Meer Catullus
 

Carmen 1. Aan Cornelius. 1

 

Aan wie geef ik dit aardige nieuwe boekje

zojuist met droge puimsteen gepolijst?

Aan jou Cornelius! Want jij was gewend te denken

dat mijn niemendalletjes iets voorstelden.

Reeds toen al, toen jij als enige van de Italiërs

hebt gedurfd een hele wereldgeschiedenis in

drie geleerde boeken uiteen te zetten

Bij Iupiter, met veel hard werken.

Aanvaard dus dit boekje voor wat het waard is,

O schutspatrones, moge het langer dan een eeuw,

moge het eeuwig blijven bestaan!

 

              

 

Carmen 2b. Atalanta. 2

 

Een even grote vreugde als voor het snelvoetige meisje

dat – naar verluidt - viel voor de verleiding van de gouden appels,

was het mij toen haar lang gesloten gordel zich eindelijk ontbond.

 

              

 

Carmen 9. Aan Veranius.

 

Veranius dierbaarste van al mijn

driehonderdduizend vrienden

ben je teruggekeerd naar je huis en haar goden

je eensgezinde broers en je oude moeder?

je bent teruggekeerd, wat een heerlijk nieuws voor mij!

Behouden zal ik je zien en luisteren naar je verhalen

over Spaanse steden, hun stammen en hun daden

zoals het je gewoonte is, Mij om je hals vlijend

 zal ik je verrukkelijke mond en ogen kussen

Wie van alle gelukkige mensen

is er blijer en gelukkiger dan ik?

 

              

 

Carmen 12. Aan Asinius Marrucinus.

 

Asinius Marrucinus, je gebruikt je linkerhand

niet al te best: bij wijn en grappen

steel je servetten van onoplettende gasten.

Denk je dat dat geestig is? Verdwijn, jij dwaas:

Het is zo een smerig en onsmakelijk iets.

Geloof je mij niet? Geloof dan Pollio 3

je broer, die wenste dat jouw diefstallen

met geld goed gemaakt konden worden:

hij is ’n jongen werkelijk begiftigd met geestige humor.

Dus verwacht driehonderd elflettergrepige verzen

of geef mijn servetten terug, van wiens waarde

Ik werkelijk niet wakker lig,

het is een herinnering aan mijn vrienden.

Fabullus en Veranius hebben mij deze geschenken gestuurd,

Spaanse Saetabische servetten: die mij dierbaar zijn

net als Veranius en Fabullus mij zijn.

 

              

 

Carmen 14. Aan Calvus de dichter. 4

 

Als ik niet meer van je hield dan van mijn ogen,

mijn allerliefste Calvus, zou ik je om je geschenk haten,

met een waarlijk Vatinianse haat:

wat heb ik nu eigenlijk gedaan en wat heb ik gezegd,

om zo gekweld te worden met dichters?

Moge de goden je cliënt, die je zoveel belabberds

heeft gestuurd, in het verderf storten.

Maar als, zoals ik vermoed, de onderwijzer Sulla

je deze nieuwe en originele gift heeft gegeven,

dan doet het mij geen kwaad, het is prima en fijn

dat je inspanningen niet helemaal voor niets geweest zijn.

Grote goden, een vreselijk, goddeloos boek!

Dat je, uiteraard, aan je Catullus hebt gestuurd,

opdat hij onmiddellijk de geest zou geven,

op de Saturnalia, de beste aller dagen!

Nee nee, met deze wandaad kom je er niet van af.

Zodra het licht genoeg is ren ik direct naar de

boekenwinkel van de kopiist, en schaf mij

Caesius, Aquinus, Suffenes,

en al dat andere vergif aan.

en betaal ik je terug voor dit lijden.

Ondertussen, vaarwel, en verdwijn daarheen

vanwaar je ongelukkige voeten je gebracht hebben,

pest van deze tijd, verfoeilijke dichters.

 

              

 

Carmen 15. Aan Aurelius.

 

Mijzelf en mijn geliefde beveel ik je aan,

Aurelius. Ik vraag slechts een bescheiden gunst,

als je ooit een verlangen hebt gekoesterd

en naar kuisheid en zuiverheid hebt gehunkerd,

houd dan deze jongen van mij veilig en ongeschonden

ik praat niet over de massa – van hen hebt je niets te duchten,

zij die op de straten heen en weer flaneren

in beslag genomen met hun eigen zaken –

werkelijk ik vrees slechts jou en je pik alleen

gevaarlijk voor zowel goede en slechte knapen.

Schud er aan zo vaak en met zoveel kracht als je wilt

en waar je het wilt, daar buiten; echter,

sluit hem daarvan uit, een bescheiden wens, lijkt mij.

Maar als woelige gedachten en wilde passie

je aanzette tot te veel zonde, jij ongelukkige,

en mij teleurstellend aan mijn jongen zou komen,

dan wacht je een ellendig en triest lot!

Men bindt je voeten vast, en door je achterdeur

 worden radijzen en harders gesleurd.

 

              

 

Carmen 16. Aan Aurelius en Furius. 5

 

Vozen zal ik jullie van voren en van achteren,

Aurelius, en Furius jij flikker,

Jullie denken mij te kennen op grond van mijn verzen

omdat die erotisch zijn en niet bescheiden genoeg,

het past de dichter zelf kuis en fatsoenlijk te zijn,

maar gelijk zijn gedichten is helemaal niet nodig;

die zijn pas smaakvol en geestig als zij zinnenprikkelend,

weinig kuis en lust opwekkend zijn,

ik heb het niet over jongens, maar over behaarde heren

zonder beweging in hun stijve lendenen.

Jullie, die hebben gelezen over de duizenden kussen in mijn verzen,

vinden mij geen echte vent?

Vozen zal ik jullie van voren en van achteren.

 

              

 

Carmen 17. O Kolonie. 6

 

O Kolonie, Jij die graag een lange brug zou willen hebben voor je spelen,

en klaar staat om te dansen, maar vreest dat de gammele houten pijlers

van jullie kleine brug instorten en weg zinken in de diepe modder;

moge u een goede brug bouwen die voldoet aan uw wensen,

een waarop zelfs de als kikkers rondspringende priesters veilig zijn,

maar, o kolonie, gun mij de beste gave, een uitbundige lach.

Een zekere medeburger van mij zou ik graag hals over kop van uw brug

zien donderen regelrecht in de prut, maar dan wel daar waar het

stinkende moeras het diepste en het zwartste is.

Die kerel is een stomme kwast en onnozeler dan een tweejarige peuter

slapend in de wiegende armen van zijn vader.

Hij is getrouwd met een lieftallig meisje in de bloei van haar leven,

een meisje verrukkelijker en delicater dan een jong geitje,

een dat beter bewaakt dient te worden dan de meest exquise druiven,

toch laat hij haar stoeien zo veel als zij wil, het maakt hem niets uit,

net als een els die geveld door de Ligurische bijl stil ligt in een droge

greppel, met net zoveel begrip van alles alsof hij niet bestaat:

zodanig is zijn stompzinnigheid dat hij niets ziet, niets hoort, hij die tot

mijn verbijstering niet weet wie hij is en of hij er nu wel of niet is.

Hem nu zag ik graag hals over kop van uw brug zien donderen,

als het mogelijk is zoveel stompzinnigheid te wekken en zijn

luie hersens achter te laten in de smerige prut,

zoals een ezel zijn hoefijzers in het zuigende slijk.

 

              

 

Carmen 27. Falernische wijn. 7

 

Dienaar, jongen van de oude Falerner,

schenk voor mij nogal koppige bekers in,

zoals de wet van meesteres Postumia beveelt

die meer bezopen is dan een bezopen druif.

Maar jullie, bronwaters, verdwijn van hier waarheen je wilt,

bedervers van wijn en verhuis naar sobere mensen:

 hier is Bacchus zuiver.

 

              

 

Carmen 29. Romeinse sodomiet. 8

 

Wie kan dit aanzien, wie kan dit dulden,

tenzij hij zelf een schaamteloze veelvraat en een gokker is?

Mamurra bezit wat eens langharig Gallië en het ver

verwijderde Brittanië bezat.

Romeinse sodomiet je ziet dit alles en duldt het?

en zal die protsige schuinsmarcheerder, nu trots en voldaan,

slenteren over elk en ieders bed, als een kleine witte duif of een Adonis?

Romeinse sodomiet zie je dit en duld je het?

Je bent een schaamteloze veelvraat en een gokker.

het was toch niet hiervoor dat jij enige echte generaal,

naar dit verre westelijke eiland trok.

Wat is het dat deze uitgeputte schuinsmarcheerder Mentula 

van jou er zo'n twintig, dertig miljoen er doorheen kon jagen?

Wat is dat voor een misplaatste vrijgevigheid?

Heeft hij misschien te weinig, of heeft hij misschien te veel verbrast?

Eerst verspilde hij zijn erfgoed; vervolgens de buit uit Pontus;

ten derde de buit uit Spanje, waarvan de gouddragende Taag

kan vertellen. En hij doet de Galliërs en de Britten vrezen? . 

Waarom heb je deze schurk gesteund? Wat kan hij doen, behalve grote

erfenissen verslinden? Was het voor een dergelijke naam, vermogende

schoonvader en schoonzoon, dat je alles hebt vernietigd?

 

              

 

Carmen 31. Sirmio.

 

Sirmio, parel van de schiereilanden en de eilanden,

 welke ook maar door beide Neptunussen worden gedragen  a

 in de heldere meren en de uitgestrekte zeeën,

 hoe graag en met hoeveel vreugde begroet ik u,

 terwijl ik nauwelijks kan geloven dat ik Thynië en de vlakten van

bithynië verlaten heb en dat ik u behouden terugzie.

O wat is gelukkiger dan bevrijd te zijn van alle zorgen,

Wanneer de geest de lasten van zich afzet en wij,

afgemat door de vermoeienissen van een reis in het buitenland,

terugkeren in ons eigen huis en ons ter ruste leggen in ons

zolang verwachte bed?

Gegroet, o bekoorlijk Sirmio en verheug u ook om uw meester,

en verheugt gij u ook, golven van het Lydische meer.

Dit is onze enige beloning voor zoveel vermoeienissen.

Lach, met al wat je aan gelach in huis hebt!

 

              

 
Carmen 32. Ipsithilla.
 

Alsjeblieft, mijn zoete Ipsithilla,

mijn verrukking, mijn eigen konijntje,

zeg me vanmiddag naar je toe te komen.

En als je dat doet moet je er op letten,

dat iemand niet net de voordeur vergrendelt,

en dat je niet uit gaat voor een ommetje.

Maar blijf thuis en bereid je voor op zo’n

negen opeenvolgende vrijpartijen.

Maar als je het wilt, laat mij dan nú komen;

voldaan na mijn ontbijt lig ik met een stijve

die dwars gaat door zowel tuniek als mantel.

 
              
 

Carmen 33. aan  Vibennius.

 

O vader Vibennius, beste van de badhuisdieven

en jij zoon, jij sodomiet

(sinds vader’s rechterhand smeriger is

en de aars van de zoon onverzadelijker)

waarom gaan jullie niet in ballingschap, naar een ellendig oord?

aangezien de roverijen van de vader het volk bekend zijn en jij, zoon, kan die harige kont

van je voor nog geen cent verkopen.

 

              

 

Carmen 34. Diana. 9

 

Onder de hoede van Diana zijn wij

reine meisjes en knapen:

laat ons een lied zingen voor Diana

maagden en reine knapen. 

O Latonia, verheven nakomelinge

van Iupiter de allerhoogste.

Uw moeder baarde u nabij een Delische olijfboom,

opdat u meesteres zou zijn van bergen

en bloeiende wouden en van de afgelegen beboste valleien

en luid klinkende rivier:

voor moeizaam barende vrouwen

heet u naar verluidt

Iuno LucinaTrivia de krachtige en Luna met het oneigen licht

met uw maandelijkse omloop o godin

bepaalt u de loop der seizoenen u vult de

boerenschuren met de vruchten van de aarde

met welke heilige naam u wilt worden genoemd

vereren wij u, moge u de nazaten van Romulus beschermen

zoals u sinds oudsher gewend bent te doen.

 

              

 

Carmen 38. aan Cornificius. 10

 

Cornificius, het gaat slecht met jouw Catullus,

slecht, bij Hercules, en ook moeizaam,

en meer en meer bij het verstrijken van de dagen en uren.

Met welk geruststellend woord, wat toch het minste

 en het makkelijks is, heb je hem getroost?

Ik ben kwaad op je, ga je zo met mijn liefde om?

Geef mij een heel klein beetje troost

triester dan de tranen van Simonides.

 

              

 
Carmen 41. Aan Ameana
 

Ameana, dat afgelikte meisje
eist maar liefst tienduizend van mij,
de minnares van de bankroutier van Formiae.
11

U die het aangaat roept vrienden en artsen samen:

Het meisje is niet gezond! vraag niet wat er ontbreekt:

ze kijkt te weinig in het spiegelend brons.

 

              

 

Carmen 48. Aan Iuventus.

 

Als iemand, Iuventus, mij toe zou staan,

jouw honingzoete ogen onafgebroken te kussen,

ik zou ze kussen honderdduizendmaal en nooit,

denk ik, zou ik verzadigd raken,

zelfs niet als de oogst van onze kusfestijnen

dichter opeen staat dan gerijpte korenaren.

 

              

 

Carmen 49. aan Marcus Tullius Cicero.

 

Welsprekendste van Romulus' kleinzonen,

zo veel er zijn en zo veel er waren, Marcus Tullius,

en zo veel er zullen zijn in de komende jaren,

Catullus betuigt je de grootste dank,

zo zeer de slechtste aller dichters

als jij bent de beste aller advocaten.

 

              

 

Carmen 52. Hoe nu, Catullus.

 

Hoe nu, Catullus, waarom ga je nog niet dood?

Gezwel Nonius zit al in een curulische zetel,

Vatinius zweert bij zijn denkbeeldig consulaat: 12

Hoe nu, Catullus, waarom ga je nog niet dood?

 

              

 

Carmen 53. Aan Caius Licinius Calvus. 13

 

ik lachte toen iemand van de toeschouwers,

toen mijn Calvus bijzonder fraai de misdaad

van Vatinius uit de doeken deed, 

vol bewondering zijn handen ten hemel hief zei:

“grote goden, wat een welsprekend kereltje!”

 

              

 

Carmen 54. Otho’s hoofd.

 

Otho’s hoofd is tamelijk klein,

en Erius halfgewassen boerenbenen vuil,

zacht en subtiel zijn Libo’s windjes:

is dit nog niet genoeg, laat mij u dan mishagen

met Sufficius, die opgekookte ouwe knar,

laat mijn waardeloze jamben                                   

u dan irriteren, enige echte generaal.

 

               

 

Carmen 56. Aan Cato.

 

O Cato, wat een lachwekkend en grappig iets,

jou waardig om te horen en om te lachen!

Lach Cato, zoveel als je van Catullus houdt

.Ik betrapte net een jonge knaap

stevig stotend in mijn meisje:

moge het Venus behagen, ik viel hem aan

mijn stijve als een speer gebruikend.

 

              

 

Carmen 57. Aan Caius Iulius Caesar.

 

Een prachtig stel die twee perverse flikkers,

de schandknaap Mamura en Caesar.

En geen wonder, beiden hebben

onuitwisbare identieke vlekken.

De een uit Formia de ander uit Rome,

de tweeling lijdt aan dezelfde ziekte,

beiden genoten hun opleiding in hetzelfde bed:

de een niet minder gretig dan de ander bereid

tot overspel met een kleine meid.

Een prachtig stel die perverse flikkers.

 

              

 

Carmen 59. Rufa

 

Rufa uit Bologna zuigt kleine Rufus af -

Menenius’ vrouw, die jullie van de brandstapel

zelf vaak haar maaltijd hebben zien roven,

werd, het uit het vuur rollend brood nalopend,

door de halfgeschoren lijkverbrander afgedroogd.

 

              

 

Carmen 69. Aan Rufus.

 

Wees niet verbaasd dat geen enkele vrouw

haar zachte dijen onder jou vlijen wil, Rufus,

ook al breng je haar aan het twijfelen met het geschenk van een kleed

van mooie stof of een prachtig fonkelend juweel.

Een kwaad gerucht over jou doet de ronde, men zegt dat in jouw

okselholten een stinkende bok zijn sponde heeft, iedereen is hiervoor

bevreesd en dat is geen wonder, het is een akelig beest waar mee geen enkel mooi meisje

ooit zal willen slapen.

Dus dood dit dier, deze wrede plaag van onze neusgaten,

of wees niet verbaasd dat ze je verlaten.

 

              

 

Carmen 82. Aan Quintus.

 

Quintus als je wilt dat Catullus zijn ogen dankt aan jou

of iets dat hem nog dierbaarder is dan zijn ogen,

ontneem hem dan niet wat veel kostbaarder is dan

zijn ogen, of wat kostbaarder is dan ogen.

 

              

 

Carmen 93. Aan Caius Iulius Caesar.

 

Het laat mij koud, Caesar, of ik in je smaak val,

noch of je van goede of slechte dingen houdt.

 

              

 

Carmen 94. Aan Mentula. 14

 

Mentula gaat vreemd, gaat Mentula vreemd? Dat is dan zeker

wat ze noemen: de pot vindt zijn eigen kruiden.

 

              

 

Carmen 101. Dodenoffer.

 

Langs vele volkeren en over vele zeeën gevaren

 kom ik aan, mijn broer, voor dit verdrietig dodenoffer, 

om jou het laatste geschenk van de dood te geven 

en jouw zwijgende as tevergeefs toe te spreken. 

Omdat het lot mij jou zelf heeft ontnomen, 

ach arme broer, onverdiend van mij weggenomen, 

ontvang nu hoe dan ook dit, volgens oud gebruik der voorouders

overgeleverd trieste geschenk voor een dodenoffer, 

ontvang rijkelijk beweende broederlijke tranen,

 en voor eeuwig, mijn broer, gegroet en vaarwel!

 

              

 
NOTEN
 

1. Cornelius Nepos (ca.100-25 v.C.). Hij is de auteur van een reeks

biografieën ‘De viris illustribus” die bewaard zijn gebleven.

Zijn liefdespoëzie en de “Chronica”, waarnaar Catullus hier verwijst,

zijn verloren gegaan

Schutspatrnes: de Muze Erato                                erug naar tekst

 

2.De drie laatste verzen (IIb) worden ook beschouwd als restant van

een gedicht dat tussen de twee passer-gedichten (II en III) werd ingelast.

Toch is het mogelijk II en IIb als één geheel te beschouwen, waarbij een

vergelijking wordt gemaakt tussen mus (vogel) en appel als erotische symbolen. Terug naar tekst

 

3.Caius Asinius Pollio (76 v.C – 5 n.C.) dichter, historicus, politicus,

begunstiger van Vergilius, vriend van Horatius. Vriend en strijdmakker

van Caesar, trok zich later terug op zijn landgoed in Tusculum
en wijdde de rest van zijn leven aan literatuur.

Kleinzoon van Herius Asinius van Teate, praetor van de Marrucini.

Broer van Asinius Marrucinus bekend om zijn smakeloze ‘practical jokes’.

(zie op deze site onder ‘Romeinen’)  Terug naar tekst

 

4. Caius Licinius Macer Calvus (ca.82 - 47 v.C.) Vriend van Catullus die

hem in Carmen 53 vanwege zijn kleine gestalte salaputium disertum

noemt (een welsprekend kereltje). Net als Catullus was Calvus een

neoterisch dichter en had een hartgrondige hekel aan Pompeius en Caesar.  

Terug naar tekst

 

5. Waarschijnlijk Marcus Furius Bibaculus uit Cremona, een van de

nieuwe dichters (poetae novi ofwel, Neotericoi).Aurelius is een

onbekende vriend van Catullus   Terug naar tekst

 

6. Kolonie Veneta (?). Een klein stadje nabij Verona.

Daar was eens een brug met de naam Il Ponte di Catullo.

 

De Salii of dansende priesters, zij moesten van patricische afkomst zijn.

Hun plichten bestonden er uit om in de maanden maart en oktober

(het begin en het einde van het oorlogsseizoen) met ritueel gezang dansend

door de straten te gaan.  Terug naar tekst

 
7. Wijn uit Falernia, een district in Noordelijk Campania beroemd

om de hoge kwaliteit van haar wijn.   Terug naar tekst

 

8. Caius Iulius Caesar. Catullus ridiculiseert zijn (vermeende)

homosexualiteit en beschermheerschap van Mamurra, Caesar’s hoofd

ingenieur (praefectus fabrum) in Gallië, en een van zijn intimi.

Hij kwam van Formia in Latium vandaar gerefereerd naar als Formianus.                         

 (voor Caesar zie op deze site onder ‘Romeinse keizers’)    Terug naar tekst

 
a. Neptunus als god van de zee én Neptunus als god van de meren en rivieren   Terug naar tekst
 

9. Dochter van Jupiter en Latona (vandaar haar bijnaam Latonia) en

tweeling zuster van Apollo. Zij is geboren op het eiland Ortygia ofwel

Delos (vandaar haar bijnaam Ortygia). Godin van de maan en de jacht. 

Attributen pijl en boog. Zij en haar volgelingen waren maagden.

Zij werd aanbeden als Hecate in de onderwereld, Luna de maan in de

hemel, en als Diana de jageres op aarde.   Terug naar tekst

 

10. Quintus Cornificus, quaestor, praetor, steunde Caesar en sneuvelde

in 41 v.C. in de strijd tegen Titus Sextius. Hij was een nieuwe dichter en

vriend van Cicero en Catullus.

 

Simonides. Grieks lierdichter geboren te Keos (een van de Cycladen)

ca.556 en overleden 468 v.C. te Syracuse. Simonides was een veelzijdig

dichter, die alle genres van de koorlyriek beoefende    Terug naar tekst

 

11. Mamurra, Caesar’s praefectus fabrum in Gallië. (zie noot 8)

          Terug naar tekst

 

12. Publius Vatinius was een volkstribuun die later het ambt van praetor,

legaat, consul en proconsul zal bekleden. Door zijn verregaande nepotisme

was hij een ideale partner voor de ambitieuze Iulius Caesar.    

 (zie op deze site ‘Romeinen’ )     Terug naar tekst

 
13. Zie Carmen 14, noot 4.    Terug naar tekst
 
14. Mentula is een persoonsnaam maar betekend ook penis.

     Voor dit gezegde zouden wij waarschijnlijk gebruiken:

      ‘vogels van gelijke pluimage’ of/en ‘soort zoekt soort’.   Terug naar tekst