van noodlotsingrepen ons geboeid meesleept, of als plotselinge en onverwachte gebeurtenissen het voor het zeggen hebben: ik keer nu daarheen terug, dat ik je vermaan en aanspoor niet toe te staan dat de impuls van je ziel wegzakt en bekoelt. Houd hem vast en zorg ervoor dat wat nu een impuls is een gewoonte van je ziel wordt.

 

2.16.7. Al vanaf het begin, als ik je goed ken, kijk je uit wat deze brief aan presentje voor je aandraagt: schudt hem leeg en je zult het vinden. Er is geen reden om je te verbazen over mijn aard: alweer ben ik vrijgevig met andermans goed. Ook deze uitspraak komt van Epicurus: 'als je volgens de natuur leeft zul je nooit arm zijn; als je het doet volgens opvattingen zul je nooit rijk zijn'.

 

2.16.8. De natuur vraagt maar weinig, de opvatting reusachtig veel. Al verzamel je voor jezelf alwat veel rijkaards bezeten hebben; al brengt het lot je verder dan de hoeveelheid geld die een gewoon burger bezit, al bedekt het je met goud, bekleedt het je met purper, al mag het je zoveel heerlijkheden en rijkdommen aandragen dat je de aarde onder marmer kunt bedekken; al mag het je niet alleen beschoren zijn rijkdom te bezitten maar er ook nog over te lopen; al komen daarbij nog standbeelden en schilderingen en wat maar welke kunst ook heeft gepresteerd om aan zucht naar weelde tegemoet te komen: je zult hier toch alleen maar van leren meer te verlangen.

 

2.16.9. Natuurlijke verlangens kennen grenzen: die kennen de verlangens niet die voortkomen uit een verkeerde opvatting; want de dwaling kent geen grens. Voor iemand die een tocht maakt bestaat een einde: een zwerftocht is eindeloos. Houd je dus verre van zwerftochten en wanneer je wilt weten of je een natuurlijk of een blind verlangen koestert, bekijk dan of je ergens halt kunt houden: als er, ook al ben je ver voortgetrokken, nog altijd iets langers overblijft, weet dan dat het niet natuurlijk is. Het ga je goed.

 
 

Boek 2, Brief 18

6

Ascese.

 

2.18.1. SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.

Het is dan wel december: maar juist nu zweet de stad meer dan ooit. Een openbaar recht op uitspattingen wordt gegund; alles gonst van geweldige voorbereidingen, alsof er ook maar enig verschil bestaat tussen de Saturnalia en de gewone werkdagen; zozeer verschillen ze in niets dat diegene mij schijnt gelijk te hebben die zei dat er ooit een maand december was maar nu een heel jaar.

 

2.18.2. Als ik je hier bij me zou hebben zou ik graag met je bespreken wat jij van oordeel bent dat we moeten doen, of we niets in onze dagelijkse gewoonten moeten wijzigen ofwel, om maar niet de indruk te wekken afstand te nemen van de algemene manier van doen, zowel uitbundig moeten tafelen als de toga inruilen. Want ooit wisselden we onze kleding slechts in in tijden van opstand en rouw voor de burgerij, maar dat doen we nu omwille van genot en feestdagen.

 

2.18.3. Als ik je goed ken zou je, in de rol van scheidrechter, noch willen dat we in alles gelijk zouden zijn aan de massa met hun phrygische muts, noch in alles ongelijk; tenzij je vindt dat juist in deze dagen de ziel in zoverre de baas moet spelen dat hij dan als enige zich verre houdt van de genotzucht wanneer de hele meute zich daarop stort; geen zekerder bewijs immers geeft ze van haar karaktervastheid als ze niet uit zichzelf overgaat tot genietingen en wat tot uitspattingen leidt maar zich er ook niet toe laat meeslepen.

 

2.18.4. Dit is immers veel moediger: terwijl het volk dronken is en kotst nuchter en sober te blijven, maar dat is gematigder: zich niet afzijdig te houden en zich niet af te zonderen, zonder nu direct zich weer met alleman in te laten, en hetzelfde te doen maar niet op dezelfde manier; men kan immers een feestdag vieren zonder zich te buiten te gaan.

 

2.18.5. Maar zozeer heb ik er plezier in de standvastigheid van je karakter op de proef te stellen dat ik naar het voorschrift van grote mannen ook jou als advies geef om af en toe wat dagen te reserveren waarop je je tevreden stelt met een minimum en supereenvoudig voedsel, harde en ruige kleding, zodat je tot jezelf kunt zeggen: 'Is dit nou waarvoor ik zo bang was ?'.

 

2.18.6. Laat de ziel zich juist in zorgeloze omstandigheden voorbereiden op moeilijkheden en zich tussen weldaden wapenen tegen het onrecht van het noodlot. In volle vrede exerceert een soldaat, werpt een wal op zonder een vijand te zien en pijgert zich af met onnodige inspanning om maar opgewassen te zijn tegen het noodzakelijke als het er op aankomt. Wat je in de situatie zelf niet wilt vrezen, bereid je daar tevoren op voor. Dit devies hebben zij opgevolgd die, elke maand armoede nabootsend bijna tot hulpbehoevendheid vervallen zijn om maar nooit te hoeven vrezen wat zij altijd geleerd hadden.

 

2.18.7. Nu is er geen reden om te menen dat ik op de maaltijden van een Timon doel en de hutten van armen en wat er maar verder is waarmee de overdaad zijn afkeer van rijkdom speelt: laat het lage veldbed echt zijn, en de ruige mantel vaal en het brood hard. Houd dit zo'n dag of drie, vier vol, af en toe langer, zodat het geen spelletje blijft maar een serieuze test: dan, geloof mij maar, Lucilius, zul je je geluk niet op kunnen als je al voldaan bent met 2 as en je zult begrijpen dat je voor zorgeloosheid geen gelukkig gesternte nodig hebt; dit immers, wat voor je eerste levensbehoefte voldoende is zal ook een woedend noodlot je blijven geven.

2.18.8. Toch is er geen reden waarom je jezelf een geweldenaar zou toeschijnen - je zult immers doen wat vele duizenden slaven, vele duizenden armen gewoon zijn te doen -: alleen onder dit motto kun je tegen jezelf opzien, dat je het niet gedwongen zult doen, dat het zo gemakkelijk voor je zal zijn dat altijd te verdragen dan er soms eens mee kennis te maken. Laten we ons oefenen op een pop en laat de armoede ons vertrouwd worden opdat het noodlot ons niet onvoorbereid treft; wij zullen onbezorgder rijk zijn als wij weten hoe weinig zwaar de armoede is.

 

2.18.9. De vermaarde meester van het genot, Epicurus, hield er bepaalde dagen op na om daarop zijn honger amper te stillen om te bekijken of er iets ontbrak aan het volle en vervulde genot, en zo ja hoeveel dan, en of het de moeite waard was om zich dat met veel inspanning te verwerven. Hij zegt dit duidelijk in de brief die hij onder het archontaat van Charinus geschreven heeft aan Polyaenus; hij beroemt zich er op dat hij zich verzadigd heeft met niet eens 1 hele as en dat Metrodorus, die het nog niet zover gebracht had, dat met 1 hele had gedaan.

 

2.18.10. Meen je dat in dit diëet verzadiging te vinden is ? Zelfs genot ligt er in; maar niet die oppervlakkige en vluchtige en die je weer op moet wekken, maar een rustige en zekere. Niet is immers water en pap of een homp belegen brood iets aangenaams, maar het grootste genoegen is gelegen in de mogelijkheid ook uit deze zaken zo groot genot te putten en je tot dit niveau te brengen dat geen enkele onrechtvaardigheid van het lot je kan ontstelen.

 

2.18.11. Copieuzer is het voedsel in de gevangenis, de beul voedt de misdadigers in hun dodencellen niet zo krap: wat een geestesgrootheid dan om hiertoe uit eigen beweging af te dalen wat zelfs niet gevreesd hoeft te worden door de ter dood veroordeelden ! Dat is nog eens 'de pijlen van van het lot te slim af zijn'.

 

2.18.12. Begin dus, m'n beste Lucilius, de gewoonte van hen na te volgen en stel wat dagen vast waarop je je van je goederen losmaakt en je je vertrouwd maakt met een minimum; begin omgang te hebben met de armoede:

durf, gastvriend, rijdom te versmaden en toon ook jij

je de god waardig

 

2.18.13. Niemand anders is de godheid waardig dan wie de rijkdom veracht; het bezit daarvan wil ik je niet ontzeggen maar ik wil er voor zorgen dat je haar onbevreesd bezit; en dit kun je maar op één manier bereiken, namelijk als je jezelf ervan overtuigd hebt dat je ook zonder haar gelukkig kunt leven, als je haar altijd als vergankelijk beschouwt.

 

2.18.14. Maar ik begin m'n brief al dicht te vouwen. 'Maar eerst', hoor ik je al zeggen,'moet je je schuld nog inlossen'. Ik zal je naar Epicurus verwijzen, van hem zul je je uitbetaling krijgen: 'Een woede zonder maat brengt waanzin voort'. Het is noodzakelijk dat je weet hoe waar dit is, jij die een slaaf en een vijand hebt.

 

2.18.15. Deze aandoening barst los tegen iedereen; zij komt zowel uit haat als uit liefde voort, evenzeer onder serieuze aangelegenheden als onder spel en grappen; het is niet van belang uit hoe grote oorzaak zij voortkomt maar wat voor gemoed zij treft. Zo is het bij brand niet van belang hoe groot is maar waar ze terecht komt; want stevige stoffen weerstaan zelfs een zeer grote, maar droge en gemakkelijk branbare koesteren zelfs een vonk tot brand. Zo zit dat, mijn beste Lucilius, een geweldige woede loopt uit op razernij en daarom moet woede vermeden worden niet zozeer omwille van matiging alswel omwille van de gezondheid. Het beste.

 

 

Boek 3, Brief 28

7

Je neemt jezelf overal mee.

 

3.28.1.SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.

Denk je dat dit jou alleen overkomen is en verwonder je je hierover als iets ongehoords dat je ondanks je zo lange reis en afwisseling van omgeving toch niet je treurnis en zwaarmoedigheid hebt kunnen afschudden? Je moet je geest veranderen, niet je omgeving. Ook al steek je een eindeloze zee over, ook al 'wijken', naar de woorden van Vergilius,'landen en steden terug', waar je ook komt, je fouten zullen je volgen.

 

3.28.2. Socrates zei tegen iemand die over ditzelfde klaagde, 'Waarom verbaas je je erover dat reizen je niets opleveren, waar je toch jezelf meeneemt? Dezelfde oorzaak die je wegdreef bedrukt je nog steeds'. Wat kan een nieuwe omgeving helpen? Wat de kennismaking met steden of plaatsen? Tevergeefs pakt deze ongedurigheid uit. Je vraagt waarom die vlucht je niet helpt? Je neemt jezelf op die vlucht mee. Je moet je geest bevrijden van die last.

 

3.28.3. Je moet je voorstellen dat je geest in eenzelfde soort toestand verkeert als onze Vergilius die van de Sibylle beschrijft als ze al aangestoken en bezeten is en vol van een geestesgesteldheid die niet de hare is: de zieneres loopt als een bacchante rond en probeert of ze uit haar borst de grote god kan afschudden.

Je gaat van hot naar haar om te proberen de last die je drukt af te schudden maar juist door die beweging wordt hij een nog grotere kwelling, zoals op een schip een stabiele lading minder zwaar is maar een ongelijkmatig gestouwde lading sneller die kant onder water drukt waarheen zij geschoven is. Alwat je doet, doe je jezelf aan en door de beweging zelf berokken je je schade; je schudt immers een zieke dooreen.

 

3.28.4. Maar wanneer je dat euvel hersteld hebt, zal elke verandering van plaats aangenaam worden. Ook al zal je verbannen worden naar de verste landen, gedumpt in de uiterste hoek van 'Verwegistan', je zult er een of andere gastvrije verblijfplaats vinden. Het is belangrijker als wat voor iemand je komt dan waarheen en daarom moeten we ons hart niet verpanden aan welke plek dan ook. We moeten leven met deze overtuiging: 'Niet voor één stekkie ben ik geboren, mijn vaderland is deze hele wereld'.

 

3.28.5. Als dat jou duidelijk is, zul je je er niet meer over verbazen dat je niet gebaat bent bij afwisseling van streken waarheen je achtereenvolgens verhuist uit afkeer van vroegere; de eerste de beste zou je bevallen hebben als je elke als de jouwe zou beschouwen. Nu reis je niet maar dool je en laat je je meeslepen en ruil je de ene plaats in voor de andere terwijl wat je zoekt, goed leven, overal thuis is.

 
3.28.6. Kan wel iets zo druk zijn als het forum? Toch kun je ook daar in rust leven, mocht dat nodig zijn. Maar als je over jezelf kunt beschikken, vlucht dan ver weg voor zelfs de aanblik en de nabijheid van het forum; want zoals besmette plaatsen zelfs de meest blakende gezondheid op de proef stellen, zo zijn zelfs voor een geest van goede wil maar nog niet volmaakt en krachtig sommige omstandigheden weinig heilzaam
 

3.28.7. Ik ben het niet eens met diegenen die tot midden in de stroom gaan en het roerige leven tarten en dagelijks fier met moeilijke omstandigheden worstelen. De wijze zal die verdragen, maar niet opzoeken, en hij zal er de voorkeur aan geven in vrede te leven in plaats van in strijd. Het helpt weinig je eigen fouten af te werpen als je vervolgens met die van anderen slag moet leveren.

 

3.28.8. 'Dertig tyrannen', zegt de overlevering, 'hebben Sokrates in het nauw gedreven maar zijn geest niet kunnen breken'. Wat doet het ertoe om hoeveel tyrannen het gaat? De slavernij is één en dezelfde: wie daar verachting voor weet op te brengen is vrij bij een hoe grote menigte tyrannen ook.

 

3.28.9. Het is tijd te stoppen, maar eerst wil ik mijn bezorgloon betalen. 'Het begin van beterschap is het onderkennen van zijn fouten'. Uitstekend lijkt Epicurus mij dit gezegd te hebben. Want wie niet weet dat hij fout zit, wil niet verbeteren; je moet jezelf ontmaskeren voordat je kunt repareren.

 

3.28.10. Sommige lieden beroemen zich nog op hun fouten: denk je dat zij ook maar even nadenken over een verbetering die hun tekorten onder hun deugden tellen? Daarom: klaag jezelf zoveel mogelijk aan, stel een onderzoek in tegen jezelf. Speel eerst de rol van aanklager, vervolgens van rechter, tenslotte die van getuige á decharge. Stoot jezelf af en toe voor het hoofd. Het ga je goed.

 
 

Boek 4, Brief 2

8

Het hoogste goed.

 

4.31.1.SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.

Ik ken mijn Lucilius: hij begint te laten zien wat hij beloofd had. Volg die geestesaandrang waarmee je voortging op het pad naar juist het hoogste goed met verachting voor wat de grote massa onder 'goed' verstaat. Ik wens je toe dat je niet groter en beter wordt dan je wilde. Het fundament dat je gelegd hebt beslaat een royale oppervlakte. Beperk je tot zoveel als je je voorgenomen hebt en doe wat je van plan was.

 

4.31.2. Globaal gesproken zul je wijs zijn als je je oren hebt afgesloten en daarvoor is het onvoldoende om ze met was af te dammen: je hebt een steviger afsluiting nodig dan, naar men zegt, Odysseus gebruikte voor zijn metgezellen. Dat stemgeluid waarvoor zij bang waren was wel verleidelijk maar niet algemeen: waarvoor je nu echter bang moet zijn, klinkt niet vanaf één klip maar weergalmt van alle kanten ter wereld om je heen. Je moet dan ook niet slechts één plaats die verdacht is door een valkuil van genot voorbijvaren, maar alle steden. Toon je doof voor je meest dierbaren: met de beste bedoelingen raden ze je je verderf aan. Dus als je echt gelukkig wilt zijn, bid de goden dan dat je niets ten deel valt van wat ze wensen.

 

4.31.3. Dat is geen goeds waarmee zij je willen overladen: het enig goede en veroorzaker van en steun voor een gelukkig leven is: zelfvertrouwen. Dat kan je echter slechts ten deel vallen als je inspanning minacht en je die rekent tot die zaken die noch goed noch kwaad zijn; het kan immers niet bestaan dat één en hetzelfde verschijnsel nu eens slecht, dan weer goed, nu eens gemakkelijk en dragelijk, dan weer huiveringwekkend is.

 

4.31.4. Inspanning op zich is geen goed: wat is dan een goed? Verachting voor inspanning. Daarom zal ik mensen die zich voor niets inspannen honen: wanneer zij zich daarentegen op eerzame zaken toeleggen zal ik, naarmate zij zich meer inspannen en zich minder uit het veld laten slaan en zich adempauzes gunnen, mijn bewondering laten blijken en uitroepen: 'Bravo, kop op, haal diep adem en neem die hobbel als je kunt in één ruk'.

 

4.31.5. Inspanning geeft een ruimhartig gemoed voedsel. Er is dus geen reden om op grond van die vroegere wens van je ouders te kiezen wat jij wilt dat jou ten deel valt en wat je wenst. Ook is het per slot van rekening schandelijk voor een man die al door zeer grote beproevingen is gegaan om ook nu nog de goden steeds maar lastig te vallen. Waarom heb je smeekbeden nodig? Maak jezelf gelukkig. Dat zul je doen als je eenmaal begrijpt dat het goede opgenomen is in karaktervastheid en het schandelijke vastzit aan kwaadaardigheid. Zoals zonder combinatie met licht niets schitterend is en niets donker tenzij het duisternis bevat en zoals zonder hulp van vuur niets warm is en niets koud is zonder koelte, zo bewerkt de combinatie met karakter of laaghartigheid het eerzame of schandelijke.

 

4.31.6. Wat dat goede dan is? Kennis van zaken. Wat dat slechte dan is? Onkunde. Een verstandig en kundig man zal iets verwerpen of kiezen in overeenstemming met de omstandigheden. Maar hij is niet bang voor wat hij verwerpt noch bewondert hij wat hij prefereert als zijn geest maar groot en ongeslagen is. Ik wil niet dat je je laat ontmoedigen en terneer laat drukken. Als je inspanning voor lief neemt, is dat ondermaats: eis het op!

 

4.31.7. 'Wat nu?', hoor ik je al zeggen, 'is een loze en overbodige inspanning die in het leven wordt geroepen door triviale oorzaken dan niet slecht?' Evenmin als die welke men zich getroost voor iets moois. Het is immers net de volharding van de geest die zichzelf aanspoort tot hardheid en verbetenheid en zegt:'Waarom zou ik opgeven? Het is geen vent die zweet vermijdt'.

 

4.31.8. Om het karakter volmaakt te krijgen komt hierbij ook dit: een gelijkmatigheid en onafgebroken levensstijl die in alle omstandigheden met zichzelf in overeenstemming blijft. Dat kan slechts gebeuren als men kennis van zaken heeft en een kunde om het menselijke en goddelijke te onderscheiden. Dat is het hoogste goed; als je die beheerst word je metgezel van de goden, niet meer smekeling.

 

4.31.9. 'En hoe bereik je dat stadium?', zul je zeggen. Niet via gebergten als de Poeninus of Graius of de woestenij van Candavia; noch de Syrten noch de Scylla of Charybdis hoef je te bereizen [die je toch allemaal getrotseerd hebt voor een loon van procuratortje]: er bestaat een veilige weg, een aangename, waartoe de natuur je heeft uitgerust. Als je niet verzaakt aan wat zij je gegeven heeft zul je tot goddelijk niveau stijgen.

 

4.31.10. Gelijk aan de godheid zal het geld je echter niet maken: god heeft niets. De toga zal dat ook niet doen: god is naakt. Evenmin de roem of het profileren van jezelf of een reputatie van je naam, verbreid onder de volken: niemand kent god, velen hebben een onjuist oordeel over hem, en straffeloos. Ook geen drom slaven die jouw draagstoel langs de wegen van Rome en het buitenland zeulen: die allerhoogste en allermachtigste god draagt alles zelf. Zelfs schoonheid en kracht kunnen je niet gelukkig maken: niets hiervan is tegen de ouderdom bestand.

 

4.31.11. Je moet zoeken wat niet dagelijks verslechtert, waarvoor geen obstakel opgeworpen kan worden. Wat dit is? De geest, maar dan de ware, goede, grote. Wat zul je deze anders noemen dan een god die zijn intrek heeft genomen in een menselijk lichaam? Deze geest kan evenzeer terechtkomen bij een Romeins ridder als bij een vrijgelatene als bij een slaaf. Wat is immers een Romeins ridder of een vrijgelatene of een slaaf eigenlijk? Labels die voortgekomen zijn uit eerzucht of onrecht. Je kunt vanuit een onooglijk hoekje opspringen naar de hemel: nou, vooruit dan [...] acht ook jij je de god waardig.

Je zult dat echter niet met goud of zilver vormgeven: met dit materiaal kan geen evenbeeld van de godheid tot uitdrukking gebracht worden; bedenk dat het, toen zij ons nog gunstig gestemd waren, om aardewerk ging. Het ga je goed.

 
 

Boek 4, Brief 41

9

De verhouding tussen god en het menselijk individu.

 

4.41.1.SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.

Je doet er heel goed aan en het is heilzaam voor je als je, zoals je schrijft, volhoudt naar een geestelijk evenwicht te streven, waarvan het onnozel is dat van buiten af te wensen, terwijl je het toch vanuit je zelf kunt verwerven. We hoeven onze handen niet ten hemel te heffen of een tempelwachter te vermurwen ons toe te laten tot de oren van een godenbeeld alsof wij dan beter verhoord kunnen worden: god is vlak bij je, is met je, is binnen in je.

 

4.41.2. Ik bedoel dit, Lucilius: er zetelt in ons een heilige geest, een waarnemer en bewaker van onze slechte en goede kanten. En zoals deze door ons behandeld wordt, zo behandelt hij ons. Een werkelijk goed mens zonder god bestaat niet. Kan iemand boven zijn lot uitstijgen tenzij met zijn hulp? Hij geeft grootse en verheven adviezen. In ieder goed mens woont een god, waarvan wij de aard niet kennen.

 

4.41.3. Als je oog in oog komt te staan met een woud, rijk aan oeroude bomen die de gebruikelijke hoogte te boven gaan en het zicht op de hemel onttrekken door de dichtheid van hun takken die elkaar bedekken - die hoogte van het bos en het mysterieuze van zo'n plek en onze bewondering voor de schaduw die zo dicht en ver in de open ruimte geworpen wordt zal jouw geloof in een goddelijke aanwezigheid opwekken. Als je geconfronteerd wordt met een grot, die zich diep uitstrekt onder een berg in uitgevreten rotsen, zonder dat daaraan mensenhanden te pas kwamen, door natuurlijke oorzaken uitgehold tot een zo geweldige ruimte, dan zal hij ongetwijfeld jouw geest treffen met een zweem van godsverering. Wij vereren bronnen van grote rivieren; we richten altaren op bij het plotseling vanuit de diepte ontspringen van een omvangrijke beek ; wij vereren bronnen van warm water en heiligen sommige meren ofwel om hun lommerrijkheid ofwel hun onmetelijke diepte.

 

4.41.4. Als je iemand ziet die onverschrokken is in gevaren, onberoerd door begeerten, in tegenslagen gelukkig, in stormen rustig, vanuit de hoogte neerziende op anderen, op één lijn met de goden, bekruipt je dan geen verering voor hem? Zul je niet zeggen:'Zijn die eigenschappen niet zijn te overweldigend en verheven dan dat ze kunnen passen bij dit nietige lichaam waarin ze huizen?'.

 

4.41.5. Een goddelijke kracht daalt daarheen af. Een buitengewone, evenwichtige geest die alles als nietig overstijgt en lacht om dat waarvoor wij bang zijn en waarop wij hopen, die wordt geleid door een hemelse kracht. Een zo groot vermogen kan niet standhouden zonder steun van een goddelijke aanwezigheid; daarom bevindt hij zich grotendeels daar vanwaar hij afdaalt. Zoals de zonnestralen weliswaar de aarde raken maar zich toch daar bevinden vanwaar zij uitgezonden worden, zo verkeert een grote en eerbiedwaardige geest die hierheen neergezonden is wel onder ons, zodat wij het goddelijke van dichterbij leren kennen, maar blijft hij toch geworteld in zijn oorsprong: daarvan hangt hij af, daarheen ziet hij op en daarheen streeft hij, als een betere geest dan de onze bevindt hij zich onder ons.

 

4.41.6. Wat is dat dan voor een geest? Welke schittert slechts door zijn eigen kwaliteit? Wat is namelijk dwazer dan in een mens prijzen wat niet van hemzelf is. Wat is nog onzinniger dan te bewonderen wat zonder meer naar een ander kan worden overgeheveld? Gouden leidsels maken geen beter paard. Een leeuw met vergulde manen gaat heel anders de arena in, uitgeput doordat hij gemanipuleerd wordt en gedwongen wordt tot het dulden van allerlei franje, dan een onbehandelde, met onaangetast elan. Boven de eerstgenoemde, sloom en met bladgoud opgetut, krijgt de laatste toch de voorkeur, fel in zijn aanval - precies zoals zijn natuur hem gewild heeft - prachtig in zijn onverzorgde staat, waarvan dit zijn uitstraling is: niet zonder schrik aanschouwd te worden.

 

4.41.7. Niemand moet zich op iets beroemen dat niet van hemzelf is. Wij roemen een wijnstok als hij zijn ranken overlaadt met vruchten, als hij door zijn eigen gewicht de stutten naar de aarde drukt die hem gesteund hebben. Zal iemand dan die wijnstok daarboven de voorkeur geven, waaraan gouden druiventrossen, gouden bladeren hangen? Het specifieke goed aan een wijnstok is zijn productie. Ook bij een mens moet men dat prijzen wat van hemzelf is. Hij mag een prachtige groep slaven hebben en een mooi huis, veel zaaien, een groot vermogen oogsten: niets hiervan ligt in hemzelf maar het vormt slechts zijn ambiance.

 

4.41.8. Prijs in hem wat hem noch ontstolen, noch gegeven kan worden, wat hem eigen is. Je vraagt wat dat is? De geest en in die geest de volmaakte rede. Een met rede begiftigd dier is de mens immers. Dan ontplooit hij dus zijn hoogste goed als hij dit in vervulling laat gaan waartoe hij geboren wordt. Wat is nu datgene wat de rede van hem vraagt? Iets heel gemakkelijks: leven volgens zijn eigen natuur. Maar de gebruikelijke dwaasheid maakt deze levenswijze zeer moeilijk: wij duwen elkaar de stommiteit in. Hoe kunnen degenen echter tot hun heil opgeroepen worden die niemand in toom houdt, die jan-en-alleman voortdrijft?   Het ga je goed.

 
 

Boek 5, Brief 47

10

Slaven zijn ook mensen.

 

5.47.1.SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.

Met instemming hoor ik van diegenen die bij jou vandaan hierheen komen dat jij op ongedwongen wijze met je slaven omgaat: dat past bij jouw wijs beleid en filosofische ontwikkeling. 'Het zijn toch maar slaven.' Ja, maar niettemin mensen. 'Het zijn toch maar slaven'. Ja, maar toch ook huisgenoten. 'Het zijn toch maar slaven'. Ja, maar toch vrienden van een eenvoudig soort. 'Het zijn toch maar slaven'. Ja, maar eigenlijk medeslaven, als je in aanmerking neemt dat het lot tegen elk van beide partijen evenveel kuren heeft.

 

5.47.2. Ik moet dus lachen om lieden die het als een schande zien om samen met hun slaaf te eten: waarom zo'n houding anders dan omdat een zeer arrogante gewoonte de heer tijdens zijn maaltijd omgeven heeft met een troep om hem heen staande slaven? Die eet meer dan hij aankan, en door zijn enorme schrokkerigheid schept hij zijn maag vol die uitgerekt is en zijn taak als maag al lang ontwend is zodat hij met nog meer moeite alles uitbraakt wat hij erin gepropt heeft.

 

5.47.3. Maar aan de ongelukkige slaven is zelfs dit niet geoorloofd: hun lippen te bewegen om te praten. Met een zweep wordt alle gemompel de kop ingedrukt en zelfs toevallige geluiden zijn niet van zweepslagen uitgezonderd: een hoestje, niezen, de hik. Met een zware straf boeten zij als ze maar met een enkel woord de stilte onderbroken hebben. De hele nacht moeten ze zonder eten en spreken blijven staan.

 

5.47.4. Zo komt het dat zij over hun meester praten, aan wie het niet geoorloofd is bij hun meester te praten. Maar die slaven aan wie het niet alleen vrij stond in het bijzijn van hun meesters te praten maar ook met hen gesprekken hielden, wier mond niet dichtgenaaid werd, die waren bereid om voor hun meester hun nek uit te steken, een gevaar dat hen bedreigde op hun eigen hoofd af te wentelen. Bij de maaltijden praatten zij, maar tijdens folteringen zwegen zij.

 

5.47.5. Zo komt het ook dat het even arrogante gezegde in zwang is dat we evenveel vijanden hebben als slaven: wij hebben hen niet als vijanden, maar wij maken ze zo. Intussen ga ik nu maar even voorbij aan andere wreedheden en onmenselijkheden, zoals dat wij hen niet als mensen maar als lastdieren misbruiken. Wanneer wij aan tafel aanliggen, veegt de één ons spuug af, een ander verzamelt op zijn hurken de restanten van ons gekots.

 
5.47.6. Weer een ander snijdt kostbare vogels aan. Terwijl hij met vaste trekken zijn ervaren hand rondleidt door borst en achterbout zondert hij stukken af, de ongelukkige, die voor dit ene leeft: het gevogelte netjes te snijden. Tenzij dan degene die dit om zijn genietingen uitlegt nog ongelukkiger is dan degene die het uit noodzaak aanleert
 

5.47.7. Weer een ander worstelt met zijn leeftijd, uitgedost als vrouw: hij kan zijn knapenleeftijd niet ontsnappen, wordt steeds teruggetrokken, en, hoewel met de gestalte van een soldaat maar een glad gezicht waar alle haar op gladgeschoren is of compleet geëpileerd, doorwaakt hij de hele nacht die hij verdeelt tussen de bevrediging van de drankzucht en de wellust van zijn meester en in zijn slaapkamer is hij een man, bij de maaltijd een knaap.

 

5.47.8. Weer een ander, aan wie de selectie van de disgenoten overgelaten is, blijft, ongelukkig, steeds staan en kijkt uit wier vleierij en onbeheerstheid van smaak of taal hij voor de volgende dag zal uitnodigen. Voeg daaraan nog de voedselkopers toe die een verfijnde kennis bezitten van de smaak van hun heer, die weten waarvan de de smaak hem opgewekt maakt en het zien waarvan hem een kick geeft en door de nieuwigheid waarvan hij, misselijk, weer opgekikkerd kan worden; wat hem al tegenstaat omdat hij er al door verzadigd is en wat hij juist op die dag graag wil eten. En zo'n meester verdraagt het niet samen met hen te eten en acht het een inbreuk op zijn waardigheid met zijn slaaf aan dezelfde tafel te gaan. Goeie god! hoeveel meesters telt hij onder hen!

 

5.47.9. Ik heb vóór de deur van Callistus zijn vroegere meester zien staan en gezien dat hij, die hem zijn verkoopbordje had omgehangen en die hem bij de goedkoopste groep slaven had laten aanprijzen, buitengesloten werd terwijl de anderen naar binnen gingen. Zo dankte hem die slaaf die voorheen bij de eerste tiental geplaatst was, waarbij de veilingmeester zijn stem nog moet oefenen: nu weigerde hij hem van zijn kant toegang en oordeelde hij hem de entree in zijn huis niet waardig. Zijn meester heeft Callistus verkocht: maar hoeveel heeft Callistus zijn meester laten betalen!

 
5.47.10. Wil je eraan denken dat die man die jij jouw slaaf noemt geboren is uit hetzelfde zaad als jij en van dezelfde hemel geniet, even hard adem haalt, hetzelfde leven leeft en dezelfde dood sterft! Jij kunt hem net zo hard als vrijgeborene beschouwen als hij jou als slaaf. Door de nederlaag van Varus zijn velen van de meest aanzienlijke afkomst, die op grond van hun militaire carrière uitzicht hadden op de senatorenstand, door het lot ten val gebracht. De één van hen is herder geworden, de ander huisbewaker. Koester nu dan eens verachting voor een man met een levenslot dat ook het jouwe kan worden
 

5.47.11. Ik wil me niet op een grenzeloos gebied wagen en over de behandeling van slaven discussiëren, tegen wie wij zeer arrogant, zeer wreed en zeer grievend optreden. Maar dit is de kern van mijn gedragscode: dat je zo leeft met iemand die onder je staat, zoals je zou willen dat een meerdere met jou leeft. Zo vaak als je in de geest komt hoeveel jou geoorloofd is tegenover je slaaf, moet je ook bedenken dat jouw meester tegenover jou evenveel vermag.

 

5.47.12. 'Maar ik', hoor ik je al zeggen,'heb helemaal geen meester'. Je bent nog jong: je zult er misschien nog een krijgen. Ben je vergeten op welke leeftijd de slavernij begon voor Hecuba, voor Croesus, voor de moeder van Darius, voor Plato, voor Diogenes?

 

5.47.13. Leef mild met je slaaf, vriendelijk ook, en betrek hem in je conversatie, overleg met hem en eet met hem. Op dit punt zal die hele meute verwijfde gasten mij toeroepen: 'Niets is vernederender dan dit, niets schandelijker'. Toch zal ik deze zelfden erop betrappen dat ze de hand van andermans slaven kussen.

 

5.47.14. Zien jullie dan werkelijk niet, hoe onze voorouders alle haatgevoels tegenover de meesters, alle minachting tegenover de slaven hebben weggenomen? Zij noemden de meester 'familievader' en de slaven 'familieleden' - wat ook nog in het toneel is overgebleven - ; zij hebben een feestdag ingesteld waarop niet bij uitzondering de meesters met de slaven aten, maar waarop zij dat in elk geval deden, waarop zij hen toestonden ereambten in huis te vervullen, recht te spreken en waarop ze het huis tot een mini-republiek maakten.

 

5.47.15. 'Wat nu? Moet ik dan al mijn slaven aan mijn tafel uitnodigen?' Evenmin als al de vrijen. Maar je hebt het mis als je meent dat ik sommigen ga uitsluiten omdat zij een al te vies werk doen, zoals bijvoorbeeld een muilezeldrijver of een koeherder. Ik ga hen niet beoordelen op hun werkzaamheden maar op hun karakter: iedereen geeft zichzelf zijn karakter, maar zijn werkzaamheden kent het lot aan hem toe. Laat sommigen met je eten omdat ze het waard zijn, anderen opdat ze dat worden. Als immers iets slaafs bij hen nog rest uit een laag-bij-de grondse omgang, dan zal de omgang met eerzamer lieden het er wel uit krijgen.

 

5.47.16. Er is geen reden, mijn beste Lucilius, om een vriend slechts op het forum en in het senaatsgebouw te zoeken: als je goed oplet, zul je hem ook thuis vinden. Vaak blijft goed materiaal onbenut als de kunstenaar ontbreekt: probeer het en je zult het ondervinden. Zoals hij dwaas is die bij de aankoop van een paard het beest zelf niet onderzoekt maar zijn zadel en teugels, zo is hij allerdwaast die een mens taxeert op grond van zijn kleding of van zijn omstandigheden, die als een kledingstuk om ons heen hangen.

 

5.47.17. 'Het is een slaaf'. Ja, maar misschien vrij van geest. 'Het is een slaaf'. Zal dat hem schaden? Laat eens zien wie dat niet is: de één kruipt voor genot, een ander voor zijn gierigheid, weer een ander voor zijn eerzucht, allen voor hoop, allen voor vrees. Ik kom aanzetten met een oud-consul die kruipt voor een oud vrouwtje, ik zal een rijkaard noemen die kruipt voor een slavinnetje, ik zal verwijzen naar een groep zeer vooraanstaande jongemannen die slaven zijn van pantomimedansers: geen enkele slavernij is schandelijker dan een vrijwillige. En daarom is er geen reden waarom die snobs waarover ik het net had jou ervan zouden weerhouden om je opgewekt te tonen tegenover je slaven en niet op arrogante manier hun meerdere: laten ze je liever respecteren dan vrezen.

 

5.47.18. Nu zal iemand misschien zeggen dat ik slaven oproep tot revolutie en het van zijn voetstuk stoten van hun heer, omdat ik gezegd heb:'Laten zij hun meester liever respecteren dan hem vrezen'. 'Meen je dat heus', zal men zeggen,'respecteren als horigen die de ochtendgroet komen brengen?' Wie dit zal zeggen, zal vergeten dat dit voor een meester niet genoeg is, wat voldoende is voor een god. Wie gerespecteerd wordt, wordt ook bemind: liefde kan niet gecombineerd worden met vrees.

 

5.47.19. Heel juist vind ik dus dat je dat je niet door je slaven gevreesd wilt worden en dat je woorden als bestraffing gebruikt: met zweepslagen worden stomme dieren aangespoord. Niet alles wat ons treft, kwetst ons daarom ook. Maar een gemakkelijk leventje geeft ons lange tenen zodat elke tegenslag ons driftig maakt.

 

5.47.20. Wij nemen de mentaliteit van koningen aan; want ook die vergeten zowel hun eigen macht als de zwakheid van de ander en winden zich zo op en gaan zo tekeer alsof ze onrecht geleden hebben, waarvoor de grootheid van hun omstandigheden hen nou juist volkomen vrijwaart. En dat weten ze best, maar in zelfbeklag grijpen ze elke gelegenheid aan om schade te berokkenen: ze spelen slachtoffertje om onrecht te doen.

 

5.47.21. Maar ik wil je niet langer ophouden: je hebt geen aansporing nodig. Dit voordeel hebben goede gewoonten onder andere: ze vallen bij zichzelf in de smaak en blijven. Kwaadaardigheid is vluchtig, verandert steeds, niet ten goede maar in iets anders. Gegroet.

 
 

Boek 7, Brief 63

11

Bij het overlijden van een vriend.

 

7.63.1.SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.

Je tobt over de dood van je vriend Flaccus. Toch wil ik niet dat je daarover meer treurt dan redelijk is. Ik durf amper van je te vragen dat je niet treurt. Toch ben ik er zeker van dat dat beter is. Maar aan wie zal die geesteskracht ten deel vallen, tenzij aan wie ver boven het lot staat? Ook hem zal deze gebeurtenis raken, maar meer ook niet. Maar ons kan vergeven worden dat we ons aan tranen overgeven, als zij maar niet al te overvloedig stromen en we ze zelf onderdrukken. Bij het verlies van een vriend hoeven onze ogen niet droog te blijven maar ook weer niet over te stromen; we mogen wenen maar niet jammeren.

 

7.63.2. Lijkt het je of ik je een harde wet opleg? Toch heeft de grootste Griekse dichter verlof gegeven om slechts één dag te huilen, toch heeft hij gezegd dat zelfs Niobe er aan dacht te eten. Je vraagt waar die jammerklachten vandaan komen en die mateloze huilpartijen? Door middel van tranen zoeken wij bewijzen voor ons gemis en wij geven niet toe aan onze smart maar tonen die. Niemand is bedroefd voor zichzelf. Wat een ongelukkige verdwazing: zelfs in smart steekt nog eerzucht!

 

7.63.3. 'Wat dan?', zeg je, 'moet ik mijn vriend dan maar vergeten?' Je belooft hem maar een korte herinnering, als die even lang zal duren als je verdriet. Al gauw zal een of ander voorval je gezicht uit de plooi halen. Ik wil dat niet opschorten tot het tijdstip waarop elk gemis slijt, waarop zelfs de hevigste rouw tot rust komt. Zodra je ophoudt jezelf te controleren, zal dat uiterlijk van droefheid wijken. Nu bewaak je je verdriet; maar ook aan je bewaking ontsnapt het, en het houdt des te sneller op, naarmate het heviger is.

 

7.63.4. Laten we ervoor zorgen dat de herinnering aan hen die wij verloren hebben prettig is. Niemand keert graag terug naar datgene waaraan hij slechts gekweld kan terugdenken, zoals ook dit noodzakelijkerwijs moet gebeuren dat de naam van overleden dierbaren ons met enige pijn te binnen schiet. Maar ook deze pijn kent toch zijn genoegen.

 

7.63.5. Want, zoals onze Attalus placht te zeggen: 'De herinnering aan overleden vrienden is net zo aangenaam zoals sommige vruchten lekker pittig zijn, zoals bij een iets te oude wijn juist de bittere smaak ons zo aanstaat. Maar wanneer er enige tijd verstrijkt, verdwijnt alles wat ons benauwde en breekt het zuivere genot door'.

 
7.63.6. Als we hem moeten geloven is: 'Denken aan vrienden tijdens hun leven zoveel als genieten van honingkoek en het ophalen van herinneringen aan hen die er niet meer zijn prettig maar niet zonder iets bitters. Wie zal echter ontkennen dat ook dit bittere en wat straffe voedsel de maag prikkelt?'
 

7.63.7. Ik deel zijn mening niet: voor mij is de gedachte aan overleden vrienden prettig en aangenaam: ik had hen immers met de gedachte dat ik hen zou verliezen, nu heb ik hen verloren met de gedachte dat ik hen nog heb.

- Doe dus, mijn beste Lucilius, wat past bij je evenwichtigheid; houd ermee op de weldaad van het lot verkeerd te duiden: zij heeft je afgenomen maar ook gegeven.

 

7.63.8. Laten we daarom gretig genieten van onze vrienden omdat het onzeker is hoe lang dat mogelijk is. Laten wij bedenken hoe vaak wij hen hebben achtergelaten bij het ondernemen van een verre reis, hoe dikwijls wij hen niet gezien hebben, hoewel we op dezelfde plaats verbleven: dan zullen wij begrijpen hoeveel tijd we verkwist hebben bij hun leven.

 

7.63.9. Moet je hen dan serieus nemen, die heel nonchalant met hun vrienden omspringen, maar uitzinnig rouwen en slechts genegenheid opbrengen voor wie zij verloren hebben? En dan daarom al te omstandig treuren omdat zij vrezen dat er twijfel aan hun genegenheid bestaat? Te laat zoeken zij naar bewijzen voor hun gevoelens.

 

7.63.10. Als wij nog andere vrienden hebben, bewijzen we hen een slechte dienst en onderschatten hen als zouden zij niet in staat zijn tot troost over de ene die ons ontnomen is. Als wij geen andere vrienden hebben, hebben wij onszelf een groter onrecht aangedaan dan we van het lot te incasseren kregen: dat heeft ons er één ontstolen, wij echter iedereen die we niet tot vriend gemaakt hebben.

 

7.63.11. Voorts heeft hij zelfs niet al te veel die ene bemind, die niet meer dan één vriend heeft kunnen maken. Als iemand beroofd is en wil blijven jammeren om het verlies van zijn enige hemd, liever dan te bekijken hoe hij aan de kou kan ontsnappen en iets kan vinden om zijn schouders mee te bedekken, zal die je niet allerdwaast toeschijnen? Je hebt iemand uitgeleide gedaan op wie je gesteld was: zoek nu dan iemand om op gesteld te zijn. Het is beter een nieuwe vriend te vinden dan te treuren.

 

7.63.12. Ik weet dat dit, wat ik eraan toe ga voegen, een uitgesleten pad is maar toch zal ik het niet hierom verzwijgen omdat het al door allen gezegd is: mettertijd bereikt zelfs het einde van de smart degene die daar niet op uit was. Maar het schandelijkste geneesmiddel bij een verstandig mens is toch wel de vermoeidheid om nog verder te treuren: ik wil liever dat jij je smart loslaat dan dat je door hem losgelaten wordt; en houd zo snel mogelijk op dat te doen wat je niet lang zult volhouden, zelfs als je het zult willen.

 

7.63.13. Onze voorouders hebben voor vrouwen een periode van een jaar vastgesteld om te rouwen, niet om dat zo lang te doen, maar niet langer. Voor mannen is bij wet geen periode vastgelegd, omdat geen enkele passend is. Maar kun je niettemin uit die vrouwtjes, met moeite weggetrokken van de brandstapel, met moeite weggehaald van het stoffelijk overschot, er één noemen, bij wie de tranen een volle maand hebben geduurd? Niets gaat ons sneller tegenstaan dan verdriet, dat nog wel een trooster vindt en mensen tot zich trekt als het pas ontstaan is, maar waar men om lacht als het eenmaal verouderd is, niet ten onrechte: het is dan immers ofwel geveinsd ofwel dwaas.

 

7.63.14. - Dit schrijf ik jou, ik die over Anneus Serenus, die mij zo dierbaar was, zo mateloos getreurd heb dat ik, tegen mijn zin, onder de voorbeelden terechtgekomen ben van diegenen op wie de smart een overwinning behaald heeft. Maar nu veroordeel ik mijn gedrag en begrijp ik dat de voornaamste oorzaak om zo te rouwen geweest is dat ik me nooit gerealiseerd had dat hij vóór mij kon sterven. Dit ene had ik voor ogen, dat hij jonger was en wel veel jonger - alsof de lotsbeschikkingen een volgorde in acht zouden nemen!

 

7.63.15. Laten wij derhalve voortdurend evenzeer bedacht zijn op onze eigen sterfelijkheid als die van allen voor wie wij genegenheid koesteren. Toen had ik moeten zeggen: 'Mijn dierbare Serenus is jonger: wat doet dat ertoe? Hij moet eigenlijk na mij sterven, maar vóór mij kan ook'. Omdat ik dat niet gedaan heb, heeft het lot mij plotseling onvoorbereid getroffen. Nu ben ik er zowel op bedacht dat alles sterfelijk is alsook sterfelijk volgens een onzekere wetmatigheid; vandaag kan gebeuren wat ooit kan gebeuren.

 

7.63.16. Laten wij dus bedenken, mijn allerdierbaarste Lucilius, dat wij al spoedig daarheen zullen gaan, waar hij tot ons verdriet al aangekomen is. En misschien, als tenminste waar is wat de wijzen zeggen en een of andere plaats ons opneemt, is hij, van wie wij menen dat hij verloren is gegaan, ons daarheen voorgegaan .

Het ga je goed.

 

 
Boek 8, Brief 70
12

Vrijheid van sterven.

 

8.70.1. SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.

- Na lange tijd heb ik jouw Pompeii weer gezien. Ik zag het decor van mijn jeugd weer terug. Alwat ik daar als jongeman gedaan had: ik dacht dat nog steeds te kunnen doen en het nog kort geleden gedaan te hebben.      

 

8.70.2. - Wij varen verder ons leven door, Lucilius, en zoals op zee, naar het woord van onze Vergilius 'landen en steden wegwijken', zo laten wij in deze vaart van de rappe tijd, eerst onze kindertijd achter, dan onze puberteit, dan allles tussen onze mondige en onze grijze jaren, - een fase die aan beide grenst - dan de beste jaren van de ouderdom zelf; tenslotte begint zich het onontkoombaar einde van ons menselijk bestaan af te tekenen.

 

8.70.3. - In onze verdwazing houden we dat einde voor een klip: integendeel, het is een thuishaven die we ooit binnen moeten lopen, die we nooit kunnen afwijzen en waarover evenmin diegene mag klagen die er binnen zijn eerste levensjaren binnenloopt als wie een scheepstocht snel maakt. Zoals je weet, spelen immers de één windstiltes parten, verlammen hen en putten hen uit met ergernis over een tergende passiviteit terwijl een stugge bries een ander vliegensvlug op zijn bestemming brengt.

 

8.70.4. - Houd het erop dat hetzelfde ons overkomt: het leven brengt sommigen vliegensvlug waar men heen moet, ook de twijfelaars, anderen beent het uit en stooft ze gaar. Je moet het, zoals je weet, niet eindeloos rekken, want het goede bestaat niet uit leven zonder meer, maar uit leven op de goede manier. Daarom leeft de wijze zolang hij moet, niet zolang hij kan.

 

8.70.5. Hij zal in de gaten houden waar hij leeft, met wie, hoe, met welk toekomstperspectief. Altijd zal hij erop bedacht zijn wat de kwaliteit van zijn leven is, niet de kwantiteit. Als hem veel tegenslag overkomt dat hem uit zijn evenwicht dreigt te brengen, dan stapt hij eruit. En dit doet hij niet alleen in de uiterste noodzaak, maar zodra hem zijn omstandigheden verdacht beginnen voor te komen begint hij al speurend om zich heen te kijken of hij er dan al een punt achter moet zetten. Hij is van oordeel dat het voor hem geen enkel verschil maakt, of hij het einde zelf moet maken of over zich heen moet laten komen, of het wat later of al gauw gebeurt: hij is er niet bang voor als voor een groot tekort. Niemand kan veel verliezen als er slechts een druppel rest.

 

8.70.6. - Het punt is niet of je eerder sterft of later, maar of je goed sterft of slecht; en goed sterven impliceert: ontkomen aan het risico slecht te leven. Daarom beschouw ik de uitspraak van die Rhodiër ook als hoogst verwijfd, die, opgesloten in het cachot door de tyran en gevoederd als een wild dier, tegen iemand die hem over wilde halen om van het voedsel af te zien, zei: "Zolang men leeft, kan men nog alles hopen".

 

8.70.7. - Ook al is dit waar, je moet het leven toch niet tot élke prijs kopen. Ook al zijn sommige zaken belangrijk, ook al zijn ze zeker, ik zou me daarbij toch niet verlagen tot een zo schandelijke uiting van zwakte: zal ik eerder bedenken dat het lot bij een levende tot alles in staat is dan dat ik zal bedenken dat het lot niets meer kan uitrichten bij hem die weet te sterven?

 

8.70.8. - Soms echter zal men, ook als een zekere dood ophanden is en men zeker kan zijn van een executie, toch zijn terechtstelling niet voorkomen: men zal zichzelf sparen. Het is dwaas te sterven uit angst voor de dood: de beul is op komst, wacht hem af. Wat houdt je bezig? Waarom vooruitlopen op de taak van wreedheid tegenover een ander? Ben je jaloers op je beul of ontzie je hem?

 

8.70.9. - Socrates kon door versterven en vasten zijn leven beëindigen als hij dat prefereerde boven sterven door vergif; toch heeft hij dertig dagen in de gevangenis opgeëist in afwachting van de dood, niet met de gedachte dat 'alles nog kon gebeuren' en een zo lange tijd 'nog veel hoop zou opleveren', maar om zich in dienst te stellen van de wetten, om zijn vrienden de gunst te schenken van een Socrates in zijn levenseinde. Wat was dwazer dan de dood wel te verachten, maar het vergif te vrezen?

 

8.70.10. - Scribonia, een vrouw van de degelijke oude stempel, was de tante van Drusus Libo, een even stomme als adellijke jongeman, die hogere ambities koesterde dan iemand in die tijd kon koesteren of iemand als hij in welke tijd ook. Toen hij, ziek, op een draagbaar uit de senaat thuisgebracht was, een uittocht zonder veel belangstelling - al zijn verwanten hadden hem immers schandelijk in de steek gelaten nu het niet meer ging om een schuldige maar om een sterfgeval - begon hij zich te beraden op de vraag of hij de dood in eigen hand zou nemen of hem zou afwachten. Scribonia zei toen tegen hem:"Wat voor plezier heb je erin om andermans werk op te knappen?" Maar ze kon hem niet overhalen: hij sloeg de hand aan zichzelf, niet zonder reden. Want als men, ten dode opgeschreven, een dag of twee, drie mag leven naar believen van zijn vijand, dán pas 'knapt men andermans werk op'.

 

8.70.11. - Je zou dus geen algemeengeldende uitspraak kunnen doen over deze kwestie, of je, wanneer een macht van buiten de dood aankondigt, die vóór moet zijn of af moet wachten; er zijn immers veel factoren die je naar één van beide kanten kunnen overhalen. Als de ene dood gepaard gaat met foltering, terwijl de ander eenvoudig en makkelijk is, waarom zou je dan niet de laatste aangrijpen? Zoals ik een schip zal kiezen als ik ga varen en een huis als ik me ergens ga vestigen, zo zal ik een dood kiezen als ik het leven vaarwel ga zeggen.

 

8.70.12. - Bovendien, zoals een langer leven niet altijd beter is, zo is een langer sterven altijd slechter. In geen enkele situatie moeten we onze eigen geest meer ter wille zijn dan bij het sterven. Laat hij eruitstappen zoals hij wil: of hij nou het zwaard kiest of de strop of een drank die de aderen blokkeert, laat hij zijn gang gaan en de boeien van de slavernij verbreken. Men moet zijn leven afstemmen ook op anderen, maar zijn dood alleen op zichzelf: de beste is die waartoe men zelf besluit.

 

8.70.13. - Het is dwaas te denken:'men zal vast zeggen dat ik niet erg dapper gehandeld heb, of juist 'over de top', of dat een ander soort sterven moediger zou zijn geweest'. Wil je wel eens bedenken dat je een beslissing neemt waarbij praatjes geen rol spelen! Let alleen hierop, dat je je zo gauw mogelijk aan je situatie onttrekt; anders zal het niet ontbreken aan lieden die over jouw daad een vernietigend oordeel vellen.

 

8.70.14. - Je kunt er ook tegenkomen die zich op wijsheid toeleggen maar zeggen dat men zijn leven niet met geweld aan mag pakken en die het als een vloek beschouwen dat men zijn eigen moordenaar zou worden: men moet het einde afwachten dat de natuur bepaald heeft. Wie dit zegt ziet niet in dat hij de weg naar vrijheid afsluit: een eeuwige wet heeft voor niets beters gezorgd dan dat hij ons één toegang tot het leven gegeven heeft, maar vele uitgangen.

 

8.70.15. - Zou ik wachten op de wreedheid van een ziekte of een mens, terwijl ik in staat ben tijdens de kwellingen te verdwijnen en alles wat zich tegen mij keert van me af te schudden? Dit is nou net het enige waarom we niet over het leven kunnen klagen: het houdt niemand tegen. De goede kant van het mensenbedrijf is nu juist dat niemand ongelukkig is tenzij door zijn eigen vergissing. Bevalt het je? Leef dan! Bevalt het je niet? Dan kun teruggaan naar waar je vandaan bent gekomen!

 

8.70.16. - Om je hoofdpijn te verlichten, heb je vaak wat bloed laten vloeien: om je lichaam te verlichten, pas je aderlating toe. Je hoeft je hart niet met een grote wond te doorboren: met een lancet wordt de weg naar die enorme vrijheid geopend en met een prik staat je zorgeloosheid vast. Wat is het dan dat ons lui en loom maakt? Niemand van ons denkt eraan dat hij deze behuizing toch ooit moet verlaten; daardoor houdt aanpassing aan omstandigheden en gewoonte de oude bewoners zelfs onder onrecht vast.

 

8.70.17. - Wil je onafhankelijk staan tegenover dit lichaam? Bewoon het dan alsof je elk moment kunt verhuizen. Houd je voor dat je deze behuizing toch ooit moet missen: dan zul je sterker zijn bij de noodzaak het te moeten verlaten. Maar hoe kan iemand die mateloos verknocht is aan alles ooit zijn eigen einde overwegen?

 

8.70.18. - Van niets is reflectie erop zo noodzakelijk; op andere zaken bereidt men zich misschien overbodig voor. Je geest heeft zich voorbereid op armoede: is je rijkdom gebleven. Hebben we ons geharnast tot verachting voor leed: eist het geluk van een blakend gezond lichaam nooit een bewijs van deze kwaliteit. Hebben we ons erin getraind dat wij het gemis van ons ontvallen dierbaren dapper dragen: heeft het geluk allen die wij beminden in leven gelaten.

 

8.70.19. - Alleen van deze éne gebeurtenis zal er een dag komen die eist dat we er benul van hebben. Er is geen reden om aan te nemen dat slechts grote mannen zoveel pit hebben gehad dat ze daarmee de boeien van de menselijke slavernij verbraken; er is geen reden te denken dat dit slechts een Cato kan overkomen, die zijn leven, dat hij niet met het zwaard had kunnen verjagen het er met blote handen uittrok: mensen met de meest abjecte status zijn onder een geweldige aandrang ontsnapt naar veilig gebied en toen het hen niet geoorloofd was naar eigen goeddunken te sterven en de werktuigen voor de dood naar eigen voorkeur uit te zoeken, hebben zij iets weggegrist wat hen voor handen kwam en wat van nature niet schadelijk was hebben zij eigenmachtig in een dodelijk wapen omgetoverd.

 

8.70.20. - Onlangs nog heeft aan de school voor training voor het vechten met wilde beesten één van de Germanen, bij de voorbereiding op de ochtendspelen, zich verwijderd om naar de plee te gaan [geen enkele andere afzondering zonder bewaker werd hem gegund]; daar heeft hij de stok die daar stond met de spons eraan om het vuil af te vegen in zijn geheel zijn keel in gepropt en zo door het afsluiten van zijn luchtpijp zijn laatste adem uitgeblazen. Dat was nog eens spotten met de dood! Zo dan maar, niet zo hygiënisch en niet zo fatsoenlijk: wat is dwazer dan kieskeurig sterven?

 

8.70.21. - Wat een dappere vent, wat verdiende hij dat hem de keuze van zijn lot gegund werd! Wat zou hij dapper het zwaard gehanteerd hebben, hoe enthousiast zou hij zich in de diepte van de zee of een rotspunt gestort hebben ! Van alle kanten in de steek gelaten vond hij toch een mogelijkheid om zich te doden en een wapen, zodat je ziet dat er geen ander oponthoud voor de dood is dan het te willen. Laat ieder oordelen over de daad van deze zeer doortastende man zoals hem goed dunkt, als dit maar duidelijk is, dat de meest walgelijke dood te verkiezen is boven de zuiverste slavernij.

 

8.70.22. - Aangezien ik begonnen ben onsmakelijke voorbeelden te gebruiken, zal ik daarmee doorgaan; iedereen zal immers meer van zichzelf eisen, als hij zal zien dat deze zaak ook veracht kan worden door de meest verachtelijken. Wij menen dat de Cato's en Scipio's en anderen over wie wij gewend zijn met bewondering te horen spreken, dat die boven elke navolging verheven zijn. Nu, ik zal aantonen dat even veel voorbeelden bij het beestenspel als bij de aanvoerders in de burgeroorlog die kwaliteit bezitten.

 

8.70.23. - Toen onlangs iemand die tot het ochtendspektakel veroordeeld was onder bewaking daarheen vervoerd werd, boog hij, alsof hij zat te knikkebollen, zijn hoofd zo diep omlaag dat hij het tussen de spaken kon steken, en hij heeft zich zo lang op zijn plaats schrap gezet tot hij door een omwenteling van het wiel zijn nek brak. Met hetzelfde voertuig waarmee hij naar zijn executie werd vervoerd is hij die ontsnapt!

 

8.70.24. - Voor wie uit wil breken en eruit wil stappen bestaat geen belemmering: de natuur bewaakt ons in een open ruimte. Aan wie zijn eigen lot in handen heeft, die moet maar uitzien naar een zachte dood. Wie meerdere mogelijkheden heeft om zich van te bedienen, laat die een keuze maken en bekijken hoe hij zich het beste in veiligheid kan brengen. Voor wie de kans moeilijk te grijpen is, die moet elke kans die hij tegenkomt als de beste aangrijpen, ook al is die ongehoord en onbekend. Mits het een karakter niet aan geestkracht ontbreekt, zal het hem ook niet in de steek laten om te sterven.

 

8.70.25. - Zie je hoe zelfs de nietigste slaaf wakker geschud wordt en aan het oog van de meest alerte bewaking ontsnapt, zodra leed zijn drijfveer is? Hij is een groot man, die zichzelf niet alleen de dood oplegt, maar er ook een weg voor vindt. Ik heb je meer voorbeelden van dezelfde soort beloofd.

 

8.70.26. - Bij de tweede voorstelling van een zeeslag stak een barbaar de speer die hij gekregen had om te gebruiken tegen tegenstanders deze helemaal in zijn eigen keel. 'Waarom, oh waarom', zei hij, 'ben ik al die foteringen en bespottingen niet allang ontvlucht? Waarom wachten op de dood als ik gewapend ben?' Des te brillanter was dit schouwspel doordat mensen hierdoor leren dat het eervoller is te sterven dan te moorden.

 

8.70.27. - Wat nu? wat verdorven en misdadige geesten hebben, zullen zij daarover niet beschikken die tegen deze deze lotgevallen gewapend zijn door een langdurige bespiegeling en de meesteres van alles, de rede? Die leert ons toch dat het lot vele toegangen heeft tot ons leven, maar dat het einde hetzelfde is, dat het niets uitmaakt waar dat wat komt, vandaan komt.

 

8.70.28. - Diezelfde rede spoort je aan te sterven als je de vrijheid hebt om dat naar eigen wens te doen en anders naargelang je kunt, en om je meester te maken van wat zich maar voordoet om gewelddadig tegen jezelf op te treden. Van diefstal leven is onrechtmatig, maar de dood stelen: prachtig!

Het ga je goed!

 
 

Boek 8, Brief 73

13

De filosoof en de overheid.

 

8.73.1.SENECA GROET ZIJN DIERBARE LUCILIUS.

- Diegenen lijken mij het mis te hebben die van oordeel zijn dat zij die zich trouw aan de filosofie overgeven arrogant zijn en dwarsliggers, vol minachting voor bestuurders of heersers of voor hen die het openbaar belang behartigen. Integendeel, er is geen groep die hen dankbaarder is, en terecht. Geen enkele groep mensen bewijzen zij immers een grotere dienst dan die kan genieten van een vreedzame rust.

 

8.73.2. - Zij, derhalve, voor wie openbare rust veel bijdraagt aan hun ideaal, een goed leven te leiden, moeten noodzakelijkerwijs de bewerker van dit goed als een vader respecteren. Ja, veel meer ook dan die rusteloze lieden die zich overal opdringen, die veel aan hun bestuurders verschuldigd zijn maar hen ook van veel de schuld geven. Hun kan geen enkele vrijgevigheid ooit zo volledig tegemoet komen, dat die hun verlangens bevredigt: die nemen namelijk toe terwijl ze vervuld worden. Want al wie denkt aan krijgen is al vergeten wat hij gekregen heeft en hebberigheid draagt geen groter kwaad met zich mee dan dat het ondankbaar is.

 

8.73.3. - Voeg daar nu aan toe dat niemand van hen die een openbare functie uitoefenen erop let hoevelen hij voorbijgestreefd is, maar door wie hij voorbijgestreefd wordt. En het is voor hen niet zozeer een genoegen te zien dat dat hij velen achter zich laat, als wel een kwelling dat hij iemand vóór zich ziet. Alle eerzucht heeft dit gebrek: zij kijkt niet achterom. En niet alleen eerzucht is rusteloos, maar elke begeerte, omdat zij altijd weer de kop op steekt na het bereiken van haar doel.

 

8.73.4. - Maar die oprechte en integere man, die het senaatsgebouw en het forum en elke bestuurlijke functie achter zich heeft gelaten om zich te wijden aan zaken met diepere strekking, die is hun toegedaan door wier toedoen hij dit veilig kan doen en hij is de enige die hun daar belangeloos zijn erkentelijkheid voor betuigt en is hun, zonder dat zij dat weten, een groot vermogen verschuldigd. Zoals hij zijn leermeesters vereert en bewondert door wier weldaad hij een uitweg vindt uit eerdere chaos , zo waardeert hij ook hen onder wier bescherming hij zijn nobele studies uitvoert.

 

8.73.5. - 'Maar de heerser beschermt ook anderen met zijn macht'. Wie zal dat ontkennen? Maar zoals hij het meest verschuldigd denkt te zijn aan Neptunus van hen die van dezelfde rust geprofiteerd hebben, hij die de grootste en kostbaarste lading over die zee heeft vervoerd, en een dankoffer daarvoor opgetogener door een koopman gebracht wordt dan door een vrachtschipper en van die kooplieden hij weer uitvoeriger dank betuigt die reukwaren vervoerde en purper en een lading die goud waard is dan hij die wat goedkoops had ingeladen als een soort ballast, zo bereikt de weldaad van deze vrede die toch allen betreft, hen intenser die daarvan een goed gebruik maken.

 

8.73.6. - Velen immers zijn er onder deze toga-dragers voor wie de vrede lastiger is dan de oorlog. Of denk je dat zij de vrede evenzeer waarderen die haar besteden aan dronkenschap of wellust of andere ondeugden waaraan zelfs door een oorlog een einde gemaakt moet worden? Je meent toch niet dat de wijze zo onrechtvaardig is dat hij van oordeel is dat hij als individu niets te danken heeft aan gemeenschappelijk goeds? Ik heb heel veel te danken aan zon en maan, en toch komen die niet voor mij alleen op. Ik ben als individu veel verschuldigd aan de de seizoenen en de godheid die ze controleert, ofschoon ze in het geheel niet ter ere van mij ingedeeld zijn.

 

8.73.7. - Dwaze hebzucht van stervelingen maakt onderscheid tussen 'bezit' en 'eigendom' en niemand gelooft dat iets van hem is als het ook van iedereen is. Maar onze wijze acht niets meer het zijne dan wat een gedeeld bezit is van hem met heel het mensengeslacht. Want die zaken zouden niet gemeenschappelijk bezit zijn, als niet een stukje ervan onder privé-bezitters viel. Ook wat maar voor een klein gedeelte gemeenschapsgoed is maakt de eigenaar al tot 'deelgenoot'.

 

8.73.8. - Voeg hier nu aan toe dat grote en werkelijk goede zaken niet zo verdeeld worden dat ieder afzonderlijk slechts een klein deel toevalt: iedereen krijgt dat in zijn geheel. Bij een openbare uitdeling krijgen de mensen zóveel als hun per hoofd beloofd is; een officiële maaltijd en een vleesuitdeling en wat maar verder tastbaar is valt in stukken uiteen: maar dit soort goed, vrede en vrijheid, zijn ondeelbaar. Het is even zeer in zijn geheel van allen als van ieder afzonderlijk.

 

8.73.9. - De filosoof is er zich dan ook van bewust door wiens toedoen hem het gebruik en genot hiervan ten deel valt, dank zij wie de publieke noodzaak hem niet oproept de wapens op te nemen en wacht te lopen, stadsmuren te beschermen en allerlei bijdragen aan de oorlogsvoering te leveren, en hij is zijn bestuurder dankbaar. Dit vooral leert ons de wijsbegeerte: op de juiste wijze dankbaar zijn voor weldaden, daar op de juiste wijze iets tegenover stellen. Maar soms is de formulering hiervan al zo'n tegenprestatie.

 

8.73.10. - Dus zal hij onder woorden brengen dat hij veel verschuldigd is aan hem door wiens bestuur en vooruitziende blik hem ten deel valt: een vruchtbare rust en de beschikking over zijn eigen tijd en een rust die niet verstoord wordt door openbare functies.

"Meliboeus, een god heeft ons deze deze rust gegeven;

voor mij zal hij immers altijd een god zijn." (Verg.Ecloga 1)

 

8.73.11. - Als die rust ook al maakt dat veel dank verschuldigd is aan de bewerker ervan, waarvan dit de grootste weldaad is dat:

"hij stelt mij, zoals je ziet, in staat mijn runderen te laten grazenen op mijn herdersfluit te spelen wat ik maar wil,"

hoe hoog moeten we deze rust dan schatten, die ons onder de goden brengt, die ons tot goden maakt?

 

8.73.12. - Dat is wat ik bedoel, Lucilius, en ik dirigeer je daarmee langs de kortste weg naar de hemel. Sextius zei gewoonlijk dat Iuppiter niets meer kon dan een goed mens. Iuppiter heeft de mensen meer te bieden, maar bij twee goeden is hij niet beter die rijker is, evenmin als je bij twee die elkaar evenaren in stuurmanskunst diegene beter zou noemen die het grootste en mooiste schip heeft.

 

8.73.13. - Waarin overtreft Iuppiter de goede mens? Hij is langer goed: maar de wijze acht zich geenszins minder omdat zijn kwaliteiten besloten liggen in een kortere tijd. Zoals van twee wijzen degene die ouder sterft niet gelukkiger is dan degene wiens voortreffelijkheid binnen minder jaren besloten ligt, zo overtreft de godheid de wijze niet in geluk, ook al overtreft hij hem in duur. Een kwaliteit die langer duurt is daarom nog niet beter.

 

8.73.14. - Juppiter heeft alles, maar heeft het aan anderen in bezit gegeven: hierop komt dit ene bezit neer, dat het voor allen de oorzaak tot bezit is: de wijze ziet even gelijkmoedig alles bij anderen en koestert er evenzeer minachting voor als Iuppiter en hierin heeft hij een groter gevoel van eigenwaarde dat Iuppiter daarvan geen gebruik kan maken en de wijze dat niet wil.

 

8.73.15. - Laten we dus met Sextius meegaan wanneer hij de mooiste weg wijst en uitroept: 'hierlangs bereiken wij de sterren, via de soberheid, de beheersing, de moed'. De goden zijn niet afwerend, niet afgunstig: ze zijn toegeeflijk en reiken hen die omhoog willen de hand.

 

8.73.16. - Verbaast het je dat de mens naar de goden komt? God komt naar de mensen, ja, wat nog dichterbij is, hij daalt in de mensen af: geen geest is goed als hij zonder god is. Goddelijke zaden zijn in de mensenlichamen uitgestrooid, en als een goede verzorger zich daarover ontfermt komen zij uit als evenbeeld van hun oorsprong en gelijk aan dat waaraan zij hun oorsprong ontlenen. Zo niet, dan doodt hij ze als een onvruchtbare en moerassige bodem en komt er onkruid van in plaats van oogst.

Het ga je goed.    

 
 

Einde van de selectie uit Seneca’s brieven aan Lucilius.

 

vertaling: Ben Bijnsdorp